Kunstwerken in de gevangenis; Het blijft hier grauw

“Er mag via het kunstwerk geen ontsnapping mogelijk zijn, men moet zich niet in of achter het kunstwerk kunnen verstoppen en er mogen geen scherpe voorwerpen aan zitten die gedemonteerd zouden kunnen worden.” In alle nieuwe Nederlandse gevangenissen staan en hangen kunstwerken die aan deze eisen voldoen. Hoe zien ze eruit? Wat vinden de gevangenen ervan? Hoe denken de kunstenaars over een dergelijke opdracht?

Ik ga naar het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ik kijk er naar een monochroom van Yves Klein uit de vaste collectie van het museum. Geheel vrijwillig staar ik een minuut lang in het blauw dat zijn naam is gaan dragen. Daarna probeer ik me in iemand anders te verplaatsen. Hij is volwassen (dat betekent ouder dan 23 jaar) en langgestraft (dat wil zeggen met een vonnis van zes maanden of langer) en hij zit zijn straf uit in de Penitentiaire Inrichting Esserheem in Veenhuizen, 15 kilometer ten westen van Assen. Door het raam van zijn cel kijkt hij naar een kleine binnenplaats. Tussen de tralies door ziet hij een beeld van Shlomo Korèn.

Dat Korèn dit beeld heeft gemaakt, weet hij waarschijnlijk niet. Er staat geen naambordje bij. Het beeld is gemaakt van graniet. Het lijkt op een brug die is gebroken. De gedetineerden kunnen de brug alleen door ramen zien, vanuit de leefruimtes van afdelingen L en K door tralies, vanuit de overdekte "flaneergang' die aan de grote binnenplaats grenst door kleine glazen vierkanten. Hetzelfde geldt voor de PIW-ers (Penitentiaire Inrichting Werkers) en de rest van het personeel. De binnenplaats is voor niemand toegankelijk. Kijken de gebruikers van het gebouw graag naar het beeld? “U zult versteld staan van de ereplaats die het hier gekregen heeft”, zegt de plaatsvervangend directeur Ton Vroon door de telefoon. Over het kunstwerk laat hij zich niet uit. “Ik heb hier nog nooit iemand voor die raampjes zien staan om naar het kunstwerk te kijken”, zegt Peter Boomsma, de voorlichter van de gevangenis, die me een paar dagen later een rondleiding geeft. “Zie je die prullenbak?”, vraagt Rob, een van de 238 gedetineerden in Esserheem, die op een bankje op de binnenplaats zit te zonnen. “Dat is ook kunst.” “Dit is kunst”, zegt Frans en hij wijst naar de portrettekeningen van jonge vrouwen die in zijn cel hangen. “Mij boeit het niet”, zegt een PIW-er die de binnenplaats bewaakt. “Van het geld dat die kunst gekost heeft, hadden ze beter extra portofoons kunnen kopen.” Frans denkt eerder aan een fitness-ruimte.

Een gevangenis is een rijksgebouw. Sinds 1951 horen bij rijksgebouwen kunstwerken. In dat jaar trad de percentageregeling in werking, die bepaalt dat ongeveer anderhalf procent van de bouwsom kan worden besteed aan de decoratieve aankleding van nieuwe rijksgebouwen. Ook Rijksgebouwen die ingrijpend zijn verbouwd of uitgebreid, zoals de gevangenis Esserheem, krijgen een kunstwerk. Het beeld van Shlomo Korèn kostte 93.000 gulden.

Bij de Rijksgebouwendienst in Den Haag bestaat sinds 1974 een adviesgroep van drie beeldend kunstenaars die zich bezighouden met de uitvoering van de regeling. De afgelopen vier jaar zijn er in Nederland negen nieuwe gevangenissen gebouwd, in Arnhem, Avereest, Grave, Hoogeveen, Leeuwarden, Rotterdam, Sittard, Vught en Hoorn. Ze hebben allemaal een of meer kunstwerken binnen de muren gekregen. De procedure is bij gevangenissen iets anders dan bij de meeste rijksgebouwen. “Omdat justitie niet wil dat de randvoorwaarden openbaar worden gemaakt”, vertelt Frans van Bommel, adviseur voor de regio Noord, “kan er niet met open inschrijving gewerkt worden.” Uitgebreide beschrijvingen van de plattegrond van een gevangenis mogen niet zomaar gepubliceerd worden. Dus draagt de adviseur na gesprekken met de architect en de directeur van de gevangenis een kunstenaar voor. De kunstenaar die de opdracht aanneemt moet ook met een aantal specifieke eisen rekening houden. Welke dat zijn, vraag ik Van Bommel. “Dat kunt u zelf ook wel bedenken: er mag via het kunstwerk bij voorbeeld geen ontsnapping mogelijk zijn, de gedetineerden moeten zich niet in of achter het kunstwerk kunnen verstoppen en er mogen geen scherpe voorwerpen aan zitten die gedemonteerd zouden kunnen worden.”

Ontoegankelijk

In Esserheem is aan die eisen ruimschoots voldaan. Het beeld van Korèn staat op een kleine binnenplaats die ontstond toen tussen de uiteindes van de twee vleugels van het u-vormige gebouw een nieuw cellenblok werd geplaatst. Het beeld van Korèn staat in de rechterpatio. In de linkerpatio staat een kunstwerk van Tonneke Sengers. Zij heeft de ommuurde ruimte tot kniehoogte met water laten vollopen. Op de rand van een stenen eilandje in het water is een soort geabstraheerde skyline opgesteld. Ook voor dit kunstwerk hebben gedetineerden noch personeel een goed woord over.

Ook de plek waar de kunst terecht is gekomen, bevalt hen niet. Als er kunst is, willen ze haar wel kunnen zien. Waarom staan de kunstwerken niet op de binnenplaats, tussen de hoge bomen? “In de piramides lagen ook fantastische dingen waar niemand bij kon”, zegt Bernard Olsthoorn, een van de drie adviseurs van de Rijksgebouwendienst die achtereenvolgens bij het project in Esserheem waren betrokken. “Een kunstwerk hoeft niet altijd op de spectaculairste plek te staan, je kunt ook kiezen voor geheimzinnigheid.” De kunstenaar, Shlomo Korèn, vindt het wel jammer dat zijn beeld op zo'n ontoegankelijke plek staat. “De ramen in de muur van de corridor waren veel groter gepland”, zegt hij. De architect, Cor Kalfsbeek, legt uit dat de ramen door de strenge veiligheidseisen van justitie steeds kleiner werden. Kalfsbeek zegt dat we de patio's nu maar als een soort kijkkasten moeten zien.

De gedetineerden en PIW-ers in Esserheem reageren zo schamper op de kunstwerken dat het me moeite kost te bedenken waarom de percentageregeling ook weer in het leven is geroepen. Ter verfraaiing van gebouwen en als middel om kunstenaars aan opdrachten te helpen, verder kom ik niet. “De bedoeling van de regeling is om de beeldende kunst van vandaag te laten zien”, zegt adviseur Oltshoorn. “Het gaat om het creëren van sfeer”, zegt architect Kalfsbeek. “De adviseurs en kunstenaars hoeven geen rekening te houden met het feit dat het werk in een gevangenis geplaatst wordt”, zegt Frans van Bommel. “Het kunstwerk heeft een eigen waarde, het moet geen illustratie worden, of een sociologisch verhaal.” Shlomo Korèn vertelt dat hij de opdracht kreeg een autonoom beeld te maken, maar dat gesprekken met gedetineerden hem in de schetsfase wel beïnvloed hebben. “In de brug is een soort tunnel uitgespaard en er staat een huis op. De brekende brug is symbolisch ook wel in verband te brengen met de situatie van de gevangenen.” “Het kunstwerk moet een directe relatie hebben met de architectuur, het moet daar een zinvolle aanvulling op zijn”, meent Frans van Bommel.

In het formuleren van opdrachten aan beeldend kunstenaars blijkt die laatste opmerking het meeste houvast te bieden, al zijn de omschrijvingen niet altijd even helder. Voor het huis van bewaring in Hoorn, een ontwerp van ir. J.C. Putter, luidde de opdracht aan de kunstenaar als volgt: “De binnenplaats die gebruikt wordt als luchtplaats een eigen identiteit en beleving geven door vorm te geven aan het vloerpatroon en door middel van beeldtaal en materiaalgebruik een environment te vormen.” Het budget was 115.000 gulden.

Marc Ruygrok voldeed aan de opdracht door op de rand van een cirkel schelpengrind een lichtblauwe, metalen schotel te plaatsen. Aan de andere kant van de cirkel staat een bronzen halve bol, met in het midden een groen gekleurde uitsparing. De twee vleugels waarin de 192 gedetineerden zijn onderbracht, zijn met elkaar verbonden door een loopbrug met goed uitzicht op het kunstwerk. De gedetineerden zitten op de rand van de blauwe schotel. De uitsparing in de halve bol is gevuld met water. “Vogels gebruiken de bol als badje”, zegt Kees Troost, mijn gids in deze gevangenis. “Sommige gedetineerden bewaren wat brood om het hier aan de vogels te voeren.” De idylle zou nog zijn versterkt door een rijtje bomen aan de rand van de cirkel, maar bomen willen op de binnenplaats niet groeien, zegt Troost.

Marsmannetjes

Het kunstwerk wordt door gedetineerden en personeel de UFO genoemd. “Voor de onthulling van het beeld had het personeel twee marsmannetjes van karton gemaakt en die op de rand van de schotel gezet.” Marc Ruygrok zegt dat zijn kunstwerk niet op een UFO moest lijken. “Een gevangenis is een tredmolen, een benauwende omgeving. Daarom heb ik een dynamische vorm gemaakt.” Hij heeft er geen moeite mee dat de gebruikers de vorm zo interpreteren. Ook dat de gedetineerden op zijn kunstwerk gaan zitten vindt hij best.

Binnen in de gevangenis is nog meer kunst. Herman Kuyer ontwierp voor de betonnen rand die de verschillende verdiepingen met cellen van elkaar scheidt een band van gekleurde rechthoeken. Peter Koorstra, de adviseur van de Rijksgebouwendienst bij dit project, vertelt: “De architect van deze gevangenis was heel terughoudend in het kleurgebruik. De beeldende kunst zou in dit geval de kleur kunnen inbrengen.” Directeur Hage vindt dat de kunst de afdelingen opfleurt. Gedetineerde Oscar gebruikt hetzelfde woord, al vindt hij dat de muren nog wel meer kleur kunnen gebruiken. “Het blijft hier grauw.”

Ook het beeld op de binnenplaats vindt hij ondanks het felle blauw te saai. En hij kan niet zien wat het voorstelt.

Adviseur Bernard Olsthoorn maalt er niet om of degenen die deze kunstwerken elke dag zien, ze waarderen. “Toen het beeld Verwoeste Stad van Zadkine in Rotterdam werd geplaatst, waren de Rotterdammers het liever kwijt dan rijk. Nu wil geen Rotterdammer het meer weg hebben.”

Oscar heeft posters van "voetbal en naakte vrouwen' in zijn cel hangen. Rob uit Esserheem vindt Carel Willink een echte kunstenaar. Een van de PIW-ers in Hoorn zegt dat hij de kunst op zijn werkplek eigenlijk niet meer ziet. “Het is hetzelfde als met het schilderijtje thuis boven de bank. Het hangt er al jaren, maar je moet me niet vragen wat er op staat.” Maar hij geeft toe dat het wel gezellig staat, die kleurtjes.

Brontosaurus

In de gangen van het huis van bewaring in Arnhem, om de blauwe strepen op de gevel de "Blueband' genoemd, zie ik wat voor kunst de gedetineerden zelf maken. Het aanbod is gevarieerd, van een potloodtekening van een man achter een schutting waarop "freedom is never far away' geschreven staat tot een geairbrushte brontosaurus. Volgens John Wekking, hoofd van het Sociaal Kulturele Werk, had men de hele gevangenis beter door de gedetineerden zelf kunnen laten verfraaien. “Dat is ook veel goedkoper.” Wie het beeld op het dak en op de vier binnenplaatsen heeft gemaakt, weet hij niet. Hij waagt er een telefoontje aan. “Ene Gerrit uit een psychiatrische inrichting”, meldt de andere kant. Een tweede telefoontje heeft wel resultaat: de kunstenaar is Han Schuil. Om te laten horen wat de gedetineerden vinden van Schuils kunstwerken, roept Wekking Frits, Huub en Joop naar zijn kantoortje. Hun opvattingen komen volgens Wekking overeen met die van alle 203 gedetineerden. Frits en Huub vinden er niks aan. De beelden vallen helemaal niet op bij dit strakke gebouw, zeggen ze. Kunst moet een beetje gezelligheid brengen, maar dat doen de werken van Schuil niet. “Ik zie er ook niets in”, zegt Frits. “Als je zegt "het is een hond' dan zal het wel een hond wezen, als je zegt "het is een flat', ook goed, dan is het een flat.” Joop vindt dat de kunst heel goed bij het gebouw past. “Je kunt hier geen ruiterstandbeeld neerzetten.” Toch waardeert ook hij het werk van Schuil niet, hij prefereert Escher, Willink en Jopie Huisman. Joop schildert zelf ook. “Een tijdje geleden vroeg de Crea coördinator of ik een hele grote wasknijper op de muur wilde schilderen.” Joop wilde dat niet. “Je moet hier iets maken wat hij en hij mooi vinden”, zegt Joop terwijl hij naar Huub en Frits wijst. “Ken je Joop Klepzeiker? Die, heb ik tegen de Crea coördinator gezegd, wil ik wel voor je schilderen.”

Ik zie de beelden van Han Schuil pas na het gesprek met de drie gedetineerden. Ik vind dat ze helemaal niet bij het gebouw passen en dat is een compliment. Het zijn dunne metalen platen, half wit en oranje, half oranje en groen, half oranje en geel. In hun vorm lijken de platen een gevecht te voeren tussen strak en rond, recht en golvend. Geometrische bloemen. Ze staan er wat verloren bij, maar ze zijn het enige mooie in de omgeving. Wat moet ik nu denken? Paarlen voor de zwijnen? Smaken verschillen? Adviseur Koorstra denkt dat de kunstwerken door de gedetineerden toch erg gewaardeerd worden. “Ze beseffen dat er aandacht wordt besteed aan hun omgeving, en dat stellen ze op prijs. Waar je dat aan kunt merken? De kunstwerken worden niet vernield.”