Het proces

Een krant of een weekblad moest André van der L. belasterd hebben, want zonder dat hij zich bewust was van enig kwaad, werd hij op een ochtend gearresteerd.

Er volgden maanden van niets ontziende ondervragingen, maar op een keer zwaaide zijn celdeur open en werd hij vervoerd naar een groot gebouw in de stad. Het ging de trappen op en ten slotte werd hij een rechtszaal binnengeleid, waar zijn entree een huivering veroorzaakte op de bomvolle publieke tribune. “Verrader!” werd er geroepen, maar ook “Judas!” en zelfs “Janajev!”

Zoals hij daar liep, een knevelketting om de polsen en geflankeerd door twee potige parketwachten, was hij nog maar een schim van de machtige André van der L. die hij eens was geweest. Al die tijd had hij zich niet kunnen scheren en zijn snorharen waren hem nu zo ver over de lippen gegroeid, dat het spreken hem nog maar moeilijk afging. Een blauwe zwelling onder het oog verried dat de ondervragingen niet altijd even zachtzinnig waren verlopen.

Onder gefluit en gejoel werd de verdachte naar de beklaagdenbank geleid, maar toen de bode luidkeels de komst van de rechtbank aankondigde, verstomde het pandemonium. Iedereen stond op en in een eerbiedige stilte schreden de rechters binnen. Toen het college had plaatsgenomen, nam de president het woord. “Verdachte”, zei hij, “sta op. Zijt gij, Van der L., Arie Andries, roepnaam André?”

“Ja, edelachtbare.”

“Arie Andries van der L., u wordt ervan beschuldigd dat u door het plegen van een coup, de partij en de staat in groot gevaar heeft gebracht. U weet dat op dit misdrijf de doodstraf staat. Beklaagde, beschouwt u zichzelf als schuldig of niet schuldig aan de tenlastelegging?”

“Onschuldig, edelachtbare! Ik heb het niet gedaan! Heus, ik heb het niet gedaan! Echt waar, ik heb het niet gedaan!”

“Ja ja, al goed. Dan geef ik voor de ondervraging nu het woord aan de Officier van Justitie.”

De officier van justitie stond op en beende met een wapperend toga naar de beklaagdenbank. “Arie Andries van der L.”, vroeg hij, “is het juist dat u, samen met drie bendeleden, in het geheim een crisiscomité heeft opgericht?”

“Maar wij hebben nooit de bedoeling gehad onze Leider opzij te zetten. Echt niet!”

“Beklaagde, wilt u de vraag alleen met ja of nee beantwoorden.”

“We hebben juist steeds gezegd: Wij moeten achter onze Leider blijven staan.”

“Beklaagde! Heeft u dat crisiscomité opgericht? Ja of nee?”

“Wij wilden onze Leider alleen maar helpen.”

“Ja of nee!”

“We hebben steeds gezegd: Onze Leider is een heel aardige, vriendelijke en hoogst capabele man. Ons oogmerk was juist om hem een steuntje in de rug te geven.”

“Ja of nee! Wilt u zich daartoe beperken.”

“Onze Leider is niet alleen een aardige en vriendelijke man, hij is ook iemand van grote kwaliteiten en van een hoge mate van integriteit. Dat was nu juist de reden dat wij onze denkbeelden zo graag met hem wilden delen.”

“Geef antwoord: ja of nee!”

“Wij hebben ook gezegd: Leider, wij komen hier bij u met een brief vol aanbevelingen, maar mogen wij voordat u die brief leest, eerst uw schoenen poetsen? Zijn er nog andere karweitjes waarmee wij u van dienst kunnen zijn? De auto wassen, de wc schoonmaken, de vuilnisbak buiten zetten, laat in geen enkel opzicht de schijn ontstaan dat wij ons tegen u keren.”

“Is het nou afgelopen! Heeft u dat comité opgericht! Ja of nee!”

“En weet u dat onze Leider ook bijzonder lekker ruikt. Jazeker, dat heb ik zelf kunnen constateren, toen ik hem de voeten kuste. Een zalige, bijna volmaakte lucht. Wij hebben gezegd: Leider, welk een heerlijkheid is het om in uw voetstappen te kunnen treden.”

“Beklaagde, ik vraag het u nu voor de laatste keer. Heeft u in alle stilte dat crisiscomité opgericht? Ja of nee?”

“Ja maar, ik moet daar onmiddellijk aan toevoegen dat...”

“Dank u wel. No further questions.”

Morgen doet de President van de rechtbank uitspraak.