Ontsnapt aan de verteller; Onconventionele roman van Felipe Alfau vertaald

Felipe Alfau: Locos, een gebarenkomedie. Vertaling Peter Elberse. Nawoord Mary McCarthy. Uitg. Bert Bakker, 202 blz. Prijs ƒ 34,90.

Locos begint met twijfel over wat het is (“Deze roman is geschreven in korte verhalen”), waarop een uitleg volgt van de reden van de gekozen vorm. De schrijver treedt met de lezer in gesprek en introduceert prompt een alter ego, ene dr José de los Rios. Deze fungeert in de hele reeks min of meer samenhangende verhalen als de niet veranderende man op de achtergond, de arts die alles concreet, van de fysieke kant meemaakt, terwijl de schrijver, de wel degelijk veranderlijke "ik', er eerder gevoelsmatig bij betrokken is.

Aan het einde van zijn bladzijdenlange preambule zegt Alfau dat de lezer het voorafgaande mag overslaan, een onlogisch advies dat thuis hoort in zo'n onconventionele roman. De lezer is gewaarschuwd en begint aan het eerste korte verhaal van Alfau, van wie hij hoogstwaarschijnlijk nog nooit heeft gehoord. Of hij denkt "wat een onzin' en slaat het boek definitief dicht, tot zijn eigen gemis.

Felipe Alfau is van oorsprong een Spanjaard maar hij komt in geen enkele Spaanse literatuurgeschiedenis voor. Hij ging tijdens de Eerste Wereldoorlog als kind met zijn ouders naar Noord-Amerika waar hij filosofie, wiskunde en muziekwetenschap studeerde en aanvankelijk werkte als muziekcriticus. Locos, het Spaanse woord voor gekken dat zo op "logisch' lijkt, is van 1928, maar de maker moest acht jaar leuren voor hij een uitgever had. Mede doordat die uitgever geen grote naam had, bleef het boek nagenoeg onopgemerkt. De enige die op 27 juni 1936, voor de Nation, heel geestdriftig reageerde, was de nog jonge Mary McCarthy, die naar eigen zeggen pas later zou begrijpen dat zij niet alleen werd aangetrokken door Alfau maar door zijn soort boeken. Zij vergeleek zijn werk met dat van Nabokov, Calvino, Eco en Borges. “Maar Locos was het eerst,” beweerde zij naar aanleiding van de nieuwe uitgave van Locos in 1988, ruim vijftig jaar na de eerste, en deze keer wel bij een gezaghebbende firma met als gevolg laaiend enthousiaste kritieken, snelle herdrukken, een pocketeditie, vertalingen. Ook in Nederland is zojuist de vertaling van Locos uitgekomen.

Het boek is oorspronkelijk in het Engels geschreven, vandaar dat het Spaans in de titel is gehandhaafd. Het speelt in Spanje, in Madrid, in een café - het café van de Gekken - in Toledo, waar personages op zoek zijn naar schrijvers, en in het Noorden van het land waar de jeugdherinneringen in het laatste dubbelverhaal zijn gesitueerd. De ondertitel, "een gebarenkomedie', licht Alfau toe met de opmerking dat Spanje een land is "waar de gedachte noch het woord, maar de handeling met een betekenis - het gebaar - tot een nationale specialiteit is verheven'. Alfau doet vaker zo'n algemene uitspraak over Spanje of hij wijdt er observaties aan die haast te subtiel zijn voor iemand die dat land niet goed kent.

Onontkoombaar

Alfau heeft, afgezien van een kinderboek en het ook al oude, omvangrijke Chromos - nog nooit is uitgegeven maar dat zal binnenkort veranderen -, niets meer willen schrijven. Hij was, heet het, verbitterd door het uitblijven van succes, huiverig voor de eisen die aan een schrijver worden gesteld, opgeslokt door rommelige levensomstandigheden. En zijn muziekkritieken? Ik zou daar wel iets van willen lezen, niet zozeer om de oordelen - daar kan ik me bij Alfau weinig bij voorstellen - maar om de gedachtengangen. Hij lijkt me duidelijk het soort schrijver dat kan schitteren in definities en terzijdes.

Er is in Locos veel gedoe met personages en perspectieven. Dezelfde namen staan door het boek heen voor verschillende figuren en dezelfde personages komen voor onder anders namen; zo zijn Carmen en-of Carmela en-of Lunarito goed beschouwd een trio vrouwen in één. Daardoor ontstaat de suggestie van iets onontkoombaars in ons aller bestaan, alsof wij allen een en hetzelfde lot hebben en het er niet zoveel toe doet wie wat meemaakt en hoe heet. Achter Alfaus haast montere gespeel en geschuif met mensen en levens schuilt onmiskenbaar melancholie of zelfs wanhoop.

De schrijver is de eerste die soms uit zijn rol stapt of domweg verdwijnt en het initiatief verder overlaat aan zijn personages. Op bladzijde 29 gaat dat zo: “(-) De deurbel heeft geklonken. Ik denk dat het mijn vriend Don Laureano is. Als u het goed vindt, ga ik een andere keer verder met mijn verhaal.” Waarop de hoofdpersoon van het verhaal in prille wording zegt: “Nu mijn auteur mij op papier heeft gezet en mij een lichaam en een begin heeft gegeven zal ik verder gaan met het verhaal en het in mijn eigen woorden vertellen. Nu ik aan zijn aandacht ontsnapt ben, kan ik doen wat ik wil.” Dit personage komt prompt een echt wezen tegen dat zijn hele personagebestaan en dat van de zijnen op z'n kop zet. De schrijver heeft er een hele klus aan alsnog orde te scheppen.

Watertanden

Soms verandert het perspectief volledig van het ene verhaal op het andere. Dan is Alfau niet de verteller, wat we uit gewoonte en ook doordat we af en toe zo intiem zijn toegesproken, geneigd zijn aan te nemen, maar dan is hij een met name genoemde bijfiguur. Dat is het geval in Een hondenromance, deel I van het laatste verhaal, een tweeluik. Hierin komen veel van de eerdere personages opnieuw voor in een andere schikking. Alfau als randfiguur ondergaat hier misschien nog onwetender en aangedaner dan de kind-verteller de emoties van bepaalde volwassenen en de hardheid op de jongensschool waar een en ander speelt, ver van het veilige ouderlijk huis.

Het tweede deel van dit tweeluik heeft een melancholieke strekking. De hoofdpersoon, opnieuw iemand die we al in andere hoedanigheden kennen, ondergaat hierin de lente als het eeuwig terugkerende begin van alles en verdraagt steeds slechter dat ooit dat begin zal komen terwijl hij er niet meer is. Hij wordt door die gedachte gewurgd. Zijn melancholie is verwant aan de hysterie van een necrofiele vrouw uit een ander eerder verhaal.

Alle verhalen hebben een fantastisch, detective-achtig uitgewerkte plot in dit anti-psychologische boek. In een verhaal houdt iemand zo van een uitvinding dat hij er liever op vreselijke wijze de dupe van wordt dan het goed functioneren ervan te betwijfelen. Een plot om van te watertanden.

Werkelijkheid en verzinsel zitten dicht op elkaar in het onaangepaste, neurotische brein van deze schrijver. Maar wat is er uiteindelijk logischer dan een schrijver die zo met zijn personages meeleeft dat ze enerzijds de werkelijkheid van buiten het boek voor hem gaan overtreffen en anderzijds zijn eigen gevoel van onwerkelijkheid van hem afwentelen?