Mutti is dood en begraven; Martin Walser over de 20ste eeuw in Duitsland

Niet langer staat op de intellectuele agenda hoe men moet leren leven en sterven met de Duitse deling, en wat Martin Walser schrijft, die vroeger werd aangevallen omdat hij die deling een ramp vond, geldt niet langer als omstreden. Zijn boek Die Verteidi- gung der Kindheit is de eerste grote Duitse roman sinds de hereniging die vijfenveertig jaar lijden aan de deling als hoofdthema heeft. Ironie ontbreekt, maar men kan de roman niet lezen zonder steeds weer te grinneken.

Martin Walser: Die Verteidigung der Kindheit. Uitg. Suhrkamp. Prijs: ƒ 63.-

In 1986 gaf Martin Walser, prominent Duits schrijver van linkse signatuur, lid van de Gruppe '47, steeds in één adem genoemd met Heinrich Böll en Günter Grass, een interview aan het Springer-dagblad Die Welt. Dat was een literaire sensatie, want de schrijvers van de Gruppe '47 hadden in 1968 de Springerpers als anti-democratische kracht op hun zwarte lijst gezet. Geen van hen zou aan Springerbladen meewerken, niemand zou interviews aan een Springerblad geven.

Deze boycot doorbrak Walser. Maar hij deed nog meer. Hij zei tegen Die Welt volstrekt schaamteloos dat “hij nooit aan de Duitse deling zou kunnen wennen”. In die tijd in linkse ogen een zeer rechts, nationaal, verdacht standpunt, dat riekte naar Vertriebene Verbände, of erger. Een groot deel van de Westduitse intelligentsia viel daarop over Walser heen. Hij werd voor hypocriet uitgemaakt, meeloper met een zogenaamde golf van nieuw nationalisme. Jurek Becker, in 1977 met een visum van Oost- naar West-Berlijn "verhuisd', vatte in 1988 veler oordeel over Walser samen: “Geheugen verloren, verstand verloren.”

Walser weerde zich niet alleen met een barrage van interviews tegen alle aantijgingen, maar ook met een novelle Dorle und Wolf, die als eerste in zijn oeuvre de Duitse deling tot thema had. Tot dan toe was Walser, in 1927 in Wasserburg aan de Bodensee geboren en nog altijd aan dat meer woonachtig, in zijn romans vooral gepreoccupeerd geweest met de Westduitse Wirtschaftswunder-samenleving, met de gebrekkige verwerking van het naziverleden in de Bondsrepubliek, met de misère van een hele rij mislukkingen, verliezers, treurwilgen, die in de harde wereld van concurrentie en statusbewuste consumptie niet mee konden komen en ellendig ten onder gingen.

Wolf in de novelle Dorle und Wolf was Walsers eerste protagonist die uit de DDR afkomstig was en die de tragiek van de Duitse deling in zijn werk binnenbracht. Zijn eerste personage dat onder de waanzin van de muur en het prikkeldraad nadrukkelijk leed en het recht opeiste verdriet te voelen om de dwars door levens en familie getrokken scheidslijn, hoezeer die ook als straf voor de nazimisdaden in het Derde Rijk gerechtvaardigd kon worden. Tien jaar lang maakte Walser aantekeningen voor deze korte roman. Hij verscheen in 1987.

Sindsdien is er in Duitsland veel gebeurd. Het ondenkbare is mogelijk geworden en de Deutsche Demokratische Republik, die geen Duitse schepping was en evenmin democratisch, behoort tot het verleden. De critici van Walsers "verwerpelijke' nationale gevoelens zijn, na een korte periode van machteloze weerstand tegen het herenigingsscenario in 1990 stilgevallen. Niet langer staat op de intellectuele agenda hoe men moet leren leven en sterven met de Duitse deling, maar veel meer hoe de menselijke, politieke, psychologische kloof kan worden gedicht die in het herenigde Duitsland blijkt te gapen tussen de mensen van de overkant, die heen en weer geslingerd tussen verzet en meeloperdom hebben geprobeerd met enige waardigheid te overleven, en de van succes vaak bol staande Westduitsers.

Begaafd

In zijn deze zomer verschenen grote roman Die Verteidigung der Kindheit is Martin Walser niet, zoals de titel lijkt te suggereren, teruggekeerd naar de treurnis van een Zuidduitse of Baden-Württembergische scheefgegroeide existentie. Het boek is eerder de eerste grote Duitse roman sinds de hereniging, die vijfenveertig jaar lijden aan de deling als hoofdthema heeft, die het leven in Duitsland na het Derde Rijk beschrijft en van commentaar voorziet.

Walser doet dit aan de hand van de biografie van Alfred Dorn, die na nachten zwoegen de volgende biografische schets van zichzelf tot stand brengt: “Op 9 september 1929 werd ik als zoon van de tandarts Gustav Dorn en zijn echtgenote Martha Leissring in Dresden geboren. Van 1936 tot 1940 bezocht ik de 24e Lagere School, van 1940 tot 1948 het Kreuzgymnasium in Dresden, waar ik in datzelfde jaar eindexamen deed met het judicium Zeer Goed. Van 1948 tot 1952 studeerde ik rechten aan de universiteit van Leipzig, maar ik kon daar vanwege mijn politieke opvattingen de studie niet met succes afsluiten. Van 1953 tot 1955 studeerde ik verder aan de Freie Universität in Berlijn, waar ik op 11 juli 1956 voor de examencommissie Berlijn het eerste juridische staatsexamen aflegde met het judicium Zeer Bevredigend.”

Dorn lijkt zo weggelopen uit Walsers eerdere romans. Hij is begaafd en veelbelovend, maar het debâcle staat hem op het gezicht geschreven, een gezicht dat hij elke morgen bij het kijken in de spiegel verafschuwt en beschrijft als “'s nachts hardhandig gemaltraiteerd”. Het geboorte-uur van zijn onvermijdelijke neergang kan precies worden aangegeven: 13 februari 1945, de dag dat de toen nog onbeschadigde barokstad Dresden, volgepakt met vluchtelingen, door geallieerde vliegtuigen werd platgebombardeerd. Alfred Dorn overleeft met zijn ouders de vernietiging van de stad. Zijn grootouders komen om in de allesverzengende vuurzee, die na het bombardement door Dresden giert.

Vanaf dat moment strijdt Alfred Dorn tegen de vergankelijkheid. Hij verdedigt zijn jeugd tegen heden en toekomst. Zoals Walser in een interview bondig heeft gezegd: “Hij weert zich tegen het leven omdat het naar de dood leidt.” Het betekent dat degene die aan het begin van zijn bestaan heeft gestaan, zijn moeder, de centrale figuur is in Alfred Dorns leven. Wat zijn moeder heeft aangeraakt is voor Alfred heilig, haar woorden zijn de enige met onbeperkte geldigheid, haar strelende hand is zijn enig geluk.

Die Verteidigung der Kindheit is ook de roman van een extreme liefde tussen moeder en zoon, van een hysterische symbiose die ten slotte Alfred Dorns leven in de werkelijkheid onleefbaar maakt. Hij verwaarloost zijn studie omdat hij voor zijn zieke moeder wil zorgen, hij maakt geen vrienden, zijn seksuele leven bestaat uit onanie en een panische angst om voor homoseksueel te worden aangezien.

Alle adviezen om zich van zijn moeder wat los te maken, stuiten bij Dorn op totaal onbegrip. “Nog nooit had iemand hem kunnen uitleggen waarom hij de band met de énige mens, die het volmaakt goed met hem bedoeld had, zou hebben moeten afbreken, alleen maar om dan in staat te zijn zich aan mensen te binden, die het met hem alleen maar zó goed konden menen als hun eigenbelang hen toestond.”

Prullaria

Ook als zijn moeder dood is, raakt Alfred niet bevrijd. Een enorm grafmonument met het weinig verhullende opschrift MUTTER houdt hem tijden lang bezig en als hij ten slotte in Wiesbaden een uitzichtsloze ambtelijke carrière nagaat blijft hij een groot deel van zijn vrije tijd spenderen aan het zoeken naar foto's, documenten, meubels, kleren en prullaria die ooit zijn jeugd met Mutti hebben gestoffeerd. Van de grote verwachtingen, die Alfred als intelligent kind met pianistisch talent had gewekt is alleen nog zijn plan overgebleven om alle bijeengegaarde memorabilia ooit ten toon te stellen in het "Alfred Dorn Museum'.

Dat museum komt er niet, maar toch is het in zekere zin tot stand gebracht, namelijk door Martin Walser. Dorn blijkt echt te hebben bestaan. Zijn collectie brieven, foto's, kaarten enz. is in 1988 door twee dames bij Walser gebracht met de mededeling dat deze nalatenschap van een eenzaam gestorven hogere ambtenaar zou moeten worden vernietigd, als niemand, ook een schrijver als Walser niet, er belangstelling voor zou hebben. Walser had belangstelling. Een jaar lang dook hij onder in de sintels van Dorns leven en raakte gefascineerd, voelde zich verwant en verbonden met Dorn. Na uitvoerig onderzoek in Berlijn en de DDR moest hij de biografie, dit Deutsche Schicksal in de twintigste eeuw, schrijven.

Walser viel niet voor de verleiding het kleine leven van Dorn, de fanaticus van het verleden, af te zetten tegen een breed geschilderd decor van grote historische gebeurtenissen. Het bombardement op Dresden, de opstand in Berlijn van 1953, de bouw van de muur, de Cubacrisis, zij komen voor in het boek, zoals zij in het leven van Dorn moeten zijn voorgekomen: als hinderpalen bij het bezoeken van zijn moeder, als lastige inbreuk van de actuele wereldgeschiedenis op een leven dat minutieus de vergankelijkheid bevecht.

Uitvoerig en dodelijk beschrijft Walser de onmenselijkheid en het formalistische getreiter van de Oostduitse autoriteiten tegenover de "uit de DDR gevluchte Dorn'. Steeds weer worden belemmeringen opgeworpen voor de "levenslijn moeder-zoon' tussen Dresden en West-Berlijn. De DDR is Alfreds vijand omdat zij hem bij zijn moeder weghoudt. Dat is de hoofdzaak.

Politiek heeft de naar het verleden gekeerde Dorn ultraconservatieve denkbeelden, maar die komen meer voort uit wereldvreemdheid en scepsis tegenover elke toekomstgerichte progressiviteit dan uit enig maatschappelijk engagement. Ook in het westen voelt Dorn zich verloren. De consumptiesamenleving zegt hem weinig, hij zoekt liever afleiding in bioscopen, zijn werk bij de Wiedergutmachung doet hij keurig en als Pietje Precies voert hij nauwgezet de criteria uit, waaraan de joodse slachtoffers van Hitlers moordmachine moeten voldoen om voor hun niet goed te maken leed een vergoeding te krijgen.

Tussen al zijn tijdrovende, met uren telefoneren gepaard gaande preoccupaties door "werkt' Alfred aan nog een ander uitzichtloos project. Hij wil een boek, zijn levenswerk, schrijven over Heinrich Reichsgraf von Brühl, de eens zo machtige minister-president van Saksen in de achttiende eeuw (overleden 1763), wiens financiële onregelmatigheden een stralende carrière en een immens vermogen in aanbouw in diskrediet brachten. Voor Dorn een bijna voor de hand liggende keuze. “Saksische geschiedenis lezen is er op verdacht zijn dat het niet goed afloopt”, schrijft Walser en Dorns Saksische held past maar al te goed in een traditie, die de bekendste koning van dat land, de kunstminnende August III, al zijn oorlogen deed verliezen.

Verkreukelden

Die Verteidigung der Kindheit wordt door Walser gepresenteerd als "roman' en zo moet hij dan ook worden opgevat, ook al heeft de schrijver intussen laten weten dat zijn boek gebaseerd is op authentieke gegevens over het leven van een man, die Walser Alfred Dorn heeft gedoopt. Maar een biografie is het duidelijk niet. Er is veel Walser in het boek: in zijn keuze van en sympathie voor de verkreukelden der aarde, zijn kritische houding tegenover staat en samenleving, zijn verwondering over de vormen die liefde tussen mensen kan aannemen, zijn belangstelling voor de competitie in de mannenwereld, waar Alfred Dorn zich niet in kan oriënteren en waarin hij niet mee kan komen.

Walsers identificatie met Alfred Dorn, wiens egocentrische levensdocumentatie slechts door een toeval op Walsers drempel is beland, lijkt vaak totaal. Daaraan zal hebben bijgedragen dat ook Martin Walser de zoon was van een al jong, door de vroege dood van de vader, alleen achtergebleven moeder en dat ook Walser, als schrijver aan zijn Bodenmeer, een eenzame strijd voert tegen de onverdraaglijke werkelijkheid. Literatuur is voor hem, hij heeft het in meer dan een interview gezegd, het middel om door verheerlijking van het verleden het werkelijke leven draaglijker te maken, een hogere kwaliteit te geven. Dat is ook wat Alfred Dorn tevergeefs probeerde. Hij is het mislukte alter ego van de succesvolle auteur Martin Walser.

De zwakke kanten van de roman, die verder als een hoogtepunt in Walsers oeuvre moet worden gezien, hebben met de historische authenticiteit van de hoofdfiguur en Walsers verbondenheid met hem te maken. Het leven schept soms clichés, die een eerste-klasschrijver zich niet zou permitteren. Doordat Walser zich aan de ware levensgeschiedenis van Dorn houdt zijn er stereotiepe wendingen die storen. Als de van zijn moeder voor een andere vrouw weggelopen vader van Alfred zijn zoon voor de zoveelste keer maant wat manlijker te zijn, achter de meiden aan te gaan en eindelijk eens wat meer man te worden om daarna de moeder er de schuld van te geven dat hij zo'n moederszoontje is geworden omdat zij hem met haar opvoeding "verwekelijkt' heeft lijkt de tekst zo aan een boekje Freud voor het hele Gezin ontleend.

Psychopaat

De laatste zestig bladzijden van het boek verhalen van een nieuwe, ellendige wending in Alfred Dorns leven, waar ook geen auteur van fictie op gekomen zou zijn: Dorn ontmoet op het station in Dresden een psychopaat, die de plaag wordt van zijn laatste levensjaren. Richard Fasold, in de twintig en zogenaamd huisschilder en behanger, bombardeert na deze ontmoeting Dorn met brieven en telegrammen en weet hem, de weerloze goedzak en zwakkeling, duizenden marken uit de zak te kloppen.

Natuurlijk verschijnt hij op een dag in West-Duitsland: het DDR-regime maakt korte metten met hinderlijke halve garen en schuift Fasold bij de eerste gelegenheid af naar de "uitbuitersstaat'. Dorn laat zich finaal uitkleden. Hij steekt zich in de schulden om Fasolds auto, zijn operaties, zijn duur schadegedrag te kunnen financieren. Steeds besluit hij met hem te breken zodat Fasold "op eigen benen leert te staan'. Maar het verknipte moederszoontje brengt het niet voor elkaar.

Als Dorn in 1987 plotseling overlijdt is de Fasold-tragedie nog in volle gang. Ook deze aanhang aan Dorns levensverhaal zou Walser niet hebben opgeschreven als zij niet waar gebeurd was. Zij voegt weinig toe aan het beeld van Dorn en dat het DDR-regime tot elke bureaucratische onmenselijkheid in staat was die men zich maar bedenken kan was in de voorafgaande 460 pagina's al duidelijk geworden.

Die Verteidigung der Kindheit wijkt nog in twee andere aspecten af van Walsers verdere werk. Lange zinnen ontbreken bijna geheel in de nieuwe roman. Het boek is in een korte, puntige stijl geschreven, die soms in hijgerigheid ontaardt, maar meestal effectief is en het boek veel toegankelijker maakt dan men bij de eerste waarneming van ruim 500 pagina's, praktisch zonder dialogen, zou vermoeden. Bovendien ontbreekt de ironie, tot nu toe de peper van Walsers stijl. Dit betekent alleen niet dat het boek doodernstig is. Men kan het eigenlijk niet lezen zonder steeds weer te grinniken, soms vertederd soms geërgerd, maar zelden onberoerd. Of is dat alleen de ervaring van een recensent, die zelf ook ijzersterke papieren als moederszoontje kan overleggen?

Hoe dan ook, Walser heeft met Die Verteidigung der Kindheit een wonderlijk en intrigerend boek geschreven. Een kroniek van leven in Duitsland in de twintigste eeuw, een "case-history' van extreme moederliefde, een minutieus gedetailleerde beschrijving van een tot mislukken gedoemde poging de tijd uit te schakelen en het verleden te betrappen. "Mutti' is daarbij de centrale instantie. Zij staat niet aleen voor Alfred Dorns binding aan zijn oorsprong, maar ook voor de Duitse band met het verleden. Maar Mutti kan, wat de Dorns en de Walsers in navolging van Proust ook aan koestering mogen doen niet overleven. Zij ligt ten slotte begraven onder een potsierlijk grafmonument, waaruit de centrale figuur: een lammetje met geheven voorpoot door grafschenners wordt weggestolen.