Roemenie: Roman: wantrouwen bleef

Woede en wanhoop zijn opnieuw dominerende emoties in Roemenië. Boekarest is, en niemand weet voor hoe lang, in de greep van een èchte dictatuur van het proletariaat, en dat proletariaat gebruikt geen argumenten maar knuppels. Straatterreur is de toon van de dag, tot schrik van intellectuelen, politici en de media, en tot ongegeneerd genoegen van het stedelijke proletariaat van de hoofdstad.

Bij herhaling is gisteren duidelijk geworden dat de mijnwerkers zelf niet helemaal duidelijk is wat ze in Boekarest te zoeken hebben, afgezien van het uiten van hun woede over hun betaling en de slechte werkomstandigheden en het stellen van de meest voor de hand liggende eisen, het vertrek van de politiek verantwoordelijken. Woensdag werden de kompels gedreven door vastbeslotenheid: het regeringsgebouw was hun doelwit. Gisteren, na de val van de regering, was Boekarest het toneel van groepen mijnwerkers die niet wisten welke hun volgende bestemming was. Sommigen gingen terug naar het station, anderen bedachten zich onderweg dat ze ook het hoofd van president Iliescu konden eisen, weer anderen zagen in het parlement en later het televisiegebouw een aantrekkelijk doelwit en nog weer anderen gingen op het Universiteitsplein op straat zitten of zochten hun heil in 's lands beste hotel. Dat biedt de hoop dat de rellen spoedig voorbij zijn. Maar dan doemt de vraag op hoe Roemenië uit deze plotselinge crisis moet raken.

De ten val gebrachte regering van premier Petre Roman - en Roman zelf - heeft nationaal en internationaal geen goede reputatie. Roemenië is nog altijd een zeer gepolariseerd land, waar debatten permanent een vinnige, boze, beledigde ondertoon hebben. Voor de oppositie en de oppositionele media bestaat de regering - Roman voorop - uit vaak corrupte nomenklatoeristen van het oude systeem, neo-communisten die de oude structuren willen handhaven; voor de regering bestaat de oppositie uit principiële neezeggers. Hervormingen worden geblokkeerd door nooit weggezuiverde bureaucraten of haperen door het gebrek aan kader en kapitaal. In het economische, politieke en sociale vacuüm doen smokkelaars en handige jongens goede zaken, waarmee de verbittering in brede lagen van de bevolking wordt aangewakkerd, en daarvan maken weer communisten, populisten en chauvinisten van allerlei slag misbruik. De haat tegen joden en nationale minderheden neemt in sommige bladen - en niet de kleinste - angstwekkende proporties aan en de rede is vaak heel ver te zoeken - aan beide kanten.

Toch is de reputatie van de regering veel slechter dan ze verdient en daarom is de val van Petre Roman - Mooie Pedro, zoals hij door zijn vijanden vaak schamper wordt genoemd - geen positieve ontwikkeling. Roman zelf is sinds zijn aantreden door de oppositie verweten een vertegenwoordiger en een beschermer van de oude nomenklatoera te zijn. Maar Roman is voor alles een technocraat, die serieus heeft getracht zinvolle politieke en economische hervormingen door te voeren. Zijn regering bestond uit een paar politici en een meerderheid van technocraten op wie politiek niets aan te merken is geweest.

Die regering heeft echter één kardinale fout gemaakt: ze is er nooit in geslaagd de kloof van wantrouwen te overbruggen en haar economische bedoelingen aan de bevolking uit te leggen. Waar de Polen, Tsjechoslowaken en Hongaren al vanaf het begin op het hart is gebonden dat het economisch eerst slechter zal gaan voor het beter gaat, hebben de Roemenen iets dergelijks nimmer te horen gekregen. In die zin schort er weinig aan de aard van de hervormingen maar veel aan het pr-beleid van de regering. Beloften zijn gedaan maar niet nagekomen, verwachtingen gewekt maar niet waargemaakt. Dat heeft geleid tot desillusies, nog meer wantrouwen en verbittering en tot beschuldigingen dat er “niets gebeurt” behalve ten kwade: de broekriem die steeds strakker moest, de prijzen die niet meer op te brengen zijn, de werkloosheid die toeneemt. Aan de ene kant riep de regering - en zeker niet altijd ten onrechte - in Oost-Europa op het gebied van radicale hervormingen voorop te lopen, aan de andere kant verbreedde zich bij de bevolking het gevoel het permanente slachtoffer te zijn van bestuurders die alle misère afwentelden.

verder heeft de regering in haar benoemingenbeleid nooit ondubbelzinnig gebroken met het verleden, waardoor ze kwetsbaar werd voor beschuldigingen van neo-communisme. Oude communisten en nomenklatoeristen, van Iliescu tot op fabrieks- en dorpsniveau, zijn aangebleven en eindeloos is geruzied over de vraag of de Securitate nu dood is of nog leeft - een ruzie waarvoor de regering alle verantwoordelijkheid draagt. Dat heeft Romans geloofwaardigheid - en daarmee die van zijn hervormingen - niet vergroot, integendeel: het leidde tot nog meer haperingen en nog meer politieke polarisatie en uiteindelijk tot de vlam in de pan.