Historie is ook een wapen in de burgeroorlog

Eén van de hevigste strijdtonelen in de afgelopen dagen van de burgeroorlog tussen Serviërs en Kroaten is de streek van Osijek in het oosten van Slavonië.

Het lijkt een paradox in een toch al van geschiedenis bezwangerd conflict: Osijek ligt in het diocees van de vroegere bisschop Strossmayer, een historische figuur in het cultureel nationalisme van Kroatië, maar eveneens van een groter Zuid-Slavië aan het einde van de negentiende eeuw. De kathedraal van het nabijgelegen Djakovo is, als ze er nog staat, zijn trotse erfenis. Strossmayers nalatenschap wordt letterlijk en figuurlijk aan flarden geschoten. Het is (voorlopig) gedaan met een Zuidslavische verbondenheid, een variant van idealistisch panslavisme.

Joegoslavië heeft op de Balkan de kwalificatie gekregen, die vroeger voor het Habsburgse rijk werd gebruikt: een volkengevangenis. Het is bon ton geworden - ook in deze krant - om geloof in deze staatsconstructie voor achterlijk te verklaren en de Europese Gemeenschap te verwijten, dat ze nog in juli en augustus en dus te lang aan dit spookbeeld heeft vastgehouden en zo haar bijdrage tot de burgeroorlog heeft geleverd. Wie zo redeneert, is kort van memorie en van prognose. Tito's Joegoslavië heeft immers veertig jaar lang een aanzienlijke positie kunnen bekleden in de volkerengemeenschap, omdat het een zeker evenwicht kende tussen het ideaal van de "broederschap en eenheid' en de praktijk van de nationale tegenstellingen De afrekening met Tito's regime, wordt juist sterk gevoed door postume woede over zijn disciplinering van de verschillende vormen van nationalisme.

Het ligt bovendien in de lijn van een Europese ontwikkeling, dat na het huidige spektakel van bloed en tranen een Zuidslavische collectiviteit op een of andere wijze zal terugkeren. Slovenië en Kroatië begeren een lidmaatschap van de Europese Gemeenschap en dat geldt ook voor de andere (deel)staten op de Balkan. De consequentie daarvan zal zijn de afbraak van de zo juist opgeworpen (economische) grenzen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist de Europese Gemeenschap lang aan de Zuidslavische collectiviteit vasthield, want zulk een multi-nationale staatsvorm geldt in West-Europa als het model van de toekomst. Intussen hebben veel betrokkenen binnen en buiten het verdwijnende Joegoslavië zich bij een klaarblijkelijke achteruitgang van de geschiedenis neergelegd. De "Oostersche kwestie' is terug op de Europese agenda en net als in 1878 (Berlijn) of 1919 (Parijs) moet de diplomatieke oplossing van de gewekte tegenstellingen niet op de Balkan zelf, maar in Westeuropese hoofdsteden en bij "eerlijke makelaars' worden gezocht. De jaren na de Tweede Wereldoorlog worden als het ware teruggerold, de diverse Zuidslavische naties richten hun toekomst in naar beelden en bewustzijn uit de periode van 1914-1918 en het interbellum en kiezen hun wapens ook uit het arsenaal van de geschiedenis.

In de vorming van nieuwe staten is, naar een woord van Ernest Renan, de bedachte, foutieve of vergeten geschiedenis een essentiële factor. Het jonge Slovenië moest het nieuwe staatswapen in juni haastig verzinnen, terwijl Servië het uit een vooroorlogse oudheidkamer kan terughalen In Kroatië hebben de kenners van de heraldiek zich niet alleen kunnen uitleven in de uitvinding van een vernieuwd rood schaakbord (het staatswapen met kronen) maar ook in de aankleding van een erewacht voor het paleis van de president in Zagreb. Het Servo-Kroatisch, de "lingua franca' van het oude Joegoslavië, is deze zomer door besluit van de parlementen van Servië en Kroatië officieel gescheiden in de Servische en de Kroatische taal. De breuk in deze grammaticale eenheid gaat gepaard met een bewust streven de woordenschat door Kroatische neologismen te nationaliseren en met een Servisch voornemen de Cyrillische schrijfwijze nationaal verplicht in te voeren.

Dit nationalisme op cultureel gebied lijkt onnozel in vergelijking met de gewelddadigheden over de toekomstige grenzen van de Zuidslavische staten. De geschiedenis is hier opnieuw een bakermat van diverse legitimaties. De extreem nationalistische partijen in Kroatië en Servië hebben hun agitatie van historische titels voorzien. De Serviër Seselj heeft het Servische geuzenverzet van de Cetnici uit het nationale verleden teruggeroepen en zijn politieke partij "radicaal' genoemd naar premier Pasic , de "Clemenceau' van Servië uit de Eerste Wereldoorlog.

De laatste dagen is in Kroatië het bestaan van de Partij van het Recht bekend geworden, die teruggaat op de fascistische leider Pavelic en waarvan de aanhangers een Kroatië opeisen van de omvang van bijna alle vroegere Habsburgse bezittingen in Zuid-Slavië.

Dit extremisme is in het huidige nationalistische klimaat een zware hindernis voor de concessies van gematigden. In het hedendaagse politieke spraakgebruik wordt het samengevat in de term "Groot-Kroatië', terwijl er van de kant van de Servische cetnici sprake is van aspiraties van een "Groot-Servië'. Deze toevoeging heeft een slechte betekenis, vooral wanneer de Duitse pers over "Groot-Servië' schrijft. Maar ook een enkele Nederlandse commentator pleegt op deze wijze Servische aspiraties af te straffen, terwijl in diezelfde taal de variant van een Groot-Nederlandse denkwijze zulke pejoratieve betekenissen niet meer oproept. Dat laatste mag te denken geven. Het is in ieder geval een reden voor enige relativering in de politieke woordenstrijd ten aanzien van de Balkan, omdat er een wezenlijk probleem van de legitimiteit van de huidige en nieuwe grenzen onder schuil gaat...

Niet meer de ontbinding van Joegoslaviëis immers nu het grote strijdpunt, maar de grenzen van de opvolgende nieuwe staten. Daarbij staan in de eerste plaats Kroaten en Serviërs tegenover elkaar. De tegenstelling tussen beide zou men kunnen zien als een voorbeeld van schuivende panelen. Beider natie-besef is niet enkel gelijktijdig, maar ook in reactie op het andere gevormd. Het zo aan de dag getreden Kroatische nationalisme is vooral na het ontstaan van Joegoslavië in 1918 sterk tot ontwikkeling gekomen, terwijl het Servische nationalisme de sterkste kracht was in de vorming ervan tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Kroaten (en Slovenen) braken eruit, omdat ze in de collectiviteit de Servische hegemonie niet meer konden aanvaarden. De Serviërs, het "staatsvolk' van het oude Joegoslavië, zijn daardoor op zichzelf teruggeworpen en zoeken een staat die de continuïteit met de historische natie van 1918 kan vormen.

Zulke botsingen gaan verder dan de ideologische tegenstelling tussen de regimes in Zagreb en Belgrado en lijken bovendien van een onvermijdelijke gewelddadigheid, zoals in de vorige eeuw de Italiaanse en Duitse eenheidsbewegingen dat waren. Er is sedertdien in het West-Europa van na 1945 een fraai conflictmechanisme opgebouwd, maar dat is een instrumentarium van gerijpte en door oorlog gelouterde staten, niet van volkeren, die de zekerheid van de natie-staat nog moeten verwerven. De historische inhaalmanoeuvres op de Balkan geven vooralsnog weinig reden tot gelukwens.