Nieuw repertoiregezelschap zorgt met sponsoring voor helft van het budget; Haarlems Toneel begint "op bonnefooi'

Morgen gaat de eerste voorstelling van het Haarlems Toneel in première, het nieuwe huisgezelschap van de Haarlemse Schouwburg dat elk seizoen drie produkties wil uitbrengen. Sponsoring en kaartverkoop vormen de belangrijkste bron van inkomsten.

Eind dit jaar denkt de Raad voor de Kunst advies uit te brengen over een subsidie-aanvraag van het Haarlems Toneel, waarna de minister van WVC volgend voorjaar het definitieve ja of nee uitspreekt. Maar zaterdag vindt in de Haarlemse Schouwburg al de première plaats van Dostojevski's Schuld en boete en op nieuwjaarsdag begint een reeks voorstellingen van De troefkaart van Gabriela Zapolska. Het nieuwe repertoire-gezelschap is “op de bonnefooi” begonnen, beaamt zakelijk leider Chris de Jong. “En als de aanvraag wordt afgewezen, kunnen we volgend seizoen nog op dezelfde voet voort. Liever niet, maar het kàn.”

Het Haarlems Toneel is het gevolg van gesprekken tussen de Haarlemse schouwburgdirecteur Karel Baart en Joanna Bilska, die de afgelopen seizoenen in het vrije circuit produkties regisseerde als Spoken van Ibsen en Aan zet van Pavel Kohout. Baart voelde veel voor een huisgezelschap, in de voetsporen van toneelgroep Centrum, dat daar tot 1975 die functie vervulde. Bilska ontwierp een artistiek plan - in de lijn van haar eerdere voorstellingen, die een verzorgd, traditioneel karakter droegen, met publieksfavorieten als Ellen Vogel, Ina van Faassen en Henk van Ulsen in de hoofdrollen. “Wij signaleren dat het soort toneel dat ons voor ogen staat, een tijdlang kwijnend is geweest,” schreef ze in haar beleidsnota.

De eerste twee voorstellingen (zestig keer Schuld en boete, tachtig keer De troefkaart) werden aan de schouwburgen verkocht alsof het vrije produkties waren. Een succesvol verkoopargument bleek wederom de invulling van de hoofdrollen te zijn: Ton van Duinhoven en Hidde Maas in het eerste, Anne-Wil Blankers en Paul Cammermans in het tweede stuk. “Zonder die grote namen was het nooit gelukt zoveel schouwburgen mee te krijgen,” zegt De Jong. “Vooralsnog zullen we, zeker in deze onzekere situatie, afhankelijk zijn van het aantrekken van sterren. Op zichzelf is daar niets tegen, integendeel, die acteurs zijn niet voor niets sterren geworden. Maar het zou natuurlijk prettiger zijn om daar op den duur minder afhankelijk van te zijn.”

Dit eerste seizoen vergt een budget van 1,2 miljoen gulden, inclusief een Haarlemse lokatie-produktie, volgend voorjaar, van Moord in de kathedraal van T.S. Elliot, die niet op toernee gaat. Daarvan is drie ton nog niet gedekt. Twee sponsors (een medicijnengroothandel en een leverancier van electronische schakelingen) dragen samen twee ton bij, de gemeente Haarlem stelde een garantiesubsidie van 50.000 gulden beschikbaar. De rest komt uit de uitkoopsommen die de theaters betalen en uit de verwachte kaartverkoop. Uitsluitend voor het lokatie-project betaalt de gemeente 20.000 gulden en de provincie Noord-Holland 50.000 gulden. Van de Haarlemse Schouwburg komt facilitaire hulp; het kantoortje van het nieuwe gezelschap is gevestigd in één van de twee torentjes van het theater.

De Jong: “Het is allemaal verschrikkelijk krap. Ik heb de acteurs moeten afknijpen en de technici uitgebeend. Het heeft op zichzelf wel iets aardigs om op deze manier te pionieren en desnoods zouden we dit nog wel twee of drie jaar kunnen volhouden. Maar natuurlijk kan het niet voor de eeuwigheid zo voortduren. We vragen het rijk 850.000 gulden en dan zorgen we zelf voor de andere helft, met een structureel aandeel voor sponsoring. Daarmee kun je heel redelijk repertoire-toneel maken.”

De eerste grote tegenslag voor het Haarlems Toneel was een conflict met Ton van Duinhoven, die na één week repeteren besloot zijn rol als officier van justitie in Schuld en boete “op artistieke gronden” terug te geven. Hij had kritiek op Bilska's bewerking van het boek en op haar regie-opvattingen. Nog net voordat de affiches moesten worden gedrukt, vond men Paul Cammermans bereid de rol over te nemen. Het is, na twintig jaar, zijn comeback op de Nederlandse planken.

Intussen heeft Haarlem het nieuwe gezelschap omarmd, zegt De Jong. “De Kamer van Koophandel heeft al een werkgroep Haarlems Toneel opgericht, die zich verantwoordelijk voor ons voelt. Men vindt het belangrijk voor het klimaat in deze stad, dat er een eigen gezelschap is. En door in de schouwburg hier in serie te spelen, hopen we een vast publiek op te bouwen. Dat is iets wat veel gesubsidieerde gezelschappen verwaarlozen: zodra men van een nieuwe voorstelling weet, is die alweer verdwenen. Alleen het RO-theater en De Appel hebben met serie-bespeling een stevige positie in hun stad opgebouwd. Daardoor is het hen ook mogelijk altijd een substantieel deel van hun inkomsten uit de kaartverkoop te halen.”

Schuld en boete keert dan ook in december terug naar Haarlem om daar de laatste vijf voorstellingen van de toernee te spelen. Een week later staat in dezelfde schouwburg vijf keer De troefkaart.