Inspraak in multinationals nog altijd niet geregeld in EG

MAASTRICHT, 27 SEPT. Zou het de Europese Gemeenschap meer dan tien jaar na de mislukte lancering van de "Vredeling-richtlijn' alsnog lukken iets te regelen over de inspraak van werknemers in Europese bedrijven? De urgentie is, aldus minister De Vries (sociale zaken) gisteren op een bijeenkomst van het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV), sindsdien alleen maar toegenomen.

Grensoverschrijdende rationalisering, verplaatsing van produktie, inkrimping of sluiting van vestigingen zijn aan de orde van de dag, maar op het boven-nationale niveau is over het informeren en consulteren, laat staan over inspraak, van de betrokkenen nog steeds niets geregeld als gevolg van verdeeldheid tussen de lidstaten. “We hebben te maken met een Europees medezeggenschapstekort”, aldus De Vries.

In het gunstigste geval worden nationale werknemers-vertegenwoordigers op grond van de bestaande nationale medezeggenschapsregels betrokken bij de nationale gevolgen van besluiten van multinationals. Maar ook als de concernleiding welwillend tegenover internationaal overleg tussen deze vertegenwoordigers - zoals bij Volkswagen dat sinds vorig jaar faciliteiten beschikbaar stelt en reiskosten vergoedt - dan nog blijkt formalisering van de betrekkingen op grote weerstand te stuiten. “We hebben de ruggesteun van een Europese richtlijn absoluut nodig om verder te komen”, zei M. Kuballa van de Europese Ondernemingsraad van Volkswagen (in oprichting).

Vorig jaar november nam de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EG, een nieuw initiatief om het gesignaleerde gat te dichten. Ze stelde een ontwerp-richtlijn op over de oprichting van Europese ondernemingsraden (Euro-OR) in concerns met een communautaire dimensie. Het Europees Parlement was er in overgrote meerderheid mee ingenomen. En met uitzondering van Groot-Brittannië zegden alle lidstaten het initiatief in beginsel steun toe. Daarmee was aan het Nederlands EG-voorzitterschap de taak het voorstel panklaar te maken voor besluitvorming in de Europese Raad.

In de ontwerp-richtlijn over de Euro-OR gaat het om minimumvoorschriften. De kern is dat werknemersvertegenwoordigers uit verschillende lidstaten die bij hetzelfde concern werken het recht krijgen om ten minste één keer per jaar geïnformeerd en geraadpleegd te worden over voor werknemers "belangrijke bedrijfsaangelegenheden met een grensoverschrijdende dimensie'.

Europees commissaris Bruce Millan (regionaal beleid) onthulde op de EVV-bijeenkomst dat de Commissie vorige week enkele wijzigingen in het oorspronkelijke voorstel heeft aangebracht. De belangrijkste betreft de omschrijving van de categorie bedrijven die een Euro-OR moeten krijgen. Ging het aanvankelijk om concerns met meer dan 1000 werknemers en ten minste twee vestigingen met meer dan 100 werknemers in verschillende lidstaten, nu slaat de ontwerp-richtlijn op bedrijven met meer dan 1000 werknemers en ten minste 100 werknemers in twee lidstaten.

Verder was geen maximum genoemd voor het aantal leden van de Euro-OR. De Commissie stelt nu voor dat dit er niet meer dan 30 moeten zijn. En ten slotte is nauwkeuriger omschreven wat zoal onder "belangrijke bedrijfsaangelegenheden' moet worden verstaan: reallocatie, fusie, sanering of sluiting en verandering in de organisatie van arbeid of produktie. Met deze amendementen is volgens Millan in belangrijke mate tegemoet gekomen aan de bezwaren van het Europese Parlement en van de Europese vakbeweging, hij acht hiermee het pad geëffend voor afrondende besluitvorming door de Raad van ministers (het Franse staatshoofd en de elf regeringsleiders). In de praktijk betekent de richtlijn dat circa duizend bedrijven met samen ongeveer 10 miljoen werknemers een Euro-OR zouden krijgen. Dat is minder dan 1 procent van het aantal bedrijven in Europa en minder dan 10 procent van de totale Europese werkgelegenheid.

Hoewel minister De Vries zei hoopvol te zijn gestemd, waarschuwde hij toch voor al te veel optimisme. In de eerste plaats is daar het aanzwellende offensief van de Europese werkgevers (verenigd in de Unice) tegen de Euro-OR, die zij als ongewenst kind van Brusselse bureaucratie beschouwen. Zo laat voorzitter dr. R. Thüsing van de machtige Duitse werkgeversorganisatie DAV geen gelegenheid voorbij gaan de Commissie in deze kwestie “dilettantisme” voor de voeten te werpen. De Euro-OR is volgens hem zinloos en niets anders dan een instrument in handen van de vakbonden om hun internationale communicatie te verbeteren.

Bovendien kampt De Vries met het probleem dat de Britse regering tegen is. Zij wil niet verder gaan dan een (vrijblijvende) aanbeveling en blokkeert daarmee besluitvorming over de richtlijn die in de huidige EG-constellatie unanimiteit vereist.