De lotgevallen van Poncke Princen, deel 3; De wraak van het KNIL

De Nederlandse soldaat Poncke Princen liep in september 1948 over naar het leger van de Republik Indonesia, het TNI. Na de Nederlandse overval op Djokjakarta, het begin van de tweede politionele actie in december van dat jaar, keerde hij met de Siliwangi-divisie terug naar West-Java. Daar voegde hij zich bij de guerrilla in de bergen rondom Sukabumi. Na een geslaagde overval op een textielfabriek kreeg hij de leiding over een eigen strijdgroepje, de Pasukan Istimewa (Speciale Afdeling), met als opdracht wapens te veroveren op ondernemingen en politieposten.

Derde en laatste deel van de geschiedenis van een Nederlandse deserteur: volksheld voor de Soendanezen, verrader voor de Nederlanders.

Na de terugkeer van de Siliwangi-divisie naar West-Java in februari 1949 nam de guerrilla daar snel in hevigheid toe. Bijna dagelijks waren er overvallen op ondernemingen, schermutselingen met patrouilles van KNIL of KL, executies van mensen die van collaboratie werden verdacht, ontvoeringen van bestuursambtenaren en represailles door Nederlandse troepen. De Pasukan Istimewa van Poncke Princen speelde daarbij aan Indonesische zijde een belangrijke rol in het gebied rondom Sukabumi.

Op 4 juli 1949 berichtte de Preanger Bode onder de kop "Laffe overval op onderneming - Deserteur Leider der bende' onder meer het volgende:

""Naar wij eerst thans vernemen, heeft vrijdag 17 juni een brutale overval plaats gehad op de onderneming Hardjasari bij Lampegan (aan de spoorlijn Soekaboemi-Tjiandjoer) onder leiding van de deserteur Princen. Hierbij werden twee ondernemingswachters gedood, vier gewond, van wie twee zwaar, terwijl voorts twee O.W.-ers werden ontvoerd. Verder gingen twee karabijnen verloren.

""Die bewuste vrijdagmorgen omstreeks elf uur kwam een Hollandse jongeman met een Tommy-gun over zijn schouder, gekleed in een korte groene broek en een wit hemd, het kantoor van de administrateur van Hardjasari, de heer Kwee Tjiong Jong, binnenstappen. De jongeman verklaarde, dat hij in opdracht van de militaire commandant van Tjibeber de ondernemingswacht kwam inspecteren. De administrateur had geen bezwaar hiertegen en keek uit het raam om te zien of de commandant van de ondernemingswacht op de appèlplaats aanwezig was. In plaats daarvan zag hij zeven in het groen geklede zwaarbewapende Indonesiërs staan (...) Hij kreeg hierdoor achterdocht, maar liet niets merken tegenover de Hollander, en zei, dat hij de commandant van de ondernemingswacht zou waarschuwen. De jongeman ging hiermee accoord (...) De administrateur wandelde kalm naar de garage (...) Daarna sprong hij in de pick-up en reed er mee weg naar Lampegan (...) In Lampegan waarschuwde hij de daar bevelvoerende officier, luitenant van A. (...) Er werd terstond een militaire patrouille naar de onderneming gezonden (...) Deze patrouille liep onderweg in een hinderlaag, waarbij één militair gewond werd. (...)

""Toen na een poos gewacht te hebben in het kantoor van de administrateur, ging Princen naar buiten en trommelde de ondernemingswacht bij elkaar, voor exercitie, zoals hij beweerde. (...) Plotseling werd uit de richting Lampegan hevig schieten gehoord. Dit was de militaire patrouille, die daar op de hinderlaag was gestuit. Princen richtte zijn tommy-gun op de O.W.-ers, gaf bevel de wapens aan hem af te geven en vooral "geen grappen uit te halen', want dan zou het slecht met hen aflopen. Een van de O.W.-ers liet zich hierdoor niet intimideren, maar sprong op Princen af en drukte zijn tommy-gun opzij. Direct maakten de anderen van de gelegenheid gebruik om zich te verspreiden en dekking te zoeken. Princen vuurde en een der O.W.-ers werd zwaar gewond. Er ontstond een hevig gevecht (...) Een van de posten, waar een O.W.-er zich verdekt had opgesteld, nam van daaruit de bende van Princen onder vuur (...) Deze dappere schutter sneuvelde echter tijdens het vuurgevecht. Verder werd de schildwacht door de drie bij hem achtergebleven Indonesiërs vermoord. (...) De ondernemingswacht van Hardjasari bestond geheel uit Chinezen.''

Gevreesd

Poncke Princen had zich sinds zijn eerste actie op 28 maart 1949 in Pada-asih grote faam verworven onder de bevolking. Maar onder de Nederlanders had hij zich gevreesd gemaakt. Majoor Kemal Idris, commandant van het bataljon Kala Hitam, had hem commandant gemaakt van een eigen Pasukan Istimewa. Tientallen malen kwam deze afdeling in actie. Maar Hardjasari was de eerste overval waarbij aan Nederlandse kant doden waren gevallen; en ook de laatste, voorzover uit de Nederlandse militaire archieven valt na te gaan. De twee doden op de theeplantage Hardjasari behoorden tot de Chinese organisatie Po An Tui, die onder auspiciën van het koloniale bewind plantages en fabrieken bewaakte.

Poncke Princen: ""Ik ben die dag met zeven man van mijn peloton naar Hardjasari gegaan. Drie andere pelotons, net als wij van de compagnie-Saptadji, lagen er omheen om te verhinderen dat er mensen in of uit de onderneming zouden gaan en om onze aftocht te dekken. Ik ben daar het wachtlokaal binnengestapt en heb de ondernemingswachters verzocht zich te verzamelen bij het scheidingshek. Toen zij daar eenmaal stonden, vertelde ik dat ik van het TNI was en dat de onderneming door enkele compagnieën was omringd. En ik vroeg hen zich over te geven. Toen begon één van die Po-An-Tui-mensen een worsteling, waarbij drie van onze wapens in hun handen vielen. Wij openden meteen het vuur, terwijl we vanuit de wachttorens om de fabriek werden beschoten. Ik heb zelf niet kunnen constateren hoeveel doden er aan hun kant waren, maar het aantal van die krant kan wel juist zijn omdat er van heel dichtbij werd gevuurd.

""Behalve Hardjasari heb ik geen enkele overval gedaan waarbij doden of slachtoffers zijn gevallen, tenminste niet op ondernemingen. Wat er tijdens gevechten met Hollandse patrouilles is gebeurd, dat weet ik niet. Daarbij kunnen best doden zijn gevallen, dat weet je nooit in een oorlog. Hinderlagen hebben wij natuurlijk wel gelegd. Dat is een in de guerrilla gebruikelijke methode, die overigens ook door de Hollanders werd aangewend. Maar dat ik in een Nederlands uniform gekleed al liftend Nederlandse soldaten in de val zou hebben gelokt, dat is beslist niet waar.

""Bij de overval op Hardjasari droeg ik, zoals meestal, een korte broek. Mijn mannen waren gekleed in veldgroene uniformen. Natuurlijk probeerde ik wel de indruk te wekken dat ik een Nederlandse militair was. Maar zo uitzonderlijk was dat niet. Het KNIL maakte ook voornamelijk gebruik van Indonesiërs. Het was vaak onmogelijk te zeggen of soldaten van het KNIL of van het TNI waren, tot je er vlakbij was.''

Luitenant-generaal b.d. Kemal Idris, toen majoor en commandant van het bataljon Kala Hitam: ""Poncke had van mij de opdracht gekregen de veiligheidstroepen van ondernemingen te ontwapenen en ook politieposten te overvallen voor wapens. Dat kon hij makkelijker doen omdat hij Hollander was. Zijn peloton werd met Hollandse uniformen uitgerust. Maar dat zei niet zoveel. De uniformen van TNI en KNIL waren nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Als je de klep van de pet naar boven schuift, zie je de Nederlandse leeuw niet. Je kon die uniformen overal kopen op de pasar. Ik had er zelf ook één. Later, toen ik met de Hollanders ging praten in augustus 1949, toen had ik ook zo'n pakkie an. Maar meestal liep iedereen in een soort ratjetoe. Je kleedde je als het volk, met dit verschil dat wij een wapen hadden. Alleen als we de stad in gingen, lieten we ons wapen achter.''

Selectie

Onder de Nederlanders in West-Java bracht de Hardjasari-affaire grote opschudding teweeg. Omstreeks die tijd begonnen ook de geruchten te circuleren, dat Princen gekleed in Nederlands uniform langs de weg had staan liften en op die manier tientallen militairen van de Koninklijke Landmacht in hinderlagen had gelokt, waar zij vervolgens werden vermoord.

Princen heeft dat altijd ontkend en ooggetuigen hebben zich nooit publiekelijk gemeld. Maar ook in de archieven van de Centrale Militaire Inlichtingen Dienst (CMID) en van de Sectie Inlichtingen van het Territoriaal tevens Troepencommando West-Java van KNIL-KL te Bandung is geen enkele melding van een dergelijk voorval te vinden. En dat terwijl deze beide instellingen de verrichtingen van Princen toch maandenlang op de voet hebben gevolgd.

Een kleine selectie uit de dagrapporten van de Sectie Inlichtingen:

""25 april 1949. Deserteur Princen heeft in Baros, 5 km zzo van Sukabumi, de GBM (Gerakan Brani Mati) opgericht, waarmee o.a. een aanval op een politiepost werd uitgevoerd, waarbij hij 16 geweren buitmaakte.''

""Op 20 juni 1949. In de omgeving van Djambudipa, 10 km zzw van Tjiandjur, werden gemeld de Kapt. Saptadji, Cdt I-II-12 Siliwangi, en de deserteur Princen, met ca 100 man, bewapening 2:3.''

""30 mei 1949. De deserteur Princen werd 30 mei gesignaleerd op een vergadering van commandanten van de in West-Java geïnfiltreerde Siliwangi-eenheden.''

""9 juni 1949. Op 15 km nw van Tjibadak werd een auto van de onderneming Tjisalak in brand gestoken door een bende van 30 man, onder aanvoering van een Nederlander. Een tweede auto werd beschadigd. Vermoedelijk was dit een actie van Princen.''

""19 juni 1949. De trein van Sukabumi-Tjiandjur werd in de omgeving van Gandasoli, 8 km ozo van Sukabumi, bij de halte aangevallen. De commandant van de politiebewaking werd met zijn wapen ontvoerd, 2 man treinpersoneel werd zwaar gewond, en de hoofdconducteur met 3 man treinpersoneel werd ontvoerd. Dit is vermoedelijk weer een actie van de groep van Princen.''

""21 juni 1949. Princen werd met ca 60 man, volledig bewapend, gemeld in de omgeving van Tjibulakam, 4 km w van Tjiandjur; 25 man van deze groep trok verder in no richting; Princen zelf zou licht gewond zijn. In de avond van 20-6-49 zou Princen te Sukabumi een bioscoop bezocht hebben. Hij was gekleed in uniform en bewapend met een sten.''

"Klopt wel ongeveer'

Poncke Princen is verrast als hij met deze gegevens uit Nederlandse militaire bron wordt geconfronteerd.

""Nou, dat hebben ze goed bijgehouden, zeg! Voorzover ik kan nagaan na al die jaren, klopt het wel ongeveer, hoewel ik de data natuurlijk niet meer weet. Alleen die actie van die in brand gestoken auto op 9 juni was niet van mij. Dat was een actie van Martin Szegedi, die afkomstig was uit Bessarabië. Een verhaal op zich. En dat ik een Gerakan Berani Mati (Beweging van doodsverachters - WH) zou hebben opgericht, is niet waar, evenmin als dat verhaal van die bioscoop trouwens.

""Voor die actie in Baros had ik maar zeven jongens bij me. Eerst heb ik de telefoonlijnen naar die politiepost laten doorsnijden. Toen hebben we de nachtwaker opgevangen, die liep daar met een grote lamp rond. Achter hem ben ik vanuit het donker dat wachtlokaal binnengesprongen en ik heb meteen geroepen: "Angkat tangan!' (Handen omhoog!). Er waren daar maar twee agenten binnen, die heb ik toen mee naar buiten genomen. Die andere agenten hadden zich al ingegraven, die lagen in een soort loopgraafjes om de wachtpost heen. Dus ik heb toen geroepen: "Jongens je bent omsingeld door een paar honderd man TNI! Dus het is beter om je maar over te geven! Verzet is nutteloos, denk aan je vrouwen en kinderen!' Hahaha! Nou, die hebben zich toen allemaal overgegeven. Het waren een stuk of dertig man, allemaal Soendanezen, en hun commandant was een Indische jongen. En daar komen wij met ons zevenen te voorschijn. Een stuk of dertig wapens hebben we toen buitgemaakt, met onder meer een bren erbij en een tommy-gun. Pure bravoure was het, maar het werkte.

""Gandasoli herinner me ik ook nog goed. Ik ben die dag niet alleen met de Pasukan Istimewa gegaan, maar ook met twee andere pelotons van de compagnie-Saptadji, samen zo'n veertig man. Ze gingen aan beide zijden van de spoorlijn liggen, en ik stond op het perron met een paar jongens. Ik heb een briefje gegeven aan de stationchef, daar stond in: "Merdeka! Het station is omsingeld door het TNI. Verzoeke u zonder verzet over te geven.' Toen kwam die trein. Er ontstond paniek, doordat één van de bewakers van die trein afsprong en meteen neergeschoten werd. Iedereen rende de trein uit en ik probeerde de mensen zo snel mogelijk het station uit te krijgen door te roepen: "Tjepat! Keluar!' (Snel! Naar buiten!) Toen ging die trein weer rijden en mijn jongen schoten erop. Ik dacht dat er één dode was, maar uit dat rapport blijkt dat dat kennelijk niet zo was. Die vier man treinpersoneel hebben we gevoegd bij de tientallen gevangenen die we al hadden in een kamp bij Pasarbedil. Later zijn ze allemaal weer vrijgelaten, op één man na die aan de malaria was bezweken.''

"Zeer waardevol'

De acties van Princen begonnen de legerleiding fikse zorgen te baren. Uit het Wekelijks Militair Inlichtings Rapport (WMIR) van de Sectie Inlichtingen van het Territoriaal tevens Troepencommando West-Java van 27 juli 1949:

""De I Cie II Bat. 12 Brig. Siliwangi, commandant kpt Saptadji, heeft dankzij de stunts van de deserteur Princen momenteel een grote hoeveelheid wapens in reserve, welke op een niet nader bekende plaats opgeslagen zijn. De groep van Princen heeft een bewapening van bijna 2:1.''

Brigade-generaal b.d. Saptadji Hadiprawira, nu zakenman in Jakarta: ""Mijn compagnie was een onderdeel van het Kala Hitam bataljon en bestond uit elf pelotons, samen 600 man. Aanvankelijk beschikten we maar over 300 wapens; die hadden we gekregen doordat de ondernemingswacht van de onderneming Gedeh bij Patjet naar ons was overgelopen. Later heeft Princen erg veel wapens voor ons veroverd, dat was zijn opdracht en die heeft hij goed uitgevoerd.''

Luitenant-generaal b.d. Kemal Idris, in 1949 commandant van het Kala Hitam bataljon: ""Princen heeft zich van zijn taak goed gekweten. Hij was zeer waardevol voor ons. Daarom heb ik hem al voor de soevereiniteitsoverdracht voorgedragen voor een Bintang Gerilya (de hoogste Indonesische verzetsonderscheidng - WH). En die heeft hij gekregen.''

Zo tevreden als zijn Indonesische superieuren over hem waren, zo laaiend was inmiddels de Nederlandse legerleiding op Poncke Princen geworden. Op 20 juli 1949 schreef de territoriaal commandant voor West-Java, generaal-majoor E. Engles, een brief met als onderwerp "Politieke situatie Soekaboemi' aan de legercommandant, luitenant-generaal D.C. Buurman van Vreeden.

""Hoe langer hoe meer bereiken mij berichten, dat door de gevolgde regeringspolitiek en vooral door het herstel van de Republiek de Indonesische bestuursambtenaren, de politie en de Ondernemingswachten meer en meer de neiging vertonen, met de rondzwervende T.N.I. onderdelen gemene zaak te drijven. Nog neem ik aan, dat zulks vnl. onder dwang gebeurt. (...) Door de Regent van Soekaboemi wordt gezorgd, dat de officieren van de Siliwangi-divisie vanaf de rang van kapitein en hoger onderdak krijgen. (...) Commissaris van Politie Soebada staat geregeld in contact met Maj. Kosasih en Prinsen, die hem ook thuis opzoeken. (...) Het is zelfs zo sterk, dat Prinsen geregeld naar de bioscoop gaat en daarbij wordt geholpen door de C.P. Ook de politie voorziet Prinsen van de nodige munitie (...) Uiteraard zijn dzz. maatregelen genomen, om deze situatie met succes het hoofd te bieden. Voor alles zal worden getracht de gedeserteerde korporaal (sic! - WH) Prinsen te elimineren.''

Rond van vorm

Op het hoogste niveau werd nu absolute voorrang gegeven aan het vinden van het markas (hoofdkwartier) van de Pasukan Istimewa ergens ten zuiden van Sukabumi. Poncke Princen leverde zelf onbedoeld een bijdrage aan dat speurwerk toen hij op 20 juli 1949 de assistent-wedana (een regionaal bestuursambtenaar) van Takokak ontvoerde, hem meenam naar zijn markas, hem vervolgens een eindweegs verder bracht en hem daarna vrijliet. De man gaf (al dan niet onder dwang) de Nederlandse militairen een tamelijk goed beeld van de plaats waar Princen en zijn jongens zich doorgaans schuil hielden.

Uit een rapport van het Bureau Inlichtingen van de Generale Staf KNIL-KL te Bandung van 28 juli 1949: ""Het markas lag in een middelmatig groot dal, rond van vorm. Het werd gevormd door meerdere gebouwen, groter dan kamponghuizen. De huizen waren gebouwd van planken en gedekt met pannen. Zij wekten de indruk nieuw te zijn. De gebouwen lagen onregelmatig verspreid en niet in een kampong. Alle gebouwen waren dus in gebruik als markas. Aan de buitenkant van de groep gebouwen bevond zich een groot exercitieveld (ongeveer de grote van een voetbalveld). Het geheel was omgeven door hoge bomen. (...) Naar beschrijving van de Assistent Wedana moet het markas zich bevinden in één der kvtn. 2019 QX, 2018 QX of 2118 QX.''

De schuilplaats van Poncke Princen was nu bij benadering vastgesteld, en de staf van generaal Engles begon te werken aan een actieplan om hem te "elimineren'. Daar was haast bij, want in de nacht van 10 op 11 augustus om 12 uur precies zou de wapenstilstand ingaan, die zou leiden tot de Ronde-Tafel-Conferentie en uiteindelijk de soevereiniteitsoverdracht.

Op 4 augustus 1949 gaf de generale staf KNIL-KL te Bandung het bevel voor de "Actie Finale'. Uit het actiebevel: ""In het grensgebied van de regentschappen Soekaboemi en Tjiandjoer tussen de Hor. 32 en 15, alsmede op de Z-helling van de Gedeh houden zich sterke vijandelijke concentraties op, waarbij volgens zeer recente gegevens de deserteur Princen zich bevindt. (...) Hoofdopdracht: Het buiten gevecht stellen van de deserteur Princen. Nevenopdracht: Het buiten gevecht stellen van vijandelijke troepen in genoemd gebied. (...)

""Met ingang van 6 augustus 1949 om 1600 uur wordt alle patrouillegang stopgezet in een vak begrensd door: Tjisaat vt 0619 - kunstweg in N.O. richting tot vert. 10 - hor. 26 - Reg. grens - in Z.O. richting langs Reg. grens tot Gekbrong - kunstweg Gekbron - Soekaboemi - Tjisaat. (...) De troepen, die vanaf bovengenoemd tijdstip in dit vak opereren zijn van Indonesische landaard en gekleed in groene uniform met Amerikaanse helm. (...) Hier mag niet op worden gevuurd.''

Compagnie Eric

Die troepen bestonden uit drie afdelingen, die elk een deel van het actiegebied toegewezen kregen. Eén ervan was de "compagnie Eric' onder leiding van luitenant Henk Ulrici, die zijn bijnaam Eric had verworven in het verzet tegen de Duitsers. Ulrici, nu gepensioneerd zakenman in Spanje: ""Ik ben bij generaal Engles op kantoor geweest en die zei: "Eric', zo noemde hij mij altijd, "Eric, je hebt vier dagen de tijd. We willen dat je hem te pakken neemt, dood of levend'.

""In mijn groep zaten Ambonezen, Javanen, Menadonezen en Papoea's. We droegen zwarte overalls, omdat we veel in het donker opereerden, en rode halsdoeken als herkenning, zodat mijn mensen niet op elkaar zouden schieten. Wij namen nooit de bestaande paden, alles ging op kompas en wij hakten ons meestal een weg door de rimboe, om ontdekking tegen te gaan. Wij wisten waar hij zat, een dorpje midden in de bush-bush. Vier dagen zijn we op pad geweest en toen kwamen we bij die desa Tjilutung-Gerang. Het was één dag voor de wapenstilstand.

""We legden er een halve cirkel omheen en toen zagen we ze daar op het appèl staan. We lagen daar zo'n metertje of veertig van af. Het was 's ochtends vroeg en ze hadden er geen notie van dat wij daar lagen, want ze hadden geen wachtposten uitstaan. Dat was wel raar, heel stom. Naast die appèlplaats stond een bamboe hut. Toen heb ik tegen mijn oppasser gezegd: "Jij en ik nemen die hut', en tegen de jongens: "Jullie nemen de rest'. Ik vermoedde namelijk dat Princen in die hut was.''

Poncke Princen, in Jakarta: ""Het was de ochtend van 9 augustus 1949, die dag zal ik nooit vergeten. We lagen daar met drie pelotons, samen zestig man. Omdat mijn jongens erg moe waren, had ik één van de andere pelotonscommandanten gevraagd om de bewaking over te nemen. Mijn jongens sliepen daar gewoon buiten op de grond, en ik sliep in die hut samen met mijn vrouw. Ik was net een maand daarvoor getrouwd met een Soendanees meisje, Odah heette ze. Die ochtend werd ik zoals gewoonlijk erg vroeg wakker en ik keek of mijn vrouw naast me lag. Op dat moment zag ik haar niet. Misschien was ze kleren gaan wassen of eten koken.

""Aan de voorkant van die hut was een kleine veranda. Daar ging ik naar toe om te roepen: "Opstaan! Wekki wekki!' Want ze lagen daar nog te slapen, althans de jongens van mijn peloton. Op dat moment werd het vuur geopend en viel de eerste aanvals-handgranaat.''

Henk Ulrici, in Den Haag: ""Ik heb een handgranaat gegooid om verwarring te zaaien en toen zijn we naar voren gestormd. Ik trapte die deur open en kreeg meteen een riedel over me heen. Ik schoot meteen terug. En toen zat daar die jonge vrouw met die tommy-gun op haar schoot. Ik had alleen een schampschot, maar zij was zo dood als een pier.

""Kijk, ik vond het natuurlijk niet leuk dat ik een vrouw had doodgeschoten. Anders zou ik wel een hele slechte vent geweest zijn. Princen was zelf niet in die hut. Hij had die nacht op de berghelling geslapen. Mijn mensen zijn nog achter hem aan geweest, maar ze hebben hem niet te pakken gekregen. Hij is wel gewond geraakt bij die actie van ons.''

Poncke Princen: ""Toen er geschoten werd, rende ik meteen het huis weer in. De kogels vlogen me om de oren, dwars door het bamboe heen. Ik wring mij door het raam aan de achterkant, val op de grond, ga op handen en voeten naar mijn jongens en schreeuw tegen ze: "Ikut saja! Mundur, mundur!' (Volg mij! Terugtrekken!)

""We zijn toen die helling opgegaan en ik heb nog een omtrekkende beweging gemaakt naar de grote weg om ze af te snijden, maar dat is niet gelukt. Later zijn we teruggegaan naar het markas, en daar vond ik het lijk van mijn vrouw. Het was onbeschrijflijk hoe ze eruit zag. Bovendien hadden we twaalf van onze jongens verloren. Ik heb drie dagen gehuild.''

Mensenrechten

Een dag na de aanval op Tjilutung-Gerang was de oorlog afgelopen. Tot aan de soevereiniteitsoverdracht hield Poncke Princen zich schuil ten zuiden van Tjiandjur. Toen keerde hij terug naar Jakarta, als staatsburger van het onafhankelijke Indonesië. Maar hij was geen gezeglijk staatsburger. Als parlementslid, journalist, sociaal advocaat en mensenrechten-activist bleef hij zich verzetten tegen wat hij zag als onrecht en machtsmisbruik van de overheid. Zowel Soekarno als Soeharto liet hem daarom herhaaldelijk opsluiten, altijd zonder aanklacht en zonder veroordeling. In de loop der jaren zat hij meer dan tien jaar in Duitse, Nederlandse en Indonesische gevangenissen.

Tegenwoordig is Poncke Princen directeur van het Instituut voor de Verdediging van de mensenrechten (LPHAM), een internationaal bekende instelling. Het LPHAM onderzoekt de verdwijningen, martelingen, standrechtelijke executies ("geheimzinnige moorden') en wederrechtelijke arrestaties die nog steeds op grote schaal in Indonesië voorkomen. Het stelt daarover vragen aan regering en legerleiding in Jakarta en brengt rapport uit aan instellingen als Amnesty International en Asia Watch.

Dank zij de gezamenlijke inspanningen van LPHAM en minister Jan Pronk is verleden jaar op het nippertje de executie verhinderd van zes politieke gevangenen, die al een kwart eeuw in de gevangenis Tjipinang zitten te wachten op de uitvoering van hun - dubieuze - doodvonnissen. Het LPHAM volgt de gebeurtenissen in Irian Jaya, Oost-Timor en Atjeh op de voet en is de enige Indonesische instelling die met regelmaat de buitenwereld op de hoogte houdt van de excessen die zich voordoen bij de bestrijding van de gewapende opstanden in die gebieden.

In mensenrechten-kringen over de gehele wereld is Poncke Princen een befaamd en gerespecteerd man. Behalve in Nederland, waar hij nog steeds het doelwit is van perscampagnes en veteranen-acties, op grond van nooit bewezen beschuldigingen.

Poncke Princen is nu 65 jaar. Twee beroertes hebben hem halfzijdig verlamd; suikerziekte, een nierkwaal en een leveraandoening hebben zijn weerstandsvermogen ondermijnd. Maar hij werkt nog steeds zes dagen per week met alle energie die in hem is overgebleven voor de zaak van recht en vrijheid. Vijf jaar geleden zei hij: ""In het leven doen zich conflicten voor, omdat je trouw wilt blijven aan bepaalde waarden die je van huis hebt meegekregen. En als het tot een conflict komt, dan moet je partij kiezen. In het Nederlands-Indonesische conflict heb ik dat gedaan en in het huidige Indonesië doe ik dat nog steeds. Ik blijf van mening dat ik een aantal waarden heb verdedigd die typisch Nederlands zijn: eerlijkheid, vrijheidsliefde en respect voor de mening van een ander. Daar zal ik altijd voor blijven vechten.''

Voor deze artikelenreeks is gebruik gemaakt van documenten uit het Centraal Archieven Depot van het ministerie van defensie, het APA-ST archief van het ministerie van buitenlandse zaken en het archief van de Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf. Gesprekken werden gevoerd met Husein Bakhtiar, brig.gen. b.d. G.H. Christan, lt.-gen. b.d. Kemal Idris, Kees Princen, Poncke Princen, Yusuf Juarsa, gen. b.d. dr. A.H. Nasution, brig.gen. b.d. Saptadji Hadiprawira, kol. b.d. J. Sjoerds, J.H.C. Ulrici.