Maarten van Nierop over het Humanisme; Het slechtste spreekwoord is: alles begrijpen is alles vergeven

Het humanisme ligt onder vuur, zegt de filosoof Maarten van Nierop. En niet ten onrechte. Het humanistische mensbeeld is toe aan herziening. In Leiden treedt Van Nierop vandaag officieel aan als bijzonder hoogleraar in de wijsgerige antropologie en de grondslagen van het humanisme, een leerstoel die is ingesteld door de stichting Socrates van het Humanistisch Verbond. Een gesprek over zijn kritiek op het humanisme, over zijn pleidooi voor radicale scepsis, over post-modernisme, filosofische kitsch en wat hij noemt: de hogere domheid van de libertijn.

De inaugurele rede "De hogere domheid van de libertijn; humanisme tussen Verlichting en postmoderniteit' wordt uitgegeven door de huisdrukkerij van de Rijksuniversiteit Leiden.

Een Etruskische sfinx siert de muur van het sobere verpleegsterskamertje dat Maarten van Nierop tot kantoor dient. “Een portret van een filosoof zou ik nooit aan de muur hangen”, zegt hij. Heidegger staat in een hoekje tegen een kast geleund. In het zusterhuis van het voormalige Binnengasthuis, hartje Amsterdam, is de filosofische faculteit van de Universiteit van Amsterdam gevestigd, waar Van Nierop doceert. Door het open raam waaien van de belendende theaterschool flarden pianomuziek naar binnen, als vrolijke relativeringen bij de zwijgzame ernst van de filosofen. Van Nierop (52), houdt niet zo van die loden ernst, hij heeft het raam graag open.

“Mijnheer de rector magnificus, zeer gewaardeerde toehoorders. Hoeveel zaaks zijn wij eigenlijk?”, vraagt hij vandaag retorisch aan het begin van zijn inaugurele rede in het Leidse Groot Auditorium. Om daar even later op te laten volgen: “Wij zijn niet veel zaaks, in elk geval heel wat minder dan wij denken. Dat is een boodschap die vanuit de pessimistische, cynische, sceptische onderstroom van onze cultuur door de eeuwen heen steeds is vernomen. De ervaring van het absurde, het zinloze, het toevallige en het vergeefse, het pijnlijke en gruwelijke, het onverbeterlijke en ijdele aan het menselijk bestaan, het redeloze en doelloze ervan, die ervaring bood taaie weerstand tegen de hoopvollere, lichtere, van meer zelfvertrouwen getuigende, een betere toekomst verwachtende visies. Overal waar van menselijke grootheid werd gesproken, fluisterde of riep er wel een filosoof, een tragicus of een homo religiosus tegenin: "ellende'.”

Het humanisme, zegt Van Nierop, geeft zich onvoldoende rekenschap van die dubbelheid in de menselijke conditie. Naast de grandeur van de mens als zelfstandig denkend en met rede begiftigd wezen, is er ook de misère van de mens als nietig, irrationeel, onwaardig, lachwekkend of tragisch wezen. Aan die ambivalentie mag geen humanisme dat de moeite waard is voorbij gaan. Anders laat de ongelovige dat grote gebied wel erg makkelijk aan wereldbeschouwingen die bij zulke negatieve aspecten van ons bestaan wèl stilstaan, die er troost en vergeving voor bieden en zelfs verlossing ervan in het vooruitzicht stellen: de kerken. Moet het humanisme, dat zo'n belangrijk bestanddeel van de Verlichting is, zich dus maar aansluiten bij de kritiek op diezelfde Verlichting?

Naïveteit

“Aan de waarden van de Verlichting ben ik zeer gehecht”, verzekert Van Nierop met nadruk. “Vrijheid, gelijkheid, tolerantie, menselijkheid: wie zegt dat daar niemand tegen kan zijn, wenst noch het heden noch het verleden te kennen. Ook de beginselverklaring van het Humanistisch Verbond, vind ik heel mooi en behartigenswaardig geformuleerd. Ik hou wel van die formuleringen die nog iets van de naïveteit van de Verlichting hebben. Maar het is me te beperkt, te eenzijdig.

“Die beginselverklaring noemt wezenlijk voor de mens diens “vermogen tot onderscheidend oordelen, waarvoor niets of niemand buiten hem verantwoordelijk kan worden gesteld”. Het is een mensbeeld van eigen beslissingen, waarin de autonomie van het zelfbewuste individu centraal staat. Maar die autonomie blijkt niet te bestaan, dat hebben we niet alleen van Schopenhauer en Nietzsche geleerd, maar ook van Freud en, je moet het nu bijna met enige schroom zeggen, van Marx.

“Het humanisme ligt, net als de Verlichting, in het schootsveld van de hedendaagse kritiek en bevindt zich in een filosofisch moeilijke positie. Al in de negentiende eeuw gebruikten de romantici Verlichting ook als negatieve term, als scheldwoord bijna. Pessimisten als Schopenhauer, die volstrekt niet geloofde in de fundamentele goedheid van de mens, verweten de Verlichting vlakheid, dorheid en rationele eenzijdigheid. Denk ook aan de man uit het ondergrondse van Dostojevski, die woedende filippica's houdt tegen de idealen van de nieuwe mens, waarin onberekenbaarheid, irrationaliteit en emotionaliteit onvoldoende aan bod kwamen - om het eens truttig te zeggen.

Windhonden

“In onze tijd is die Verlichtings-kritiek nog verhevigd, vooral in twee tendensen die doorwerken in het zogenoemde post-modernisme: de ene in de lijn van Heidegger, en de andere, waar ik sterker de neiging heb me bij aan te sluiten, in de lijn van Schopenhauer en Nietzsche. Vanaf de oudheid heeft in de hoofdlijn van de filosofie gegolden dat de rede de basis is van de menselijke vermogens. De menselijke aandriften kunnen daartegen wel in opstand komen, maar ze kunnen door de rede ook worden getemd. We moeten onze emoties temmen als waren het windhonden, zegt Descartes.

“Die positie van de rede gaat bij Schopenhauer en Nietzsche verloren. Zij draaien de hiërarchie om, en zeggen: de rede is slechts werktuig van aandriften. Een bepaalde diersoort, slecht toegerust voor het bestaan, heeft ooit zijn krediet sterk vergroot door de rede uit te vinden, zegt Nietzsche. Die diersoort heeft de merkwaardige neiging zich, zolang ze er is, voor het absolute middelpunt van het heelal te houden. Ach, zegt nog steeds Nietzsche, die uitvinding van de rede: een tijdelijke aangelegenheid. Als die diersoort weg is, dan zal er in de kosmos niets gebeurd zijn. Foucault, die sterk door Nietzsche beïnvloed is, schrijft: het is met de mens als met een tekening van een gezicht in het natte zand aan de rand van de zee. Een golf spoelt er overheen en het is verdwenen. Na de dood van God, de verkondiging van de dood van de mens. Je zou het het post-humanisme kunnen noemen.”

Er bestaan nogal wat misverstanden over de vraag wat Foucault en anderen met de dood van de mens bedoelden.

“Ze spreken sterk retorisch. Het gaat hen niet om de dood van het humane, in de zin van: leve de inhumaniteit, of: we moeten onszelf uitroeien. Ze nemen het op tegen het oude mensbeeld, met alles wat dat met zich meebrengt aan beheersing, ordening en hiërarchisering van de werkelijkheid. Dat mensbeeld, met zijn veel te sterke accentuering van de bewuste en redelijke aspecten van het menszijn, moet om zo te zeggen dood. En wat mij betreft: ten gunste van een ander, completer beeld van het humane.

Ook vanuit de New Age-filosofie wordt het erfgoed van de Verlichting gekritiseerd, op zoek naar een ander, rijker mensbeeld. Voelt u zich daarmee verwant?

Nee, ik denk dat dat een nabloei is van de romantiek. In sommige van die neo-romantische bewegingen zit een oprechte poging verwaarloosde aspecten in de industriële maatschappij meer aan bod te laten komen: lichamelijkheid, ritualiteit, nieuwe verhoudingen ten opzichte van planten en dieren, enzovoorts. Maar veel van dat soort kritiek op de rationaliteit komt eigenlijk uit de sfeer van het anti-modernisme.

Kitsch

“Zo wordt er veel over de grenzen van de rationaliteit gesproken van buiten af, door mensen die er geen donder vanaf weten. Van binnen uit zou zijn: je probeert zo rationeel mogelijk te zijn, en op een bepaald moment bemerk je dat je op grenzen stuit. Maar dat is wat anders dan al die mensen die van de zijlijn staan te roepen: kijk eens naar de rationaliteit, naar de wetenschap, hoe beperkt ze zijn! Dat gebeurt dan met een beroep op die andere aspecten van de humaniteit, die ik ook erkèn: onze lichamelijkheid wordt vergeten, of onze emoties worden vervlakt. Maar als er helemaal niet meer serieus naar de wetenschap en de rationaliteit wordt gekeken, als men van te voren al weet dat alle rationaliteit en berekening uitvindingen van een soort nieuwerwetse duivel zijn, dan vind ik dat filosofische kitsch.

Toch pleit u voor een radicale scepsis.

“Ik behoor tot diegenen die vinden dat er in de filosofie af en toe zaken worden bereikt die niet meer teruggedraaid mogen worden. Een van die dingen is het relativisme. Een radicale scepsis ten opzichte van absolute waarheden en normen is onontkoombaar geworden, na alles wat er in de afgelopen honderd jaar in de filosofie is gebeurd, na de grote afbraak van de zekerheden van kennis en moraal in de negentiende eeuw.

Dus alles is relatief, behalve het relativisme zelf? Bepleit u een absoluut relativisme?

Laten we zeggen een radicaal relativisme. Het humanisme dat ik voorsta zou je kunnen definiëren als een volstrekt relativisme op theoretisch niveau, vanuit het besef dat er geen absolute waarheden zijn, alleen perspectieven. Maar wij zijn levende wezens, en met zo'n volstrekt relativisme valt niet te leven. Op vitaal, praktisch niveau is het noodzakelijk standpunten in te nemen, zeker in noodsituaties, ook al weet je dat het maar standpunten zijn.

“Voor veel intellectuelen, de vrij zwevende intelligentsia, is de Tweede Wereldoorlog wat dat betreft een eye-opener geweest. Men besefte dat dat vrije zweven natuurlijk wel mooi was, maar dat er catastrofes gebeuren waarop je dan helemaal geen invloed meer kunt hebben - omdat je zo prachtig vrij aan het zweven was. Als de humanist iets zou moeten zijn, dan is dat volgens mij: een radicale relativist en scepticus, die niettemin stáát voor een reeks elementaire menselijke waarden.

Libertijn

“Nietzsche noemt wie geleerd heeft in die dubbele positie te leven "de vrije geest'. Ik zou er het oude Nederlandse woord "libertijn' voor willen gebruiken, ontdaan van zijn scheldwoordkarakter en connotatie van erotische vrijbuiterij. Het humanisme als libertinisme is dan: het naast elkaar bestaan van een lucide relativisme en de noodzaak van die luciditeit af te wijken door het innemen van een standpunt dat met standvastigheid verdedigd moet worden. Dat laatste zou je dan met Nietzsche "domheid' kunnen noemen, want je weet immers dat er geen uiteindelijke fundering of waarheid is. Maar het is een noodzakelijke domheid, een hogere domheid kan je zeggen, die zijn eigen beperktheid kent.”

Maar hoe kan de libertijn, die een radicale scepticus is, een volstrekte relativist, nog bepaalde waarden verdedigen? Hij weet immers dat wat hij verdedigt maar een perspectief is tussen andere perspectieven?

“Dat is ook niet eenvoudig. Aan de ene kant kun je het jezelf te gemakkelijk maken door te zeggen: ik moet nu eenmaal een standpunt innemen - en zo voorbij gaan aan het feit dat het "maar een standpunt' is te midden van andere standpunten. Dat doen al diegenen die een bepaalde positie innemen en anderen verketteren, al diegenen die zichzelf zien als uitverkorenen en zeggen dat de anderen hel en verdoemenis verdienen.

Eigen Wijze

“Aan de andere kant kun je het jezelf ook te gemakkelijk maken door een algemeen soort relativisme in je wereldbeeld op te nemen, dat leidt tot onverschilligheid. Dan kom je tot uitspraken als (hier slaat Van Nierop een galmende preektoon aan): Zijn Wij Niet Allen Onderweg Naar Hetzelfde? Wij Mensen, Die Toch Allen Geboren Zijn En Sterven Moeten? Wij Mensen, Elk Op Onze Eigen Wijze? Als je dat zegt, dan verwaarloos je volkomen wat er met die "eigen wijzes' aan de hand is. Daartussen bestaat een spanning. Dat zijn onze verschillende standpunten, en die moeten in hevige debatten verdedigd worden! Daarbij moet men, bij alle tolerantie die het relativisme met zich meebrengt, enige intolerantie niet schuwen.

“Op het ogenblik hoor je over van alles: ach, de strijd is toch al gestreden. Neem jij nog een standpunt in? Maak jij je daar nog druk over? Was er iets met je ouders aan de hand, dat je je zo nodig tegen die of die religie moet verzetten? De één gaat naar een voetbalwedstrijd, de ander naar de kerk, dat maakt toch allemaal niet zo vreselijk veel uit? Wij Zijn Toch Allen Loten Aan Dezelfde Stam? Standpunten worden op die manier toegedekt, voor onze cultuur is dat een kwade zaak. Over de plaats van religie in onze cultuur wordt eigenlijk nauwelijks gediscussieerd - daar komt maar narigheid van, vindt men al gauw.

“Scepticisme is in onze maatschappij wijd verbreid, maar dan zonder de druk om tòch een standpunt in te nemen en te verdedigen. Zelfs in de kerken zegt men: tja, wij noemen dat in onze kerk wel God, maar wat we daar nou helemaal onder moeten verstaan... De spanning is eruit, er is geen debat, ook op andere terreinen zie je dat.

“In de affaire-Rushdie waren er mensen die vanuit een bepaald relativisme zeiden: die veroordeling mag wel vreselijk zijn, maar dat ligt nu eenmaal besloten in de moslimcultuur. De gedachte dat je respect moet hebben voor de islam deel ik ten volle. En je moet alles proberen te begrijpen tot in het uiterste. Maar het slechtste spreekwoord is: alles begrijpen is alles vergeven. Juist als je alles probeert te begrijpen, er diep in door te dringen, komt er een punt waarop geen vergeving, geen standpuntloosheid meer mogelijk is. Want dan nader je de grenzen van wat je voor je eigen levenssituatie, voor de vitaliteit van je eigen cultuur nog voor je rekening kunt nemen. Dan komt er een moment dat je moet zeggen: er zijn westerse waarden waaraan ik vasthoud. Ik heb ze al niet absoluut genomen door die andere waarden te erkennen, en het s maar een perspectief, maar het is wel het mijne. Dat is de hogere domheid van de libertijn.”