Een zilveren lachje

“Heb je al gehoord dat Pimpel een ongeluk heeft gehad? Ze is met de ambulance naar het ziekenhuis in Haarlem gebracht”, zei mijn vriend Jan. “Wie is Pimpel?” vroeg ik. “Pimpel is een pimpelmees die ieder voorjaar lege brievenbussen kraakt”, legde Jan uit. “Toen mijn tante een keer in de brievenbus keek, zat er ineens een vogelnestje met elf eieren in. Er zaten rode spikkeltjes op. En na een tijdje vlogen er allemaal kleine pimpelmeesjes uit mijn tantes brievenbus.”

De volgende dag gingen we op weg naar het ziekenhuis om Pimpel te bezoeken. Toen we in Haarlem door de Kweektuinstraat liepen, die aan de achterkant van de Stadskwekerij ligt, hoorden we al van verre vogelgekwetter, dat zo nu en dan overstemd werd door het oorverdovende gekrijs van een kaketoe. Daarna zagen we een blauw bord met witte letters waarop te lezen stond: STILTE! VOGELHOSPITAAL.

Bij de ingang van het Vogelhospitaal stond een klein dik mannetje met een rode krulsnor. “Bent u de portier?” vroeg Jan aan het mannetje. “Nee, ik ben altijd midden in de wereld”, antwoordde het mannetje. “Ik loop alsmaar door de straten, door de plantsoenen, de parken, de weiden, de bossen en de duinen. Ik loop ook langs de stranden en de snelwegen en intussen hou ik de tuinen in de gaten. Iedere zieke vogel die ik onderweg tegenkom, stop ik in mijn taske en breng ik naar het Vogelhospitaal. Mijn taske is altijd vol. Als er 's zomers te weinig zuurstof in het water zit, vind ik half verlamde eenden. 's Winters zie je langs de kust allemaal olie-slachtoffertjes. Afgelopen winter zijn er in één week wel vijfhonderd vogels in het hospitaal opgenomen. Hun verenkleed was helemaal met olie besmeurd. En dan heb je nog de jonge, ouderloze vogels en de verkeersslachtoffers en de egels niet te vergeten. Er worden ook zieke egels in het Vogelhospitaal verpleegd.”

“U komt hier zo vaak, u weet vast wel waar Pim ligt”, zei Jan. Het mannetje wist het niet en daarom bracht hij ons naar de hoofdzuster. “Hoe ziet Pim er uit?”, vroeg de hoofdzuster. “Hij draagt een blauw petje en een blauw kraagje en hij heeft een witte streep boven zijn ogen. Soms roept hij ineens pim-im-im-im-im-im. Pim kan heel mooi roepen, hoor. Er is over hem geschreven door een beroemde vogelkenner, dokter Thijsse, en die zegt dat Pim een zilveren lachje heeft”, legde Jan uit.

“Aha, u bent dus op zoek naar een pimpelmees”, zei de hoofdzuster. “Onder onze patiënten bevinden zich tientallen pimpelmezen. Misschien is die Pim van u in ons kaartsysteem terug te vinden.” De hoofdzuster toonde ons een kaart met de gegevens van een pimpelmees die de dag daarvoor in het Vogelhospitaal was opgenomen. Onder het woord "Vindplaats' stond geschreven: gevonden bij een brievenbus in een voortuin in Heemstede. “Daar woont mijn tante en die heeft Pim bij de brievenbus op de grond zien liggen”, riep Jan. Op de kaart stond verder te lezen dat Pim een katteslachtoffer was die een wond had opgelopen en dat hij in kooi nummer 32 was ondergebracht.

In het Vogelhospitaal was het een drukte van belang. Een verpleger opende de snavel van een zieke meeuw die niet wilde eten en stopte er een piepklein visje in. Door de gang liep een verpleegster met een jonge zwaan onder haar arm. Bij het overdekte vogelbassin stapte een reiger met een horrelvoet rond. Overal zaten groepjes eenden te suffen en in een hoekje scharrelden kippen rond. In een oude badkuip dobberde een olieslachtofferje. Het was een zeekoet wiens verenpak zojuist gereinigd was en die nu naar de droogkamer gebracht moest worden. In een andere kamer stonden kooien waarin papegaaien en een witte kaketoe zaten.

Eindelijk vonden we kooi 32 maar Pim was nergens te vinden. “Hij voelde zich kiplekker, hij kon weer naar huis. Ik zal even op zijn kaart schrijven dat hij ontslagen is”, zei de verpleegster van de afdeling Pimpelmezen. “Mag ik dit bij u achterlaten”, zei Jan terwijl hij de verpleegster een zakje overhandigde. “Er zit een beurse peer in, Pim is namelijk dol op overrijpe peren. Misschien is er hier een andere pimpelmees die van een beurs peertje houdt.”

Toen we het Vogelhospitaal verlieten, liepen we het dikke mannetje weer tegen het lijf. “Zal ik jullie een wonder laten zien?” vroeg het dikke mannetje. “Als het niet te ver weg is”, zei Jan. “We moeten eerst naar de duinen”, zei het mannetje. Toen we bij de duinenrij waren, wees het mannetje naar een grote bruine vogel die door de lucht cirkelde alsof hij via een onzichtbare wenteltrap omhoog klom. “Dat is een buizerd. Maar hoe komt hij aan die gekke witte staartveren”, zei Jan. Het dikke mannetje maakte een luchtsprong van plezier. “Dat is nu juist het wonder”, riep hij uit. “Die buizerd was helemaal verhongerd toen ik hem vond. Hij was bijna al zijn staartveren kwijt. Daardoor kon hij niet goed jagen en stootte hij steeds mis als hij zijn prooi wilde vangen. Weet je wat ik toen gedaan heb? Op de eindjes van zijn afgebroken staartveren heb ik de veren van een dode meeuw geplakt. Als de buizerd in de rui is, verliest hij de meeuweveren vanzelf en daarna krijgt hij nieuwe veren. Niemand zal dan aan de buizerd kunnen zien dat hij ooit met een meeuwestaart heeft rondgevlogen.”

Na deze woorden verviel het dikke mannetje in een diep gepeins. “Misschien had ik de buizerd toch maar in mijn taske naar het Vogelhospitaal moeten brengen want als de meeuweveren ineens loslaten, gaat de buizerd alsnog dood”, zei hij na een tijdje. “Beter één vogel in de lucht dan tien in het taske”, zei Jan om het dikke mannetje wat op te vrolijken. We begonnen alledrie te lachen terwijl de buizerd hoog in de lucht in de wolken verdween.

Het Vogelhospitaal is open tussen l3 en l7 uur. Kweektuinstraat l, Haarlem-noord.

“Willen jullie Borus, mijn Russische dwerghamster zien?” vroeg ik aan de dwergen. “Oh ja, dat moet ik je nog vertellen,” zei Jan. “Toen je in Frankrijk was, verveelde Borus zich zo. Daarom heb ik een vriendje voor hem gekocht.”

“Wat een leuk diertje,” zei Stompie toen hij Borus zag. “En wat kan hij hard in zijn molen lopen. Borus is een geboren circusartiest. Als dwerghamster is hij helemaal op zijn plaats in het Dwergen-Circus. Weet je wat? Jij komt als hamstertemster in ons circus werken en Jan wordt chauffeur. Dan trekken we met zijn allen met het Dwergen-Circus de wereld rond.”