Vluchtend over zee

Een man droeg het jongetje in zijn armen, wadend door het water en naast hem riep een vrouw voortdurend, dat hij toch voorzichtig moest zijn.

De man hoorde het wel en hij begreep ook, waarom ze bleef roepen, want ze was de gouvernante en het kind was een prins, die in veiligheid moest worden gebracht. In veiligheid aan boord van de vissersschuit die verderop in zand en zee lag te woelen.

Het aan boord brengen van mensen, vluchtelingen, was voor hem tegenwoordig dagelijks werk. Hij droeg ze meestal op zijn schouders, tenzij ze, zoals deze gouvernante, de zorg voor hun kind niet wilden opgeven en daarom naast hem bleven lopen. Ook goed. Best. De drager, de visserman dacht alleen maar aan het water en aan de afstand tot het schip. Het water kwam hem zo langzamerhand tot halverwege de heupen en het voelde warmer aan dan de lucht. Zo'n wonder niet, want het najaar was ongewoon zacht geweest, maar nu stond de lucht duidelijk op vriezen. In het westen een rood spoor van de verdwenen zon, de sterren steeds helderder en aan het oplichten van de kleine golfkoppen kon hij zien, dat achter hem de maan al boven de duinen stond. Hij hees de kleine prins wat hoger op en pakte met zijn rechterhand de arm van de gouvernante. Het zou niet lang meer duren.

Het kind keek over de schouder van de man naar wat achter hen lag en wat steeds vager en donkerder werd, behalve de maan. Hij wilde dat zijn gouvernante het liedje zong over drie vissers, die in maanlicht voeren, maar hij begreep dat hij het nu niet kon vragen met al dat geklots rondom. Hij kon het trouwens zelf zingen. Het ging over Wenk, Blink en Knik, die antwoord gaven op vragen van de maan: Waar gaan jullie heen en wat gaan jullie doen? Varen op een zilveren zee en zoeken naar de haring.

De man, die hen droeg was vlak bij de schuit gekomen. De rest van de vluchtende familie zou nog wel niet aan boord zijn. De rest, dat waren de vader en de moeder van de kleine prins. En zijn ooms en tantes. De grootouders moesten nog komen, dat scheen nog niet helemaal zeker. En terugkomen? Wie wist het. Niemand.

De kleine prins vroeg of ze er al waren. Hij hoorde van ja, we zijn zo bij de schuit. De schuit met de drie vissers van de maan. Wenk zou hem tekens geven. Blink zou schitteren als de sterren. Knik zou zijn mooiste buiging maken. En de maan zou hem vertellen, dat hij koning zou worden. Koning over een volk van vissers. Hij viel tevreden in slaap.

(wordt vervolgd)