Boudewijn de Groot lucide Tsjechov

Voorstelling: Tsjechov, musical van Dimitri Frenkel Frank en Robert Long. Spelers: Boudewijn de Groot, Jan Elbertse, Johan Ooms, Ryan van den Akker, Ine Kuhr, Lenette van Dongen, e.a. Decor: Jos Groenier. Licht: Henk van der Geest. Muziek o.l.v. Alan Evans. Regie: Eddy Habbema. Gezien: 27-9 in de Stadsschouwburg, Amsterdam. Aldaar t-m 29-9, daarna elders.

Tsjechov als musical? Ja, waarom niet? De vorm leent zich in principe voor ieder onderwerp. Maar misschien wekt het woord musical in dit geval de verkeerde associaties op: Tsjechov, ruim drie jaar geleden geschreven door Dimitri Frenkel Frank en Robert Long en nu pas in produktie, laat zich beter omschrijven als een muzikaal soort Kammerspiel met niet meer dan tien spelers, vijf muzikanten en een karig toneelbeeld. Er zijn alleen een paar gemarmerde blokken, waarin het licht alle accenten aangeeft. Geen groot uitgespeelde emoties, geen wervelende dans, geen glitter of glycerinetranen.

Dimitri Frenkel Frank had, toen hij Robert Long in zijn plan meesleepte, één welomschreven uitgangspunt: Tsjechov was een satiricus, later misschien zelfs een cynicus, die komedies schreef over de menselijke tekortkomingen waarvan Stanislavski tegen de zin van de schrijver tragedies maakte. Hij nam in zijn werk geen politieke standpunten in (“een standpunt is iets anders dan talent”) en wordt in de voorstelling een paar keer lijnrecht tegenover de revolutionaire Gorki geplaatst. “Maar ik heb gelijk!” zegt Gorki. “Mensen die gelijk hebben, gaan slecht schrijven,” antwoordt Tsjechov.

Geen recht-toe-recht-aan-plot, eigenlijk een vlinderlichte beschouwing over het schrijverschap, verwoord in veel gave liedjes vol heldere beelden en ultrakorte dialogen die niet veel meer zijn dan parlando-intermezzi in de zang. De toonzetting is ironisch-melancholiek, de enscenering van Eddy Habbema bijna cerebraal, in gracieus gestileerde tableaux vivants. Ik vind dat zijn greep niet op alle scènes en alle rollen even krachtig is, maar het idee klopt: hier passen geen brede gebaren of psychologisch doorleefde stiltes.

De grote vondst van de voorstelling is ongetwijfeld Boudewijn de Groot in de titelrol. In het ensemble - voornamelijk samengesteld uit bewezen musical-talent als Johan Ooms, Ryan van den Akker, Ine Kuhr en Lenette van Dongen - is hij de buitenstaander, de observator, de man die met distantie en distinctie het gedoe om hem heen beziet en pas op latere leeftijd emotioneel bij iemand betrokken raakt. De Groot speelt die rol met precies het goede understatement en met grote zuiverheid. Dialogen en liedjes worden, door zijn lucide timbre en verfijnde dictie, de eenheid die ze moeten zijn. Een geroutineerd acteur zou misschien een gekweld kunstenaar van hem maken, maar deze man in zijn scherp gesneden kostuums is niet het type voor zo'n cliché-bohémien. Hij wandelt met innemende rust door de aan hem gewijde musical, die wat mij betreft een kleinood is tussen de doorgaans veel luidruchtiger voorbeelden van het genre.