De prehistorie van de televisie

Veertig jaar geleden, op 2 oktober 1952, deed televisie haar intrede in Nederland. Zelden is de geboorte van een nieuw medium zo langzaam en pijnlijk verlopen. Internationale concurrentie speelde een rol, maar ook technische problemen, patentoorlogen, persoonlijke ambitie, regeringsbemoeienis en nationalisme. De programma's waren ondertussen niet om aan te zien. "Het hoeft heus niet allemaal van hopfalderie te zijn, maar als je niets anders te zien krijgt dan een omroepster, een spreker, een voorzitter en nog een spreker, dan kijk je niet meer.'

Op 5 maart 1948 stuurde ir. J.A.J. Bouman, directeur Hoofdindustriegroep Apparaten bij Philips, vanuit Amerika dit spoedtelegram aan Lopes Cardozo, zijn collega in Eindhoven.

""Try to stop developmentwork broadcast-receivers and concentrate all efforts on television stop

Television is our biggest chance stop

Protelgram is allright but we have to work on followup like hell! stop

Write on all doors and walls and blackboards TELEVISION stop Make everyone televisioncrazy stop

We have enough people to do the job but most of them work on the wrong items stop

There really is only one item: TELEVISION stop The only actual televisionfront we have at the moment is rigth here in U.S.A. stop

We are able to force it if we are ready to fight AND TO KEEP FIGHTING! stop

Mobilise Eindhoven please stop

No time to lose TELEVISION IS MARCHING ON HERE AND FROM HERE OVER THE WHOLE WORLD stop

The only question is: WHO MARCHES ON WITH TELEVISION, PHILIPS OR THE OTHERS? stop

THE OTHERS ARE ALLREADY MARCHING! PHILIPS EINDHOVEN, TAKE THE LEAD ! fullstop''

Nu had Philips in 1947 een krachtige televisiezender gebouwd, waarmee men verder dan de eigen binnenplaats kon zenden. Het bedrijf had daarom reeds een zendmachtiging aangevraagd. Op 18 maart 1948 kwam deze vergunning af en begon in Eindhoven de Philips Experimentele Televisie, drie avonden per week, anderhalf uur lang, in totaal 265 uitzendingen. Hoewel in de volksmond PET-televisie genoemd, werden de uitzendingen zeer gewaardeerd door de pers en door de 400 kijkers die van een toestel waren voorzien.

Niet bekend

Sommigen zagen in het telegram van Bouman een bevestiging van de mening dat prof.dr. G. Holst, die van 1913 tot 1947 de leiding had van het Natuurkundig Laboratorium, het NatLab, inderdaad een domme, beperkte man was. Holst geloofde niet in televisie maar wel in de huiscineac, niet in de grammofoonplaat omdat de mensen al een radio hadden, en eerst wel en toen toch weer niet in het fax-apparaat. Maar de Eindhovense hoogleraar A. Sarelemijn, die het telegram van Bouman uit de Philips-archieven opdiepte, ziet dat genuanceerder: ""Holst zette al in 1928 iemand op de televisie. Maar in die tijd was dit nog geen geschikt produkt voor Philips dat toen al louter gericht was op massa-produktie, zoals van radiotoestellen. Eind jaren dertig zag Holst in dat er toch ook wel genoeg muziek in de tv zat om de ontwikkelingen in elk geval bij te houden. In 1940 zette hij daarom een grote groep "zware jongens' op dit project.''

Prof. dr. H.B.G. Casimir, die in 1942 op het NatLab kwam werken, herinnert zich Boumans telegram nog wel. ""Maar ik heb niet het gevoel dat het dit telegram was dat ons de ogen opende. Bouman jaagde de mensen graag op. Men was bezig met protelgram en hij vond dat je op álle gebieden wat moest doen. Het was een schok voor hem in de VS te zien hoe ver men al was met tv.''

Volgens Casimir is het wel te begrijpen dat men zich vòòr de oorlog niet alleen richtte op de ontwikkeling van de televisie. Dat er niettemin diverse malen door Philips op het verkeerde paard is gegokt, zoals met de grammofoonplaat, de huiscineac en protelgram, Casimir erkent het grif. De huiscineac was bedoeld als alternatief voor de krant, een filmpje dat je door de brievenbus kreeg en kon afdraaien op je filmtoestel als het jou uitkwam.

Duizend gulden

De top van Philips geloofde niet erg in televisie, zo blijkt uit de notulen van een vergadering in november 1935. De mensen zouden liever films willen projecteren en de hoge prijs - minstens duizend gulden - maakte televisie slechts ""een aardig gerief voor de happy few''. Bovendien reikten de zenders nog niet verder dan veertig kilometer. Tv zou dus beperkt blijven tot grote bevolkingscentra zoals Londen. Het grootste probleem, tenslotte, waren de programma's. Holst had dit al in 1932 in de VS vastgesteld: ""Ze hebben het probleem van het maken van interessante televisie-programma's nog niet opgelost.''

Niettemin werkte men door. De gedachte was dat de mensen met de bestaande, zeer kleine tv-buizen geen genoegen zouden nemen omdat ze een klein en onscherp beeld gaven. Evenmin kon men zich een toestel voorstellen met een grotere kathodestraalbuis. Wie zou nou zo'n geweldige "vacuumknots' in de huiskamer zetten? De conclusie: het protelgram, een klein kathodestraalbuisje met een heel hoge intensiteit dat de beelden op een scherm aan de muur projecteert.

Philips stak veel energie in deze techniek en probeerde het protelgram in Amerika te lanceren. Dat lukte niet, ook al werd de kwaliteit prima bevonden. Men wilde niet net als in de bioscoop in het donker naar een scherm kijken, maar dat zag men bij Philips niet in. Toen Radio Corporation of America ( RCA) bovendien wél grote buizen maakte, die vervolgens steeds platter werden, was het lot van protelgram bezegeld. ""Het bleek vechten tegen de bierkaai'', aldus Casimir.

Zo kwam het dat Erik de Vries, die bezeten televisieman van het eerste uur bij Philips, vanaf 1938 met een rijdende tv-studio door Midden-Europa reisde, pr-demonstraties hield en er telkens nadrukkelijk bij zei: ""We kunnen televisie maken, maar die is er nog niet, dus koop een radio, een Philips-radio.''

Hoe komt het dat men in de jaren dertig de stemming zo verkeerd heeft gepeild? Waar vloeiden deze verkeerde taxaties van de mogelijke toepassingen van televisie uit voort: uit de technische omstandigheden en keuzes of uit de politiek-maatschappelijke omgeving?

Globaal gezien maakten de technische ontwikkelingen een verbazend parallelle ontwikkeling door. Overal in de zich industrialiserende wereld werkte men aan televisie, waarvan het theoretische concept, gevoed door de ontdekking van elektro-magnetische golven en het lichtgevoelige selenium, al in 1882 door de Brit William Lucas was getekend en beschreven. Daarna ging het overal via het gebruikelijke trial-and-error ongeveer dezelfde kant op. De Brit John Logie Baird hield op 25 maart 1925 in het Londense warenhuis Selfridge zijn eerste publieke demonstratie. Nog geen tien weken later, op 13 juni, zond de Amerikaan Charles Jenkins beelden vanuit Anacostia naar Washington: op een beeldschermpje van 25 bij 30 centimeter kon men daar tien minuten lang naar de klappende wieken van een Hollandse windmolen kijken.

Achterstanden werden vaak pijlsnel ingelopen. Toen Philips in 1934 hard aan televisie ging werken, verbeterde het NatLab binnen een jaar het aantal schermlijnen van 180 naar 405, een enorme prestatie.

Visie

Waren het niet dus toch de visie op de toepassingsmogelijkheden, en de "pull' van de markt, die doorslaggevend werden voor de loop der ontwikkelingen? Het lijkt er wel op. Zo zag Lenin, sinds hij in oktober 1917 vanaf de kruiser Aurora zijn bericht ""Aan de burgers van Rusland'' uitzond, de media als belangrijkste werktuig om de Sovjet-burgers te instrueren. In 1920 schreef hij aan radio-pionier Michail Brontsch-Brujevich: ""De krant die je bezig bent te stichten, zonder papier en afstanden, zal een grote zaak zijn... Ik beloof je hiermee en met andere projecten te helpen zo goed als ik kan.''

De "kolossale betekenis' die Lenin aan de radio toedichtte, werd al een jaar later overgenomen door de televisie waarover dezelfde professor aan Lenin berichtte. Hij had een foto-elektrische cel ontwikkeld, ""die een bewegend persoon zichtbaar zou kunnen maken en een bewegende vijand op honderd werst [ruim honderd kilometer, hb] afstand op een scherm zou kunnen reflecteren.'' Lenin verhief het project onmiddellijk tot "staatsproject'.

In Duitsland was het de industrie die het voortouw nam op het gebied van radio en televisie, tot de nazi's aan de macht kwamen en televisie ook daar door de politici en militairen werd overgenomen. Wilhelm Ohnesorge, een wapenfabrikant die in 1935 minister van buitenlandse zaken werd, presenteerde in zijn eerste tv-demonstratie voor Hitler een serie beelden waarin vliegtuigen door mist of boven de wolken werden geleid met behulp van televisie-uitzendingen. Hitler beval onmiddellijk dat de tv alleen voor de luchtmacht verder ontwikkeld mocht worden. Het was een poging het aloude streven naar geleide, onbemande raketten en torpedo's te realiseren. In 1939 meldde Ohnesorge dat dit wonderwapen van de "ziende bom' gereed was.

Dat nazi-Duitsland toch ook al in 1935 begon met de eerste nationale tv-uitzendingen, die in werkelijkheid uiterst experimenteel waren, had alles te maken met de nationalistische ambitie om Engeland voor te zijn. De nazi's wilden de wereld tonen dat het natuurlijk weer een Duitser was die de ""basisuitvinding deed voor een nieuw cultureel tijdperk'': eerst Gutenberg met de drukletter, nu Nipkov met zijn schijf. In de praktijk wisten de nazi's met televisie als medium weinig aan te vangen. Hitler en Goebbels hadden grote reserves, zo niet angst, voor het niet te retoucheren live-aspect. Beiden deden met hun televisietoestel niet veel meer dan er mee opscheppen tegenover hun gasten.

Nipkovschijven

In 1926 waren de Britse geleerden die Bairds rommelhok met zijn mechanische televisie inspecteerden, nog het meest onder de indruk van een baard van een van hen die onontwarbaar verstrikt raakte in het ratjetoe van draden en draaiende Nipkovschijven. Aangezien in dit tijdperk van nationalisme de technische ontwikkeling het symbool was van nationaal prestige - of het nu om staalfabrieken, slagschepen of radio en televisie ging - besloot de nationale omroep van Groot-Brittannië, de BBC, al binnen een paar jaar dat dit kleine gammele kastje van Baird met zijn povere dertig lijnen, interessant genoeg was om zelf mee te gaan experimenteren. De "imperiale' BBC kon ook gemakkelijk zonder winstoogmerk beginnen: met één zender bereikte men heel Londen, waar net zo veel mensen woonden als in Nederland, en waar de concentratie rijken die zich zo'n toestel konden veroorloven, uitzendingen ook mogelijk maakte.

Deze omstandigheid verklaart ook de voorsprong die Engeland, ondanks alles, tot laat in de jaren dertig behield op Amerika. In de VS werd van de televisie, net als daarvoor van de radio, verwacht dat dit medium winst zou maken. Dus moest men een publiek bereiken dat groot genoeg was om adverteerders aan te trekken. Dat dit het beste ging met amusement, was de meeste tv-bazen al snel duidelijk. Het plan voor een "Radio Music Box' dat David Sarnoff in 1916 aan zijn bazen van het Marconistation bij New York stuurde, werd nog genegeerd. Toen Sarnoff zelf eenmaal baas was bij RCA, bleef zijn visie op radio en tv dezelfde: amusement, nieuws en nog wat verheffende cursussen. In 1926 schreef hij over tv: ""Het gehele land zal deelnemen aan elke nationale processie. Moeders zullen thuis lessen in kindverzorging kunnen volgen. Arbeiders zouden 's avonds op dezelfde wijze naar school kunnen gaan. Een wetenschapper kan zijn laatste uitvindingen demonstreren aan zijn collega's.'' Een paar jaar later zei hij: ""Het potentiële tv-publiek zal, zo kan men aannemen, alleen begrensd worden door de bevolking van de aarde zelf.''

Zijn concurrent William S. Paley zag tv louter als een vermaakmachine: ""Visualiseer wereldkampioenschappen baseball, voetbal, auto- en paardenraces, verzonden op het moment dat ze plaats hebben op supersized, natural color, stereoscopische [theater, hb]schermen.'' De Amerikaanse televisiepionier Charles Jenkins evenwel zag tv toen al als huiskamermedium: ""In 1932 zullen de kiezers van Maine tot Californië al de nieuwe president kunnen zien bij het uitspreken van zijn inaugurele rede.''

Hoewel er in 1928 al vijftien tv-stations waren in Amerika, en er overal zelfbouwdozen te koop waren, werd de verdere ontwikkeling geremd door patentmonopolies, anti-trustwetgeving en de eis van de federale communicatiecommissie, FCC, om in het hele land dezelfde standaard aan te houden. Belangrijkste rem was echter dat de tv na de eerste haussejaren zowel in financieel opzicht als wat betreft entertainment een mislukking bleek. Men kon niet voldoende aantrekkelijke programma's maken, en alleen hoge-definitietelevisie zou de kwaliteit tot bioscoop-niveau kunnen brengen. Zo won de elektronische tv van Zworykin en Farnsworth het van het mechanische klapperwerk van Baird, maar elektronische tv vereiste enorme investeringen die alleen grote firma's zich konden veroorloven.

De strijd tussen de grote firma's om de patenten en de strijd samen met de FCC over de standaardisatie en kwaliteitsnormen, werd pas in 1941 beslecht, onder druk van het publiek dat nu eindelijk eens behoorlijke televisie wilde zien. Op 1 juli 1941 begonnen de eerste officiële uitzendingen. De eerste commercial was die voor een klok, merk Bulova: de grote wijzer tikte een minuut lang rond. Kosten van de reclamespot: vier dollar.

De oorlog bracht de ontwikkeling even tot stilstand, maar toen in 1946 de produktielijnen weer werden vrijgegeven, kwam een jaar later in de VS eindelijk de "boom' die al sinds 1927 was verwacht: 50.000 televisietoestellen per maand gingen er over de toonbank. Geen wonder dus dat Bouman in maart '48 enigszins opgewonden raakte.

Luxe object

Maar Nederland is geen Amerika, en werd dat voorlopig ook niet. De technische ontwikkeling, het enthousiasme van de amateurs, de nieuwsgierigheid van het publiek, daarin verschilde Nederland in de jaren twintig en dertig nauwelijks van Engeland of Amerika. De Eindhovense amateur Freek Kerkhof produceerde in 1928 al schaduwbeelden van zijn vrouw - hoed op, hoed af - en begon in 1936 met wekelijkse uitzendingen voor de kleine groep zelfbouwers. Het liep storm op de eerste grote tv-demonstratie van Philips, op de Voorjaarbeurs in Utrecht in maart 1938, waar Erik de Vries conferenciers als Corrie Vonk en Wim Kan voor de camera liet optreden.

De persreacties waren afgezien van de opgetogen organen van de "neutrale zuil' (De Telegraaf bijvoorbeeld) min of meer dezelfde als die van de Philips-top. ""Wel aardig... maar nog onvoldoende'' (Het Volk), ""Zal luxe-object blijven... de programma's moeten boeiend zijn, anders is de aardigheid er heusch heel spoedig af'' (Maasbode).

De PET-uitzendingen tussen 1948 en 1951 werden in de pers wel zeer lovend beschreven, maar pessimisme en argwaan over invoering van televisie bleven overheersen, zeker toen het niet zeker was dat de omroepen dit nieuwe medium zouden gaan vullen. Na alle regeringscommissies, die vanaf 1935 bijna onafgebroken alle aspecten van het "televisieprobleem' - omroep, geld, techniek, nationaal belang - van voren naar achter en omgekeerd bespraken (op één aspect na: de programma's), waren op het hoogtepunt van de strijd tussen verzuild of nationaal bestel (1950-51) de tegengeluiden van de kant van vooral de KRO en de VARA niet van de lucht. KRO-voorzitter pater-prof. dr. J.B. Kors: ""Wij zijn eigenlijk nog te arm voor televisie.'' VARA-secretaris Jan Broeksz voegde daar aan toe dat ""ons volk geen reële behoefte heeft aan televisie... dat deze behoefte door de industrie opzettelijk geschapen en gestimuleerd wordt... en ook cultureel bestaat naar mijn mening deze behoefte niet'.

De voorzitter van de NCRV, mr. A.B. Roosjen meende echter, alle gevaren erkennend: ""Wij moeten televisie aangrijpen voor de verbreiding van het evangelie.'' Alleen AVRO-voorzitter Willem Vogt was onvoorwaardelijk voorstander: ""Beter een arm land met iets, dan een arm land met niets, en men is toch niet verplicht zo'n ding te kopen.''

Op de eerste nationale televisie-avond, dinsdagavond 2 oktober 1951, verdrongen zich duizenden mensen voor de krap 500 toestellen die opgesteld stonden in cafés, etalages, zalen, enkele huiskamers, en in de bibliotheek van paleis Soestdijk. Het overtrof ieders verwachtingen. Maar de regering-Drees, die zo lang om redenen van zuinigheid invoering had tegengehouden, hield bij monde van staatssecretaris van OK & W, mr. J.M.Th. Cals, als openingsrede een preek die het idee voorgoed leek te willen wegnemen dat televisiekijken ook gewoon leuk mocht zijn: ""Meer dan ooit tevoren gaat de techniek ons leven beheersen: nu is het niet alleen meer in het arbeidsproces, waar de machine de mens dreigt te verdringen, maar ook in de vrijetijdsbesteding. Na de massa-arbeid is het nu de massa-recreatie die de menselijke persoonlijkheid belaagt. Wanneer deze dreiging niet duidelijk wordt onderkend, zal de techniek - eens symbool van de menselijke geest op de stof - zelf meester en tyran worden. Wij dienen te waken, dat de techniek nooit doel gaat worden, maar slechts als middel wordt aangewend.''

En, na al die decennia hooggespannen verwachtingen, vond het publiek het ook niet leuk, die televisie. Al binnen twee maanden barstte er in ongekende eendrachtige "gezamenlijkheid' een gekanker los onder het publiek, het grootst natuurlijk onder de café-bazen en handelaars die met lege tafels en onverkochte toestellen bleven zitten. ""Men heeft in Bussum zo weinig fantasie; er zouden meer potsenmakers en revue-artiesten moeten komen.'' ""Niets afwisselends, de inpolderingen en de staatsmijnen ken ik zoetjesaan uit m'n hoofd. Waarom geen sport en geen tekenfilmpje?'' ""Is het voor de krant? Nou dan kan u uit mijn naam gerust vertellen dat de programma's een grote sof zijn. Het hoeft heus niet allemaal van hopfalderie te zijn, maar als je niets anders te zien krijgt dan een omroepster, een spreker, een voorzitter en nog een spreker, kijk je niet meer.''

De pers concludeerde: door de slechte programma's en schaarse uitzenduren ""is het niets gedaan met de televisie.'' Zelfs De Telegraaf schreef: ""Televisie op dood spoor. Verder experimenteren zinloos.'' Philips weigerde te vertellen hoeveel toestellen men verkocht, maar volgens vele verkopers was het, begin 1952, met de tv-verkoop in Nederland "radicaal afgelopen', ""Jawel, eigenlijk zit Nederland met het geschenk van de firma Philips lelijk in de maag'' (Wereldkroniek).

Pas toen de televisie werd gebruikt zoals David Sarnoff dat in de jaren twintig zag - levend, pakkend en direct - kwamen de belangstelling en de kooplust. Door de beelden van het bezoek van koningin Juliana aan Asten in juni '51, de NCRV-BBC-uitzending van de begrafenis van koning George VI in februari '52, de tv-reportage van prinsjesdag in september '52, maar vooral de interland België-Nederland in oktober '52, die ondanks de 2-1 nederlaag ""een doorslaand succes'' werd genoemd. ""Nederland heeft voorgoed de televisie ontdekt.''

De curves van economische groei en tv-verkoop liepen gelijk op, en na een jaar of zes, zeven hadden de tv-makers ook een beetje door hoe men een aantrekkelijk programma moest maken (Pension Hommeles). In 1958 waren er zo'n 250.000 toestellen verkocht, meer dan in 1949 was verwacht, al bleven er genoeg nukkig volhouden: ""Ik koop pas televisie als ik ook New York kan krijgen, dan zie je tenminste wat.'' In 1950 had Het Parool over het ""geldverslindende bedrijf'' dat televisie heette, uitgerekend dat de Nederlanders per jaar aan roken en drinken 1 miljard gulden uitgaven en dat het ze 300 miljoen gulden zou kosten als ze tv's gingen aanschaffen in de mate als de Amerikanen dat bezig waren te doen.

En wie zou er zijn rokertje of drankje voor willen laten staan? In de eerste jaren van de televisie was het pauzeteken een asbak met een rokende sigaret, die telkens even door een, alleen met zijn hand zichtbare, roker werd weggenomen. Tenslotte maakte de hand de sigaret uit en was de pauze om. Nationale en commerciële omroep zoals in Amerika, het is er beide wel en niet, maar de asbak is vervangen door de ster-spot. De rest zal volgen, en dan is Nederland, een halve eeuw later, op het punt waar het in Amerika op 1 juli 1941 mee begon: commerciële tv met als hoofdmoot amusement en nieuws.

Hoewel, gezien de typisch Nederlandse "toepassing' van het medium-televisie is dat, ook nu het geld en alle ideeën op zijn, nog helemaal niet zeker. Want of we nu de strijd in 1928 over de wet op het radio-bestel bekijken, de strijd om het televisiebestel, in 1953 definitief door de omroepen gewonnen, de strijd om de ster-reclame, het is nog altijd waar wat Vrij Nederland op 31 oktober 1953 schreef: ""Een treurige situatie: een omroep die verpolitiekt is en politieke partijen die veromroept zijn.''

Tv in Nederland is dus niet alleen een verhaal van techniek, push and pull, het is vooral een verhaal over Nederland.