Niets hebben en alles bezitten; Middeleeuwse speurdersroman van Helene Nolthenius

Helene Nolthenius: Een ladder op de aarde. Uitgeverij Querido, 220 blz. Prijs ƒ 34,90 Helene Nolthenius: Babylon aan de Rhône. Uitgeverij Querido, 152 blz. Prijs ƒ 26,90.

Al vele decennia lang behoort Helene Nolthenius tot de grote auteurs van het Nederlands taalgebied. Dat niet iedereen dit oordeel onmiddellijk zal onderschrijven, moet voornamelijk worden toegeschreven aan haar relatieve onbekendheid: omdat zij in de keuze van haar stof enigszins specialistisch en (in de goede zin van het woord) elitair is, timmert zij wat minder aan de weg dan anderen. Haar onderwerpen zijn zeer gevarieerd, maar haar campo di battaglia is bijna onveranderlijk Italië, met name het Italië van de dertiende en veertiende eeuw. Met dit herfsttij der Middeleeuwen, waarin de lente van de renaissance al begint door te breken, houdt zij zich, zo niet obsessief, dan toch met een grote sympathie intellectuelle bij voorkeur bezig.

Hoe perfect in Nolthenius' werk geleerdheid tot literatuur en kennis tot kunst wordt gesublimeerd, manifesteert zich onder andere in haar (al uit 1968 stammende, maar nu heruitgegeven) roman Een ladder op de aarde. In dit boek, dat het laat-veertiende-eeuwse Verona als decor heeft, worden de nadagen herschreven van het roemruchte heersersgeslacht van de Scaligers, dat op dat moment de grootst mogelijke moeite heeft om zich tegen zijn opdringende rivalen (uit vooral Milaan) overeind te houden. De politieke en maatschappelijke verwikkelingen, die door de schrijfster met een zeer kleurrijk palet worden geschilderd, vormen de achtergrond van een breed uitgesponnen menselijk drama.

Het belangrijkste van het boek is de "ontmoeting' tussen de twee hoofdfiguren: de ex-kloosterzuster Beatrice de Polenta en de staatsman Can della Scala. De tegenstelling die langzaam maar zeker in hen gestalte krijgt, is niet alleen een conflict tussen twee individuen, maar ook een botsing tussen twee levensopvattingen: die van de Middeleeuwen die aarzelend aan het verdwijnen zijn en die van de nieuwe tijd die al even schoorvoetend naderbij komt. De schrijfster weet dit contrast zowel psychologisch als maatschappelijk genuanceerd en daardoor overtuigend uit te beelden.

Minderbroeder

Ongeveer gelijktijdig met dit boek is er nu ook een nieuwe roman van Helene Nolthenius verschenen onder de (aan Petrarca ontleende) titel Babylon aan de Rhône. Dit boek, dat tot het genre van de middeleeuwse speurdersroman kan worden gerekend, is een vervolg op twee al eerder door Nolthenius geschreven historische detectives, waarvan steeds de Toscaanse minderbroeder Lapo Mosca de hoofdfiguur is. Het begin van deze (inmiddels dus tot drie deeltjes uitgegroeide) Lapo-Mosca-reeks ligt bij Geen been om op te staan, dat in 1977 (drie jaar voor Eco's bestseller!) verscheen. Daarop volgde in 1979 Als de wolf de wolf vreet en nu dan, in 1991, Babylon aan de Rhône. Het is te hopen dat de schrijfster het hier niet bij laat: de avonturen van Lapo Mosca zijn dusdanig verkwikkend dat er nog best een paar deeltjes bij kunnen.

De titel Babylon aan de Rhône verwijst zowel naar de plaats als naar de tijd van handeling: het Avignon van de veertiende eeuw, waar de pausen tijdens de zogenaamde Babylonische Gevangenschap (1309-1377) resideerden. Het verhaalmoment wordt door Nolthenius nog nader gepreciseerd in de inleiding, waarin zij meedeelt dat de geschiedenis zich afspeelt in het najaar van 1362, iets dat overigens ook valt af te leiden uit de in het verhaal voorkomende dood van paus Innocentius VI en ambtsaanvaarding van paus Urbanus V.

Met deze chronologische kwestie zijn we meteen beland bij wat ik de meest lofwaardige eigenschap vind van het boek (en in feite ook van het verhalende proza van Nolthenius in het algemeen), namelijk de wetenschappelijke precisie waarmee zij haar verhaal onderbouwt en aankleedt. Om haar gegevens te verzamelen heeft zij kennelijk niet alleen de brede heerbanen van de Europese geschiedenis bereisd, maar is zij ook op zoek gegaan in de kleinste steegjes en straatjes van het veertiende-eeuwse Avignon. Het opmerkelijke van haar aanpak is dat deze historische elementen er niet met de haren zijn bijgesleept, maar altijd in een logisch, of beter psychologisch verband staan met het eigenlijke onderwerp. En wat voor de geschiedkundige fundering geldt, geldt ook voor het zeer overvloedige materiaal dat is ontleend aan het gebied van cultuur, sociologie, rechtspraak, geloof en bijgeloof, reiswezen, stadsplanning, politiek, etcetera. Het is evident dat Nolthenius deze basisgegevens niet alleen grondig heeft bestudeerd, maar ook innerlijk heeft verwerkt en opgeslagen.

De spil van het verhaal is de Toscaanse "minderbroeder en meesterspeurder' Lapo Mosca. Hij is de zoon van een rietvlechter uit Lucca en heeft voor zijn toetreding tot de orde der Franciscanen, het beroep van speelman uitgeoefend. Als een soort detective in pij heeft hij al heel wat zaakjes opgeknapt en hij wordt dan ook "door de wetsovertreders van Toscane gevreesd en ontzien'. Omdat hij het motto van zijn orde: "Niets hebben en alles bezitten' tot zijn lijfspreuk heeft gemaakt, is hij voor sommigen een steun en toeverlaat en vormt hij voor anderen een bedreiging. Hij is een realist van het zuiverste water, die in zijn doen en laten meer afgaat op zijn gezond verstand dan op de kerkelijke leer. Hij is bovendien gezegend met een behoorlijke dosis relativisme, een eigenschap die hem op gezette tijden uitstekend van pas komt.

Deze keer wordt broeder Lapo door de gardiaan van zijn klooster vanuit Toscane naar Avignon gestuurd om klaarheid te brengen in twee nog altijd onopgeloste zaken: de kwestie van een nooit uitgekeerde erfenis en de verdwijning van een vooraanstaande broeder. Daarnaast krijgt hij van een vroegere aanbedene nog het verzoek om, als hij dan toch naar Avignon gaat, aldaar een Florentijnse bankier uit de gevangenis te halen. Met deze opdrachten in zijn hoofd gaat Lapo welgemoed op pad. Maar noch onderweg noch in Avignon zelf lopen de zaken voor hem van een leien dakje: hij ondervindt nogal wat tegenwerking, verdwaalt op zijwegen, raakt verstrikt in complotten, en wordt aangevallen en bedreigd. En hoewel het uiteindelijk allemaal redelijk op z'n pootjes terechtkomt, blijkt er, voordat het zover is, nog heel wat water door de Rhône te moeten vloeien.

Spanning

Het is onmogelijk hier uitgebreid in te gaan op de vele, zowel historische als fictieve, personages die Lapo's pad kruisen. We maken onder anderen kennis met de geleerde minderbroeder en theoloog Ubaldo, die herkenbaar is aan zijn umbraculum, "een met oliedoek bespannen raampje' dat hij bij wijze van parasol boven zijn hoofd houdt; met de Franciscaanse onheilsprofeet Jean de Roquetaillade (= Johannes de Rupescissa), die als het zwarte schaap van de orde, zo niet als een regelrechte ketter wordt beschouwd; met de rechter Etienne de Cabannes, die als leider van de partij van de Gelli de joden en Toscanen in Avignon te vuur en te zwaard bestrijdt. Behalve de personages dragen ook andere zaken bij aan het labyrintische karakter van het verhaal: zo blijkt er een mysterieus manuscript in omloop te zijn dat op de een of andere manier verband houdt met de uitvinding van een nieuw en geheim wapen.

Wat mij bijzonder opviel is Nolthenius' talent om te actualiseren. In besprekingen van dit soort literatuur kom je steevast de opmerking tegen dat het verhaal zo levendig is geschreven dat de moderne lezer zich in de middeleeuwen waant. Een dergelijke notitie zou ook in dit geval zeker op z'n plaats zijn, maar met evenveel recht zou je de zaak kunnen omdraaien door op te merken dat de lezer zich hier soms in de twintigste eeuw waant, hoewel hij in de middeleeuwen is. Bepaalde maatschappelijke verschijnselen van nu (vreemdelingenhaat, wapenhandel, religieus gekrakeel) worden door Nolthenius om zo te zeggen historisch gefilterd met als gevolg dat de essentie van het probleem verhelderd wordt.

Het oproepen van spanning in de zin van suspense behoort zeker niet tot Nolthenius' sterke punten, en Babylon aan de Rhôhne is dan ook geen bloedstollende thriller of een misdaadroman die je met rode oortjes zit te lezen. Maar dit tekort wordt ruimschoots gecompenseerd door de schitterende manier waarop de Middeleeuwen literair worden geëvoceerd. Het leven in en rond Avignon groeit onder Nolthenius' pen uit tot een beweeglijk tableau vivant, waarin personages, straten, gebeurtenissen, dieren, karakters, gebouwen en opvattingen in een caleidoscopische wirwar aan het oog voorbijtrekken. Nolthenius verstaat als geen ander de kunst om een dergelijke wirwar de baas te blijven en literair te "organiseren'. Dat zij daarnaast ook nog over een subtiele humor beschikt en een taal hanteert waarin werkelijk alle registers worden opengetrokken, maakt haar prestatie nog bewonderenswaardiger. Er valt eigenlijk maar één ding te betreuren: dat haar boek niet wat dikker is.