DE BESCHAVENDE KRACHT VAN HET HELLENISME

Alexander to Actium. The Hellenistic Age door Peter Green 970 blz., geïll., Thames and Hudson 1990, f 135,70 ISBN 0 50 00 148 5X (de Amerikaanse editie verscheen bij Un. of Calif. Press, f 106,- ISBN 0 520 056 11 6) Hellenism in Late Antiquity door G. W. Bowersock 109 blz., geïll., Cambridge University Press 1990 (Thomas Spencer Jerome Lectures), f 76,25 ISBN 0 521 39276 4

Er was eens een land waarin de oudhistorici zich nog concentreerden op de zogenaamde "great periods', de mooie overzichtelijke tijdvakken die de antieke tijd zo lang het karakter van een voltooide legpuzzel gaven.

Een van die perioden was uiteraard de klassieke vijfde eeuw, met zijn democratie in Athene, met de tragedies, de komedies, de geschiedschrijving en het Parthenon. Na 400 v. Chr. begonnen evenwel, zo was het beeld van de "grote perioden-historici', in steeds sneller tempo het verval en de verloedering. Alexander de Grote en zijn opvolgers mochten dan de Griekse beschaving uitgedragen hebben over Klein-Azië en de Levant maar veel uit te dragen hadden ze eigenlijk niet. De Hellenistische Tijd was, in de traditionele optiek, echt een uitdragerij.

Ik dacht dat zulke classicistische visies op de Griekse geschiedenis aardig passé waren en dat de oude of klassieke geschiedenis langzamerhand meer geschiedenis dan oud of klassiek was geworden. Daarin heb ik me echter deerlijk vergist. Peter Green (jaargang 1924), opgevoed in Cambridge en vanaf 1971 hoogleraar Oude Geschiedenis in Austin Texas, heeft onlangs een waarlijk monumentaal boek geschreven over het Hellenisme maar de zuurdesem, waarvan het doortrokken is, bevalt mij niet erg.

De centrale idee van Greens Alexander to Actium is dat eigenlijk al vanaf 400 maar in ieder geval vanaf 300 v. Chr. de zalige politieke cultuur van de autonome Griekse steden voorbij was. Er volgde volgens hem een periode van politieke desinteresse, van individualisten in veel te grote Hellenistische steden, die vluchtten in huwelijk-cum-seks, vertier, haute cuisine, hebzucht en rijkdom. De bijbehorende filosofie was die van de rust, van het leven zonder stress, van de romantiek van het in de Hellenistische bucoliek beschreven herderslandschap. In de grote stad was het immers maar niks gedaan. Hellenistische heersers waren nu eenmaal de baas, en het gevolg was allerwege een fnuikende politieke impotentie.

CULTUURPOLITIEK

Greens concept van het Hellenisme is in één opzicht zeer gezond. Hij gelooft niet in enige vorm van bewuste cultuurpolitiek, noch bij de Hellenistische koningen noch bij de inwoners van de talrijke Griekse steden die tussen 323 en 31 v. Chr. in Klein-Azië en de Levant gesticht zijn. Alexander zelf mag dan nog gedacht hebben in termen van fusie tussen Grieken en Perzen, na zijn dood hebben eerst zijn ruziënde generaals, daarna de koningen van Macedonië, Syrië, Egypte en Pergamon die idee als een baksteen laten vallen.

De cultuur aan de vorstelijke hoven en in de steden was en bleef Grieks en de dragers ervan vonden dat de gewoonste zaak van de wereld. De inheemsen mochten inheems blijven, als ze dat wilden en mits ze maar belasting betaalden. Ze mochten zich ook assimileren aan de Griekse cultuur. Dit was allemaal zoals de vierde-eeuwse Griekse politieke pamflettist Isocrates het had geschetst. Hij had immers al bedacht dat de superieur geachte Griekse "way of life' door opvoeding eenvoudigweg overgenomen kon worden. Als er ooit een zelfbewust, om niet te zeggen arrogant volkje geweest is, dan zijn het de oude Grieken wel geweest, al blijft het aardig van ze dat ze in principe bereid waren vergriekste inboorlingen in hun midden op te nemen.

Eén ding kan men de Grieken niet verwijten: ze ontwierpen geen cultuurpolitiek, gericht op min of meer systematische vergrieksing van de inheemsen. Wat goed is en de macht heeft, vindt vanzelf aanhangers onder degenen die minder zijn en geen macht heben, zo was hun opvatting. De "apartheid' kon dus opgeheven worden door de verworpenen zelf.

Een fraai voorbeeld van dat Grieks zelfbewustzijn levert een ongeveer vijfentwintig jaar geleden gevonden Griekse inscriptie uit Noord-Afghanistan. Franse opgravers vonden er de resten van een Griekse stad, ongetwijfeld een kolonie van veteranen van Alexander en van een van zijn opvolgers. De stad beschikte over een gymnasium - het bolwerk bij uitstek van de Griekse cultuur - en een grafkapel waarin naar goed Grieks gebruik de leider van de kolonisten was bijgezet. In die kapel vonden de opgravers een inscriptie die ons vertelt dat een zekere Klearchos - waarschijnlijk een leerling van Aristoteles - helemaal naar Delphi was afgereisd om daar de beroemde collectie spreuken te kopiëren. Vervolgens had hij die in een marmeren zuil in de kapel laten graveren.

Het Delphische "evangelie' staat zo'n beetje voor de Griekse cultuur als geheel, en de kolonisten wilden de proto-Afghanen even goed inpeperen dat hun Apollo verre te verkiezen was boven Boeddha of Asoka. Naar bekend komt hoogmoed voor de val, soms althans. Toen de Griekse koningen van Syrië - de Seleukiden - de grip op dit buitengewest verloren, is er van lieverlee een symbiose opgetreden tussen Grieken en inheemsen.

VERZET

De vraag is uiteraard hoe diep de Griekse Hellenistische cultuur is doorgedrongen in de maatschappij van de veroverden en wat die cultuur eigenlijk voorstelde. Green minimaliseert de intensiteit ervan en geeft vooral hoog op van verzet tegen de vergrieksing. Het is nuttig om in ons post-koloniale tijdperk eraan herinnerd te worden dat de onderworpenen niet allemaal stonden te kraaien van plezier over de kwaliteit van de cultuur van de veroveraars. Vooral in de Levant was, althans in de eerste eeuwen, sprake van een vrij dunne Hellenisering en van vormen van protest. Green onderschat echter enigszins de vergrieksing als sluipend proces. Het is een beetje flauw van hem om het latere succes van Rome verantwoordelijk te maken voor de vergrieksing. Zijn idee dat, als de Hellenistische monarchieën niet omvergekegeld waren door Rome, de Hellenisering oppervlakkig gebleven zou zijn, is onbewijsbaar en berust in feite op de onhoudbare gedachte dat wat klein begonnen is altijd klein blijft, omdat iedereen vindt dat het niet deugt en daarom klein moet blijven.

De bijdrage van Rome is in werkelijkheid alleen geweest dat een onder de Hellenistische koningin al op gang gekomen proces gewoon door kon gaan. Wie nu in Turkije reist, niet alleen langs de kust maar ook en vooral in het binnenland, wordt overweldigd door de onvoorstelbare massa Griekse ruïnes, munten, inscripties en kunstvoorwerpen. Het is onweerlegbaar dat in deze streken de lokale talen - het Carisch en Phrygisch - langzaam maar zeker verdwenen en plaats maakten voor Grieks. Wat de plattelanders ook van de stedelingen gedacht mogen hebben, ze zijn in ieder geval in toenemende mate de taal van die stedeling gaan gebruiken. In de Levant werden tot in de keizertijd bilingue inscripties geproduceerd, in Klein-Azië verdwenen de lokale talen geheel ten faveure van het Grieks.

Het eindpunt van deze ontwikkeling wordt overigens door de bekende Amerikaanse oudhistoricus Glen Bowersock op fijnzinnige wijze geschetst in zijn boekje over de Late Oudheid, Hellenism in Late Antiquity. Terecht wijst hij erop dat voor die tijd Hellenisering in de zin van het overnemen van Griekse cultuur door niet-Grieken een onbruikbaar concept was. De Griekse taal was zo algemeen verbreid dat ze ook het vehikel werd voor allerlei lokale, inheemse, in wezen niet-Griekse culten en daarmee hun actieradius versterkte en vergrootte. De christenen noemden de heidenen, of ze nu Zeus vereerden dan wel een lokale Arabische drie-eenheid, dan ook kortweg "Grieken'.

Hellenisme was geen culturele bedreiging meer voor niet-Griekse, inheemse culten maar werd de verpakking ervan. En dan niet het soort verpakking dat je achteloos weggooit; integendeel, de verpakking vergrootte de attractiviteit van het verpakte. Die Arabische drieëenheid werd veel bedreigender voor de christenen juist door de verpakking in een machtig medium als het Grieks.

Volgens Bowersock zou het Hellenisme niet alleen de gevechtskracht van allerlei inheemse lokale culten vergroot, maar ook de eigen Griekse religie in de Late Oudheid geïnjecteerd hebben met elementen die verdacht veel leken op christelijke, dat wil zeggen in oorsprong niet-Griekse, voorstellingen die in ieder geval de competitieve kracht van het heidendom moesten vergroten.

AARTSHEIDEN

Op zichzelf is dit een niet onaantrekkelijke gedachte. Was het tenslotte niet de aartsheiden keizer Julianus "de Afvallige' geweest, die heidense priesters opgeroepen had om de door christelijke geestelijken georganiseerde caritas in hun tempels te gaan naäpen? Maar Bowersocks inlevingsvermogen slaat toch een beetje op hol als hij in een prachtig laat-Romeins Dionysos-mozaïek uit het Cypriotische Paphos christelijke invloed vermoedt.

In werkelijkheid heeft de mozaïek-ontwerper een fors blik Griekse mythologie opengetrokken, met een grote variëteit aan vertrouwde Griekse goden en met een paar leuke innovaties. Zo wordt een lustige dame gepresenteerd als personificatie van "Zwerftocht' - zeer passend in een mozaïek voor Dionysos die in zijn jeugd heel wat afzwierf, tot in India toe. Bowersock vertaalt het woord echter met "dwaling' en suggereert een bewust gezochte parallel met het christelijke zondebegrip. Dit gaat mij te ver. Het mozaïek straalt zo ongeveer alles uit behalve het voor paganistische toeschouwers nogal tobberige begrip schuld. Hoe dit ook zij, duidelijk wordt in ieder geval dat Bowersocks wereld van het Hellenisme een intensiteit van Griekse penetratie vooronderstelt, die op gespannen voet staat met Greens minimalisme.

Was de kwantiteit van de Hellenisering volgens Green al beneden peil, over de kwaliteit is hij nog minder te spreken. Dat heeft alles te maken met de zeer dominante positie die hij aan Alexanders opvolgers toedicht en de al even dominante hekel die hij jegens die heren koestert. Het waren volgens hem autocraten die de politieke vrijheid knevelden, opgingen in "conspicuous consumption' en hielenlikkers om zich heen verzamelden. Green beschrijft uitvoerig en voortreffelijk hoe tussen 323 en 31 v. Chr. eerst allerlei generaals van Alexander over elkaar heen buitelden in hartstochtelijke pogingen hetzij de hele koek van Alexanders rijk hetzij een flink stuk ervan voor zich te reserveren.

De talloze schermutselingen tussen de grote Hellenistische dynastieën onderling en tussen deze en Rome komen al even uitgebreid aan de orde in Alexander to Actium. Maar Green biedt veel meer dan de geschiedenis van een reeks gebeurtenissen. Hij schenkt ons eigenlijk een soort cultuursociologie van de Hellenistische wereld. Beeldende kunst, literatuurgenres, wetenschappen en filosofische stelsels worden uitvoerig en met een zekere brille behandeld, niet om zichzelfs wil maar als weerspiegeling van de toenmalige maatschappij en vooral van de afsterving van de democratische politieke cultuur van het klassieke Griekenland. Vroeger spraken Duitse geleerden met classicistisch pathos wel van het "Ende der griechischen Gemeindefreiheit'. De Angelsaksische wereld heeft met Green een aardige opvolger in die traditie gekregen.

Wat minder geëngageerde en meer afstandelijke historici zullen vooralsnog liever in termen van verandering dan van verslechtering spreken. Het is waar dat Hellenistische monarchen de soevereiniteit van de steden op het gebied van de buitenlandse politiek inperkten maar ze hieven die niet op. Er bleef nog heel wat manoeuvreerruimte over in het politieke krachtenveld. Evenmin is het juist voor de Hellenistische Tijd uit te gaan van de idee dat, als de buitenlandse politiek van de steden teloor gaat of althans afkalft, de stadse politiek impotent en futloos wordt, iedereen er zich van afkeert en zich om zijn eigen ziel en geluk gaat be-kommeren. Ik vraag me af wat mediaevisten en historici van het ancien-régime aanmoeten met de idee dat steden, opgenomen in monarchale verbanden, een soort politieke kerkhoven worden, bevolkt door drommen ego-trippers. In comparatief perspectief is deze opvatting zinloos, feitelijk is ze, voor wat betreft de antieke wereld, onjuist.

In werkelijkheid rijst uit de duizenden decreten en ere-inscripties die met name door de befaamde Franse historicus en epigraaf Louis Robert de afgelopen vijftig jaren tot spreken zijn gebracht een vrij gedetailleerd beeld op van een complexe interne politieke cultuur in de Hellenistisch-Romeinse steden. Het gaat hier niet om een flinterdunne façade, waarachter politieke onmacht en frustratie schuilgingen, maar om een grote, dikke muur waarachter politieke geïnvolveerdheid met de interne stadspolitiek vrij baan kreeg.

De geschiedenis van de stedelijke oligarchieën in de Hellenistische Tijd, is er een van toenemende concentratie in vroedschapachtige stadsraden die de controle over de voornaamste magistraturen uitoefenden. Hier was geen sprake van ongemanierde, plutocratische, door hun eigen "ik' geobsedeerde ego-trippers doch van weliswaar niet bijster sympathieke maar wel op hun afstamming, opvoeding en vaderlandsliefde prat gaande "vroede vaderen'. De Hellenistische bourgeoisieën waren geenszins een soort uitvergroting van brallerige en poenige Hellenistische huursoldaten, zoals Plautus ze in zijn Miles Gloriosus op de planken van het Romeinse toneel neerzette. De oorsprong van talloze Griekse steden in het Oosten mag dan terug te voeren zijn op de vestiging van Hellenistische veteranen, de gymnasia met hun dubbelfunctie van cultuur- en sportbevordering misten hun beschavende uitwerking niet.

Green wijdt een paar fraaie hoofdstukken aan de Hellenistische geneeskunst en natuurwetenschappen. Deze terreinen hebben zeker geen grote doorbraken te zien gegeven. Maar Green vergeet erbij te zeggen dat de Atheense democratie - zijn lieveling - nu ook niet bepaald de boeken is ingegaan als promotor van technologie en geneeskunst. In feite zijn er in de Hellenistische tijd meer ontdekkingen gedaan (tandwiel, watermolen, katrollen, glasblazen, landmetersapparatuur en katapulten) dan in het klassieke Athene. Een verwijzing naar Aeschylus' Prometheus, waarin een aantal wetenschappen en elementaire technieken als evenzovele goddelijke giften worden bezongen, is uiteraard niet voldoende om Athene tot een techniek-vriendelijke republiek om te vormen. Interesse in natuurwetenschappelijke toepassingen was in de hele oudheid zwak ontwikkeld. Bij dat alles valt te bedenken dat preïndustrieel Europa nog lang na de oudheid geteisterd werd door een kloof tussen natuurwetenschap en praktische, economisch-bruikbare toepassing.

Ten slotte: met Green moeten we vaststellen dat er in de Hellenistische wereld inderdaad een paar knap ego-tripperige filosofieën opbloeiden: Epicurus in zijn tuin, met een evidente aversie tegen politiek in en buiten de stad, alsmede Diogenes in zijn ton, die überhaupt lak had aan welke vorm van burgerlijke maatschappij ook, zijn niet weg te moffelen. Het probeem is echter dat Green ze enerzijds als bewijs aanvoert voor de voosheid van de stadscultuur van het Hellenisme, maar anderzijds opmerkt dat het om hele kleine minderheden ging.

Dat laatste punt is mijns inziens primair. Zelfs op het hoogtepunt van de Atheense democratie waren er fijne luiden, klein in aantal, die de volksvergaderingscultuur haatten en quiëtisme predikten. Niettemin bloeide de democratie. Met Epicurus was het net zo: hij weerspiegelt geen wijdverspreide, politieke apathie, maar is zelf apathisch en vocht tegen de bierkaai.