Een bruid op de kermis; Overzichtstentoonstelling van Marcel Duchamp in Antwerpen

“Waarom Duchamp? Wie zich met de moderne kunst bezig houdt, botst onvermijdelijk steeds weer op Duchamp. Het maken van een grote Duchamp- tentoonstelling was iets als een droom,” zegt Ronny van de Velde, de organisator van een voorbeeldige tentoonstelling in Antwerpen. Over het werk van Duchamp zijn uiteenlopende theorieën in omloop. Hijzelf kon er helder en amusant over praten. “Waarom niet een wereld bedenken waarin de consequenties anders zijn dan in de gebruikelijke?”

Pierre Cabanne, Gesprekken met Marcel Duchamp. 184 blz. Uitg. Meulenhoff-Kritak-Ronny van de Velde. Prijs ƒ 34,50. De tentoonstelling duurt tot 15 december. Dag. 11-18 u, beh. ma. Adres: IJzerenpoortkaai 3, Antwerpen. Catalogus: ƒ 19,-. Luxecatalogus: ƒ 475,-

Middenin een sombere huizenrij aan de Antwerpse IJzerenpoortkaai staat sinds vorig jaar een schitterend museum.

Blank aluminium, grijs geglazuurde tegels en een frivool roze zuiltje vormen samen met de hoge ramen een uitdagende gevelcompositie. Binnen, op drie verdiepingen, gaan grote expositiezalen haast ongemerkt over in kleinere, besloten ruimtes. Lichtinval, vloeren, trappen en binnenvensters, de sierlijke ontvangstbalie en het kantoor dat daar als een zwevende cabine bovenhangt - alles wat architect Georges Baines ontworpen heeft, is een wonder van schoonheid en vernuft. Het museum (of "kunsthal', want er is geen vaste collectie) draagt de naam van zijn eigenaar - Ronny Van de Velde - die hier, voor zijn plezier, exposities organiseert van kunstenaars die hij bewondert. Zijn zaken doet hij op de kunstbeurzen, bij zijn museum wil hij, zoals hij zegt, "niet aan de commercie denken'.

Het gebouw werd anderhalf jaar geleden geopend met een expositie van Amerikaanse Minimal Art, daarna volgde onder meer een tentoonstelling van moderne kunst uit vier particuliere verzamelingen. Dit najaar exposeert Ronny Van de Velde (38) Marcel Duchamp, "de meest raadselachtige avantgardist van deze eeuw', zoals hij in de catalogus wordt genoemd.

Net als het museumgebouw grenst deze expositie aan het ongelooflijke: de inrichting is een toonbeeld van zorgvuldigheid, de catalogus een klein kunstwerk (en de luxe-catalogus een ware speelgoeddoos, daarover straks meer).

Hoe was het mogelijk om zoveel werk van (en documentatie over) Duchamp bijeen te krijgen? En waarom koos Van de Velde voor Duchamp? Op mijn schaapachtige vragen begint Van de Velde te lachen. Hij lijkt zelf ook een beetje verbaasd dat het allemaal gelukt is. Ik spreek Van de Velde en zijn medewerker Jan Ceuleers een dag na de opening van de expositie in hun zwevende kantoor. Bij wijze van antwoord praten ze elke keer enthousiast door elkaar heen, zonder dat het hen lijkt op te vallen. Alleen als ik Van de Velde vraag wat hij deed voor hij in kunst ging handelen, krijg ik een eenstemmig antwoord: hij was grafisch vormgever en daarna had hij een boekwinkel.

“Waarom Duchamp? Wie zich met de moderne kunst bezig houdt, botst onvermijdelijk steeds weer op Duchamp. Het maken van een grote Duchamp-tentoonstelling was iets als een droom. In de Belgische en Nederlandse musea is nauwelijks werk van Duchamp te vinden. België, het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, bezit één exemplaar van de catalogus bij de Surrealistische Tentoonstelling van 1947, waarop Duchamp een vrouwenborst van roze rubber plakte ("Gelieve aan te raken'). Dat is alles. Sinds de Duchamp-expositie bij de opening van het Centre Pompidou in 1977 is er in Europa geen grote tentoonstelling van hem te zien geweest. Daarom wilde ik dit doen. Vijf jaar geleden begon ik alles te verzamelen wat nog van en over Duchamp te vinden is. Als er iets opdook, was ik erbij. Met de voorbereiding van de expositie zijn we precies een jaar bezig geweest.”

Van de Velde vulde zijn eigen Duchamp-collectie voor deze gelegenheid aan met werk uit tientallen privé- en museumverzamelingen: de bruiklenen komen uit New York tot Tokyo. Wat zich niet liet transporteren liet hij - als het om cruciale werkstukken ging - reproduceren. Zo staat er in Antwerpen een speciaal voor deze tentoonstelling gemaakte kopie van Duchamps Grote Glas (La Mariée mise à nu par ses célibataires, même, 1915-1923. Het origineel staat in het Museum of Art in Philadelphia.) Wat zal er met dit Grote namaak Glas gebeuren als de tentoonstelling is afgelopen? Van de Velde: “Daarover moet de weduwe van Duchamp beslissen - ik neem aan dat het vernietigd wordt. En anders zal het zichzelf vernietigen: de foto die tussen de glasplaten gemonteerd is zal binnen enkele jaren totaal verkleurd zijn.”

Materialiteit

Het Grote Glas. Met behulp van lood, gevernist stof en andere materialen beeldde Duchamp hierin bizarre mechanismen af die door menselijke verlangens worden aangedreven. Bij zijn openingstoespraak tijdens de vernissage gaat Jan Hoet er vlak voor staan. De honderden genodigden groeperen zich in een wijde cirkel om hem heen. De weduwe van Duchamp zit glimlachend in een rolstoel. Jan Hoet praat niet, hij brult en fluistert, hij kermt en zwaait met zijn armen, hij bezweert de menigte als Simon Vinkenoog tijdens een happening. Misschien denkt Hoet: er is al zoveel over dat malle Glas georakeld, ik kan er nog wel een schepje bovenop doen. Of hij denkt: als ik er maar genoeg vakjargon doorheen gooi, dan gaat het er bij het kunstpubliek wel in. Maar waarschijnlijk denkt hij helemaal niets. Hoet roept: “Door het feit dat het glas gebroken is, begrijpen we de existentiële materialiteit van het glas.” Met klemtonen op elke lettergreep spreekt hij over "het sleutelelement tussen leven en dood' en dan over "de mimesis gekoppeld aan de spirituele act van het individu.'

Weet Hoet wel wat hij zegt? Er is geen touw aan vast te knopen, maar dat is misschien ook helemaal de bedoeling niet. Het lijkt alsof de Gentse museumdirecteur alleen zijn geloof, zijn geloof in de moderne kunst op de menigte wil overbrengen. Alsof hij daarvan wil getuigen. Geef Hoet een kansel en hij zal in niets verschillen van een Billy Graham.

Maar zijn optreden hier in Antwerpen past niet erg goed bij Marcel Duchamp.

Duchamp hield niet van vernissages. “Een en al aanstellerij”, zei hij in een gesprek met Pierre Cabanne, die hem in 1966 uitvoerig heeft geïnterviewd.

Hoets optreden past misschien ook niet zo goed bij het Grote Glas. Als één kunstwerk uit deze eeuw aanleiding heeft gegeven tot serieuze studie, tot "close reading' en originele theorieën, dan is het wel deze door haar vrijgezellen ontblote bruid, waaraan Duchamp acht jaar heeft gewerkt.

In zijn essay De woordspeling als Machine (opgenomen in de bundel De logologische ruimte) heeft Rudy Kousbroek de verschillende Grote Glas-geleerden op een rijtje gezet, van André Breton (die er een "cynische, mechanistische interpretatie van het verschijnsel liefde' in zag), tot Arturo Schwartz (die het Glas in verband bracht met de incestueuze liefde die Duchamp voor zijn zusje Suzanne zou koesteren. Het kunstwerk zou een gecompliceerde weergave zijn van een liefde die steeds onbereikbaarder wordt naarmate de verwezenlijking ervan dichterbij komt). Kousbroek legt in zijn beschouwing de nadruk op de invloed van de Franse schrijver Raymond Roussel, met name van zijn roman Impressions d'Afrique (1910).

Duchamp zelf verwijst ook herhaaldelijk naar Roussel. Zo vertelt hij in een radio-interview met Richard Hamilton (1959) dat het een ontdekking voor hem was om te zien hoe in woorden "alles kan worden uitgevonden', onbestaanbare werelden kunnen worden geschapen, zoals Roussel bewees met zijn Impressions d'Afrique. “Dat was waar ik in 1911 of '12 de inspiratiebron voor mijn nieuwe activiteiten vond.” In het Grote Glas probeerde hij "een totaal persoonlijke en nieuwe expressie te vinden'. Hamilton vraagt of hij niet probeerde de spot te drijven met de causaliteit, of het Glas niet als een soort grap moet worden gezien, waarop Duchamp ondermeer zegt: “Het berust op het feit dat ik zo mijn twijfels heb over de echte causaliteit. Dus waarom die niet ironisch gebruiken door een wereld te bedenken waarin de consequenties anders zijn dan in de gebruikelijke?” Hij vertelt ook over de "vierde dimensie', die in die tijd een geliefd gespreksonderwerp was en zegt: “Al het driedimensionale is een projectie in onze wereld van een vierdimensionale wereld. Mijn bruid zou bijvoorbeeld een driedimensionale projectie van een vierdimensionale bruid kunnen zijn. (-) Maar aangezien ze op het glas staat, dus vlak is, is mijn bruid een tweedimensionale weergave van een driedimensionale bruid die dan een projectie van het vierdimensionale zou zijn van de bruid op de driedimensionale wereld.”

In hetzelfde interview noemt Duchamp ook een iets trivialere inspiratiebron: “Op de Franse dorpskermissen stond altijd een kraam waar je met ballen naar de hoofden van een mooi aangeklede bruid en bruidegom mocht gooien, tot de kop eraf rolde.”

tk Boekenkast

Bij de Antwerpse expositie staat de reproduktie van het Grote Glas voor een witte muur. Op een foto uit 1936 staat het origineel middenin de werkkamer van Katherine S. Dreier, een schrijfster en schilderes met wie Duchamp in de Verenigde Staten bevriend was. Duchamp zelf leunt op de foto nonchalant tegen de zijkant van het Glas. Hij praat met Katherine Dreier die op een stoel tegenover hem zit. Je ziet - vaag - de afbeeldingen in het glas, de capillaire buisjes, de chocolademolen, de tochtzuigers, de "onbestaanbare wereld' die hij in het Grote Glas schiep. Maar wat je ook ziet, door het glas heen, is de echte wereld, in dit geval een boekenkast, een lage tafel en een gestreept vloerkleed. De schemerlampen met hun kapjes, de rijen ruggetjes in de kast - het lijkt alsof het Glas ze iets minder echt maakt. Dit is het Grote Glas zoals het bedoeld moet zijn: als een lichte verstoring van het vanzelfsprekende.

Tegen Cabanne zei Duchamp: “Le grand Verre was al geen schilderij meer. Het was een schilderij op glas, zo u wilt, maar het was geen schilderij. Er kwam veel lood bij te pas en veel andere dingen. Het stond al ver af van het traditionele beeld van de schilder met kwast, palet, terpentijn. Dat beeld was al uit mijn leven verdwenen.”

Op de foto hangt hoog aan de muur, links van het Grote Glas, Duchamps allerlaatste schilderij: Tu m'. Volgens hemzelf was dit doek "als het ware een samenvatting van wat ik eerder had gedaan'. Hij schilderde de schaduwen van twee van zijn "ready-mades', het fietswiel en de hoedenkapstok en ook de slagschaduw van een kurketrekker. Middenin het doek houden een paar echte veiligheidsspelden een geschilderde scheur bij elkaar.

Dit schilderij ontbreekt helaas in Antwerpen en zo zijn er op de tentoonstelling nog wel enkele lacunes aan te wijzen. Het is bijvoorbeeld jammer dat van zijn schilderijen uit 1911 en '12 waarin hij probeerde verschillende stadia van bewegingen weer te geven, alleen een reproduktie aanwezig is van zijn Naakt, de trap afdalend (1912). In deze doeken (zoals De koning en de dame omringd door snelle naakten, 1912 en Trieste jongeman in een trein, 1911) is voor het eerst iets van het "mechanische' in zijn werk te bespeuren: het - de trap afdalende of door de trein lopende - lichaam is ontleed in scharnierende, bewegende delen waarin weinig lichamelijks meer te herkennen valt. De stap van deze "bewegende delen' naar het echte mechaniek, de Koffiemolen (1911), of de Chocolademolen (1913) en naar de gefantaseerde mechanieken, lijkt niet zo vreemd. Duchamp zei later over zijn Koffiemolen (waarvan op de expositie een voorstudie te zien is) dat hij vanaf dat moment "elk verband met de traditionele schilderachtige schilderkunst' dacht te kunnen vermijden. Lijn, penseelvoering, vorm en kleurenspel - het hoorde allemaal tot het puur visuele, of, zoals hij het noemde, tot de "netvlieskunst', waarvan hij bezig was zich los te maken: “Alles werd conceptueel, dat wil zeggen dat het door andere factoren bepaald werd dan door het netvlies”.

Het is makkelijker te schrijven over wat ontbreekt op de Duchampexpositie, dan stil te staan bij wat er allemaal wel aanwezig is. De catalogus telt 411 nummers, waarvan ongeveer de helft betrekking heeft op werken van Duchamp (inclusief enkele reprodukties). De overige nummers verwijzen naar allerlei documentatie, naar geschriften van en over Duchamp, naar tientallen foto's, enkele films, en ook naar schilderijen en tekeningen van vrienden als Man Ray en Picabia. Vooral van Man Ray is in Antwerpen veel te zien. Hij heeft Duchamp - al of niet in vermomming - talloze malen gefotografeerd, maar hij heeft hem ook getekend. Vier jaar na Duchamps dood maakte Man Ray een opvallende ets van zijn vriend: hij beeldde Duchamps hoofd met de onafscheidelijke sigaar van opzij af in een blauwe cirkel waar de sigarenrook elegant doorheen krinkelt.

tk Vertaling

Op initiatief van Ronny van de Velde verscheen tegelijk met de opening van de expositie Pierre Cabanne's Gesprekken met Marcel Duchamp (1967) in een Nederlandse vertaling. (Een vertaling van Chris van de Poel, die soms wat al te Vlaams aandoet, met termen als "errond' in plaats van er omheen en "bekomen' in plaats van krijgen). In deze gesprekken komen verschillende werken die nu in Antwerpen te zien zijn uitvoerig aan de orde. Duchamp praat op een aangenaam nuchtere, laconieke manier over wat hij zoal gemaakt heeft, van zijn vroege schilderijen uit 1902 en '03 ("wat pseudo-impressionistische dingen'), tot zijn optische experimenten met spiralen en cirkels uit de jaren twintig en dertig. Wie naar Antwerpen gaat doet er goed aan eerst de Gesprekken met Marcel Duchamp te lezen - een betere voorbereiding op de expositie is niet denkbaar.

Duchamp vertelt niet alleen over bijvoorbeeld de ideeën achter zijn "ready-mades', hij herinnert zich ook vermakelijke anekdotes en verliest zich, als Cabanne hem daar de kans toe geeft, in overpeinzingen.

Over zijn laatste grote en buitengewoon raadselachtige werk, Etant donnés, waar hij van 1946 tot 1966 in het geheim mee bezig was, zwijgt hij tegen Cabanne. (Dat zwijgen zou hij tot zijn dood toe volhouden. Daarna pas werd het bestaan van deze "erotische installatie' bekend).

Achteraf is het ronduit komisch hoe hij zichzelf voordoet als een aartsluilak die niets meer uitspookt. Cabanne vraagt: Wat voert u de hele dag uit? Niets, zegt Duchamp. Leest u veel? Helemaal niet. Leidt u in New York een actiever leven? Nee. En in die trant gaat het door. Op het eind vraagt Cabanne of er kans is dat hij nog ooit een penseel of potlood ter hand zal nemen. Dan zegt Duchamp: “Ik kan niet zomaar een schilderij of een tekening of een sculptuur maken. (-) Ik zou twee of drie maanden moeten denken en dan pas kunnen besluiten tot het maken van iets dat betekenis zou moeten hebben. (-) Het zou een richting moeten hebben, een zin. (-) Ik zou die eerst moeten vinden, die zin, alvorens ik zou kunnen beginnen (-).” Niet lang daarna begon hij aan een serie etsen, De Geliefden: scabreuze variaties op werken van "netvlieskunstenaars' als Ingres, Courbet en Rodin. Ze hangen in Antwerpen naast de prachtige ets Koning en Dame die hij in 1968 maakte, het jaar van zijn overlijden. Net als op het affiche voor het Franse Schaakkampioenschap van 1925 hebben de witte en zwarte schaakvelden zich hier tot kleine kubusjes verenigd die, gadegeslagen door koning en dame, vrij over het papier dartelen.

De inrichting van de Duchamp-expositie is zowel chronologisch als thematisch. Zo zijn bijvoorbeeld alle ready-mades in één zaal opgesteld en is al het werk dat met zijn grote passie - schaken - te maken had in etalage-grote vitrines samen gebracht: de beeldschone zakschaakbordjes, ontwerpen voor schaakstukken, schaakaffiches en schaakborden. Aan een der muren in het schaakzaaltje hangt zijn Schaakbord uit 1937, een compositie van 64 vierkantjes van verschillende lichte en donkere houtsoorten. Een reproduktie van dit schaakbord vormt het deksel van de houten doos die als "luxe-catalogus' dienst doet. De doos zit vol Duchampiana, onder andere een tape met zijn stem, foto's, facsimilés, een album met reprodukties en een rood-blauwe stereobril met bijbehorend anaglyfen-boekje. Het is een klein, draagbaar museumpje, zoals Duchamp ze zelf, maar dan nog veel ingenieuzer, in zijn "botes-en-valise' maakte. (Er staan verschillende exemplaren op de tentoonstelling.)

tk Ensor

Terug naar Ronny van de Velde. Welke tentoonstellingen heeft hij voor de komende jaren in petto? Hij wil Bruce Nauman "confronteren' met de Duitse expressionisten Otto Dix en George Grosz, hij hoopt ooit Picabia en Brancusi in zijn museum te tonen en in 1993, wanneer Antwerpen de Culturele Hoofdstad van Europa is, wil hij een expositie van Ensor maken, gecombineerd met hedendaagse kunst.

In Nederland, zegt Van de Velde, bestaat een veel groter museumpubliek dan in België. “Maar in België wonen de verzamelaars! Hier haalt men de kunst in huis, in Nederland gaat men naar het museum om kunst te zien.”

Op mijn vraag of hij niet liever directeur van een groot museum zou zijn, met een eigen collectie en conservatoren, aarzelt hij. “Het hangt ervan af, welk museum het zou zijn. Met een flink budget kun je veel meer doen dan hier mogelijk is. Directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, ja, dat zou ik natuurlijk wel willen zijn.”