Twee publikaties over de Amsterdamse School; De billen van Wijdeveld

Maristella Casciato: De Amsterdamse School. Uitg. 010, 240 blz. Prijs ƒ 29.50. Erik Mattie en Jan Derwig: Amsterdamse School. Uitg. Architectura et Natura, 93 blz. Prijs ƒ 39,50.

Na een jarenlange stilte rond de excentrieke architectuur van de Amsterdamse School zijn nu bijna gelijktijdig twee boeken verschenen. De Amsterdamse School van Maristella Casciato, een vertaling van eent Italiaanse boek uit 1987 met een nieuwe inleiding, is het zesde deel in de Serie Architectuur van de Rotterdamse Uitgeverij 010. Het andere, Amsterdamse School van Erik Mattie en fotograaf Jan Derwig, is in zowel een Nederlandse als een Engelse editie verschenen ter gelegenheid van het (ruim) vijftigjarige bestaan van de Amsterdamse boekhandel Architectura et Natura.

De Amsterdamse School was een korte maar hevige oprisping in de architectuur en vormgeving, vooral in de hoofdstad maar ook daarbuiten, die rond 1910 ontstond als reactie op het rationalisme van Berlage. Het “vrije ontwerp, dat schijnbaar zonder wortels opgroeit uit het veld der ornamentatie” (aldus het tijdschrift Wendingen in 1918) vierde hoogtij in gebouwen als het Scheepvaarthuis, in woningbouwprojecten met plastische vormen als de "billen van Wijdeveld' in de Indische buurt, hoogstandjes van metselwerk aan het Spaarndammerplantsoen en zwaar decoratieve interieurs en glas-in-lood ramen.

In 1923, met de dood van haar voorman De Klerk, raakte de stroming over haar hoogtepunt heen. Naarmate er minder opdrachten van de overheid kwamen en meer van speculanten werd de Amsterdamse School meer en meer "geveltjesarchitectuur' en omstreeks 1930 was het voorbij. Maar inmiddels had Amsterdam zich, volgens de Amerikaanse architectuurhistorica Helen Searing, wel bewezen als “een waar laboratorium voor experimenten met betrekking tot sociaal-economische, technische en esthetische factoren in de woningbouw”.

Girobus

Hoewel ze hetzelfde onderwerp behandelen, zijn de twee boeken in nagenoeg elke opzicht elkaars tegenpool. Erik Mattie houdt het bij een kort, zakelijk overzicht; Casciato gaat dieper in op de reacties van tijdgenoten en de politieke en economische achtergronden. Bovendien streeft zij een volledige inventarisatie na van bestaande en inmiddels gesloopte gebouwen, nooit gerealiseerde ontwerpen, woonwijken in en buiten Amsterdam, bruggen en interieurs. Ook de beroemde girobus van de Amsterdamse School heeft ze opgenomen. Sterker nog, Casciato nam zoveel op in haar inventarisatie dat de definitie van de Amsterdamse School aanzienlijk wordt uitgebreid. Zonder nadere toelichting worden grensgevallen als Berlage's ontwerp - met trapgevels! - voor de Amsterdamse Transvaalbuurt tot deze stroming gerekend.

Door de layout en de typografie zit het boek van Architectura et Natura wel erg ruim in zijn vel. Het bevat bovendien uitsluitend recente foto's, door Jan Derwig speciaal voor het boek gemaakt. Niet alleen wordt daardoor de historische dimensie van het onderwerp te kort gedaan, er is ook geen spoor van het dagelijks leven op te bekennen. Op zoek naar het sprekende detail en de esthetische verstilling maakt Derwig van de Amsterdamse School een museum in plaats van de rommelige, levendige architectuur van alledag die het - gelukkig - nog altijd is. De uitgave van 010 is het andere uiterste: geheel volgens het stramien van de reeks is het boek klein van formaat en uitermate compact. De druk in uitsluitend zwart-wit, gekoppeld aan de ouderdom van veel van de foto's, doet deze verrukkelijke bouwkunst eveneens te kort.

Het enige wat de afgelopen jaren verkrijgbaar was over de Amsterdamse School, was de Duitse versie van het (overigens fraaie) boek dat Wim de Wit in 1983 samenstelde bij een tentoonstelling in Chicago. Het werd dus de hoogste tijd voor nieuwe publikaties. Onbedoeld blijken zij elkaar wat zowel tekst als beeld betreft goed aan te vullen.