Vreemd Nederlands en een Nederlander in den vreemde

“Wat is de oorzaak dat Nederlanders zo raar gaan praten als ze in het openbaar het woord mogen voeren, of als ze iets moeten opschrijven dat gepubliceerd zal worden?” Zelfs Huizinga beging opzettelijk taalkundige zonden. Hij schreef als in plaats van toen en wijdluftig in plaats van weids.

Silvia W. de Groot, Joost van Vollenhoven, portret van een Frans koloniaal ambtenaar. Uitg. Historisch Seminarium van de Universiteit van Amsterdam. (aldaar verkrijgbaar, Spuistraat 134) 93 blz. Prijs ƒ 25,-.

See also

De ambtenaar die zich volgens eigen zeggen onledig houdt met het verzinnen van smoezen om het archief van de Rijksuniversiteit te Groningen gesloten te houden, stuurde mij een verjaarscadeautje. Dit is niet meer dan rechtvaardig. Ik ben immers de man aan wie hij zijn positie dankt.

Het was een hoofdzakelijk door neerlandici geschreven boek waarin universitair leed van allerlei aard aan de orde werd gesteld, maar hier gaat het nu niet om. Onder meer bevat het een bibliografie van Nederlandse universiteitsromans. En wat kun je daarin aantreffen? Zinsneden als:

"Klikspaan: see also Kneppelhout, Johannes.'

En:

"Naeff, J.P.: see also Vaan, Paul de.'

See also... Zelfs deze woorden, betekenend zie ook, kan de hedendaagse neerlandicus niet meer in het Nederlands vertalen en zijn professor vergeeft hem dat lankmoedig. Daar ben ik het niet mee eens.

Ik zal daarom maar verzwijgen hoe dit boek heet, wie het heeft samengesteld en waar het is uitgegeven. Er worden al meer dan genoeg Nederlandse teksten vervaardigd die met Engels zijn besmet en de jeugd mag niet aangemoedigd worden zulk gebrabbel te lezen.

Hij "coopt'

Ander geval. Onbegrijpelijk zo'n professor.

Kok heette hij.

De krant onderwierp hem aan een vraaggesprek en hij had het over "copen'. De krant plaatste dit woord "copen' tussen aanhalingstekens, want Nederlands is het niet. Het is Engels en in die taal betekent het (het: te weten "to cope') opgewassen zijn tegen, standhouden tegen, klaarkomen met, en zo voort.

Is professor Kok nu al niet meer opgewassen tegen de aandrang van het Engels, kan zijn kennis van het Nederlands daartegen geen stand houden? Of zei hij maar wat om hoge ogen te gooien in het oog van de anglomaniakale minister Ritzen?

We zullen er nooit achter komen, vrees ik, maar dit is ook niet nodig, wanneer we bedenken dat de neiging de Nederlandse taal te verpesten dateert van al meer dan een eeuw eer Ritzen het levenslicht zag.

Ik noem maar een paar geijkte voorbeelden van onleesbaarheid: de opgeblazen Bilderdijk, de moeilijke Potgieter. En dan de Tachtigers natuurlijk die dachten dat het maken van Literatuur bestond uit het verzinnen van rare werkwoorden en het verhaspelen van de grammatica. Weliswaar gingen ze geregeld uit Goethe-Dante-Vondelen, maar de manieren waarop Goethe, Dante en Vondel literatuur voortbrachten kostten hun een te zware denkarbeid. Dus verzonnen ze wat anders.

Gelukkig was het schoolonderwijs in het Nederlands en het Engels toen nog degelijk en leerlingen die probeerden te "copen' of andere malligheden van dien aard te bedrijven, mochten een nul verwachten.

Ze probeerden het dan ook helemaal niet. Ze probeerden wel andere dingen. Zelfs beroemde professoren deinsden voor een nummertje "Maak je eigen Nederlandse taaltje' niet terug.

Onlangs las ik weer eens in de Verzamelde Werken van de grote Huizinga. Hij is een van de lezenswaardigste twintigste-eeuwse schrijvers die wij bezitten, al is soms hier of daar iets van wat hij beweerde verouderd, of klinkt de manier waarop hij zich uitdrukte ons antiek in de oren.

Huizinga schreef (VW, 38) enigszins geringschattend over "vertachtigde kringen' en hij moest daar klaarblijkelijk niet veel van hebben. Doorgaans schreef hij tenminste een normaal, helder, goed verzorgd Nederlands.

Hersttij der Middeleeuwen, verschenen in 1919, is, zegt iedereen, nog steeds zijn interessantste boek en ik ben het daar helemaal mee eens.

Met het klimmen der jaren gaf Huizinga in steeds sterker mate toe aan een neiging tot professorale deftigheid, die omstreeks 1930 wel indrukwekkend zal zijn gevonden en die het nu niet meer is.

Belang

Ik heb een uit diverse schrijvers verzamelde kleine voorraad schelle leuzen, welke ik soms hardop uitspreek en daarbij is er ook een ontsproten aan Huizinga's anno 1930 hoogverheven pen: "Vulgaire romantiek altegader!'

Huizinga was van 1905-1915 hoogleraar in de geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Groningen, waar hij ongestoord (en in de Tweede Kamer onbesproken) kon werken aan zijn Herfsttij der Middeleeuwen en overige mooie boeken. Naar eigen zeggen had hij in 1905, hij was toen drieëndertig jaar, nog zo goed als niets gepresteerd. Maar dit was blijkbaar geen bezwaar voor degenen die, terecht, iets van belang in hem zagen groeien, en hem benoemden.

Ondanks Huizinga's afkeer van "vertachtigde kringen' vertoont zijn Herfsttij enkele opzienbarende grammaticale eigenaardigheden, zó verwonderlijk en verpletterend, dat bij mijn weten nog niemand er de aandacht op gevestigd heeft. Degenen in wie dat opzien werd gebaard, durfden blijkbaar van verbazing geen mond open te doen.

Zie bijvoorbeeld dit: Herfsttij der Middeleeuwen in deel III van de Verzamelde Werken, op bladzij 15: "Toen de vader dit tegenwerkt (-)'

Eerst dacht ik dat het een zetfout was, dat er "tegenwerkte' had moeten staan.

Maar nee:

"De Koning houdt stil, (-) toen hij hen ziet terugkomen;' (blz. 49).

"Toen de aartsbisschop den twist tracht te bedaren (-)' (blz. 57).

"Mahuot wordt aschbleek, toen hij het evangelie kust!' (blz. 118).

Is de verwisseling van "toen' en "als' misschien middeleeuws? vroeg ik mij af. Maar dan nog, dan hoeft een twintigste-eeuwse schrijver daar toch geen rekening mee te houden, al schrijft hij over de Middeleeuwen, zomin als iemand die over alcohol schrijft, zich een stuk in de kraag moet drinken.

Herfsttij der Middeleeuwen is ook betrekkelijk rijk aan woorden en uitdrukkingen die je nergens anders vindt, zelfs niet in Van Dale:

"(-) hoeveel de bedrijver van een geslaagde overrompeling bij (bedoeld is: aan) de zaak verdiende.' (blz. 125).

"sergianten (bedoeld: sergeants?) van het hof van Bourgondië' (ibid.)

"Hij schijnt erin te genieten (bedoeld: Hij schijnt er behagen in te scheppen?) (ibid.)

"(-) totdat alleen Dante het instrument meer (bedoeld: nog) zuiver bespelen kon.' (blz. 128)

"Het kan niet gewichtig genoeg worden geschat' (bedoeld: geacht). (blz. 129)

"Want in den grond bleef ook onder hogere standen het liefdeleven bijster ruw.' (blz. 130). Wel een wonder, of misschien juist niet, als ze het blijkbaar in konijneholen deden.

"De talrijke leden waren getooid met de wijdluftigste titels: (-)' (blz. 142)

Wijdluftig? Wat mag dat wel betekenen? In Van Dale gekeken. Het betekent 1) wijdlopig en 2) weids. Dit laatste betekent het in de geciteerde zin van Huizinga, die ook door Van Dale wordt geciteerd.

Waarschijnlijk is het de enige zin in al het bestaande geschreven Nederlands, waarin wijdluftig weids betekent. Eerder dan 1919, het jaar waarin Herfsttij verscheen, bestond het niet in die betekenis en oudere drukken van Van Dale vermelden haar dan ook niet. Met andere woorden: Huizinga vergastte zijn lezers op een woord waarvan ze de door hem bedoelde betekenis nergens konden vinden.

Turbe

En wat zou een "turbe' wel mogen zijn?

Van Dale weet te melden: "turbe (Fr. - Lat.), v. (m.) grote menigte, vlucht, "wolk': een turbe van getuigen (Huizinga).'

Ook in dit geval is de van Huizinga geciteerde zin de enige in het Nederlands waarin dat woord "turbe' gebruikt wordt op een manier alsof iedereen wel weet wat het betekent. Maar zelfs Van Dale wist niet precies wat het betekende.

Het Franse woordenboek van Littré is beter op de hoogte: "Turbe (-) Oude rechtsterm. v. Hij werd alleen in deze zegswijze gebruikt: onderzoek door turben of turbe, onderzoek verricht door het getuigenis in te winnen van verscheidene inwoners om de zeden en gebruiken van een bepaald oord vast te stellen. De getuigen gehoord bij een onderzoek door turben heetten turbiers.

Turbier m. getuige gehoord bij onderzoek door middel van turben. In de onderzoeken door middel van turben telden tien turben slechts voor één getuige.'

Waarom, o geest van Huizinga, "wijdluftig' geschreven als gij "weids' bedoeldet. En "als' als u toen.

Neem blz. 181: "- dus als het Jezuskind nog te klein was om appels te eten (-)'

Ik heb deze tirades al vele jaren geleden aangestreept zonder er iemand iets over te vertellen. Maar toen ik het eerste deel van Huizinga's Briefwisseling in handen kreeg, besloot ik hierin na te zien of hij zich in zijn brieven even excentriek placht uit te drukken. Beoogde hij misschien een revolutie in de Nederlandse grammatica te bewerkstelligen?

Welnee, niets daarvan.

"Mijn vader was toen reeds meer dan twee jaar dood,' schreef hij heel gewoontjes op 7 juli 1919 (blz. 257, Briefwisseling I).

En op 29 juni 1920 noteerde hij: "Toen ik indertijd de recensie ontving (-)' (blz. 301)

Vervaarlijke conclusie: het gebruik van als in plaats van toen en al die vreemde eenden in de bijt, dat moet in Herfsttij der Middeleeuwen dus pure aanstellerij zijn geweest!

Huizinga's afkeer van "vertachtigde kringen' heeft niet verhinderd dat ook hij zich hier en daar opzettelijk aan volstrekt nutteloze, bovendien lelijke taalkundige zonden te buiten ging.

De "Tachtigerskringen' waren geloof ik, niet de enige oorzaak van veel betreurenswaardig literair vandalisme in Nederland (van een soort die gelukkig niet duurzaam is gebleken), maar zij was ook het produkt van iets dat al veel en veel langer bestond. Wat? Schaamte voor de eigen taal en de behoefte dik te doen en heel geleerd, om deze schaamte te overwinnen?

Waar zou het toch door komen?

Wat is de oorzaak dat Nederlanders zo raar gaan praten als ze in het openbaar het woord mogen voeren, of als ze iets moeten opschrijven dat gepubliceerd zal worden, met het treurige gevolg dat de Nederlandse literatuur maar zelden tot geestdrift stemt?

Sommigen denken dat het van het vochtige klimaat komt (alsof Nederland het enige land ter wereld was waar het wel eens motregent). Anderen denken dat het calvinisme de schuldige is, maar Schotland, minstens even calvinistisch en niet minder nat, trouwens, heeft tal van grote schrijvers voortgebracht: Boswell, Walter Scott, Carlyle, James Hogg, Robert Burns, en in modernere tijden Compton Makenzie, Edwin Muir, Erik Linklater. Zoek het maar op in de encyclopedie.

Weer anderen geven de Hollandse handelsgeest de schuld, net of de Amerikanen geen handel drijven!

Nee, dit gaat allemaal niet op, vrees ik.

Ik denk dat het aan de vele molentjes ligt. Die gaven het slechte voorbeeld. Zodra een Nederlander de pen opvat, krijgt hij neiging te gaan malen.

Denk niet, lezer van dit academisch gevormde avondblad, dat ik probeer mij vrolijk te maken over Huizinga, of dat ik u ervan weerhouden wil deze historicus, ondanks alles een van onze grootste prozaïsten, te herlezen.

Ik pink eerder een traantje weg, als ik zulke eigenaardigheden, zoals hierboven aangestipt, in zijn overigens prachtige taal tegenkom. Ik houd er nu over op en zal een oogje dichtknijpen voor die eigenaardigheden.

Docteur en Droit

Joost van Vollenhoven, "Docteur en Droit', schrijver van Multatuli en congé moest van de Nederlandse taal blijkbaar helemaal niets hebben.

Maar ondanks "Docteur en Droit', die wijdluftige Franse graad, was het boekje van de docteur in Amsterdam uitgegeven. (Van Dale hoeft nu in zijn volgende herdruk niet meer Huizinga als enige gebruiker van het woord wijdluftig in de zin van "weids' aan te halen.)

Multatuli en congé bevatte een aantal bezorgd stemmende ambtelijke stukken, brieven van Multatuli zelf, van ambtenaren en van een minister over de meer dan miserabele financiële omstandigheden waarin de toekomstige schrijver van Max Havelaar sinds september 1853 verkeerde. Onze docteur kon blijkbaar uitstekend Nederlands lezen, maar het niet schrijven, want de inleiding op deze voor menige vereerder van de Man van Lebak zeer pijnlijke documenten schreef hij in het Frans. Zijn inleiding getuigt overigens van grote bewondering voor Multatuli. Neen, Joost van Vollenhoven maakte er niet iets van in de trant van: Zien jullie nu wel? Zijn vijanden hadden gelijk, hij was een geldverkwister en flessentrekker.

Wie was deze Joost van Vollenhoven?

Sinds 1909, toen zijn boekje verscheen, heeft niemand zich daar bijzonder in verdiept. Atte Jongstra vermeldt hem in zijn geïllustreerde boekwerk De Multatulianen, dat door sommige deskundigen hogelijk geprezen is, met geen letter.

Maar nu heeft het Historisch Seminarium van de Universiteit van Amsterdam de grondige studie van dr. Silvia W. de Groot gepubliceerd, die menige Multatuliaan duidelijk zal maken dat Joost van Vollenhoven tot veel meer in staat geweest is dan Docteur en Droit worden, compromitterende documenten over bewonderde ongelukkige schrijvers opgraven en deze in Amsterdam publiceren met een in het Frans gestelde inleiding.

Joost van Vollenhoven zag het levenslicht in 1877 te Kralingen. Doordat zijn vader wijnhandelaar en Nederlands consul in Algiers was, kwam Joost al op zijn negende jaar daar ook terecht en voortaan volgde hij alleen Frans onderwijs. Daardoor kon hij op den duur het Nederlands wel lezen, maar, naar hij vreesde, niet foutloos meer schrijven.

Dit was nu eenmaal zijn levenslot en dat hij de inleiding tot zijn Multatuli-boekje in het Frans schreef, had dus niets met gewichtigdoenerij te maken.

Van Vollenhoven voelde zich verwant met Multatuli, want ook hij maakte carrière als koloniaal bestuursambtenaar, was bekommerd over het lot van de gekoloniseerden en ook hij kreeg met tegenwerking van velerlei aard te kampen.

Hij vereerde Frankrijk zonder enige bedenking en in de Eerste Wereldoorlog wilde hij niets liever dan sneuvelen voor zijn tweede vaderland. Een Duitse kogel vervulde deze wens op 20 juli 1918.

In Frankrijk had hij veel vijanden, maar ook machtige vrienden. En hij was tenslotte een personage van gewicht: gouverneur-generaal van Frans West-Afrika.

Zo is er in Parijs een plantsoen naar hem genoemd en in Longpont, in de buurt van de plek waar hij sneuvelde, werd in 1938 een groot monument voor hem opgericht.

Voor Nederlanders schuilt het belang van Silvia de Groots voortreffelijke studie niet alleen in het feit dat ze nu kunnen weten wie Joost van Vollenhoven was, maar dat zij uit zijn ervaringen ook het een en ander kunnen gewaar worden over de Franse koloniale politiek, gedeeltelijk analoog aan de Nederlandse, maar in sommige opzichten daarvan zeer verschillend, onder meer omdat het Franse koloniale imperium voornamelijk in de negentiende eeuw was opgebouwd en dus veel jonger was dan het onze, en ook omdat Joost van Vollenhoven in hoofdzaak in Afrika werkzaam is geweest, en niet, zoals Multatuli, alleen in Zuidoost-Azië.