Een begenadigde dikke duim

De magistrale Mozartbiografie van Wolfgang Hildesheimer is onomstreden, behalve in de ogen van een enkele musicologische miereneuker die ontdekte dat het Ave Verum Corpus zesenveertig maten telt, en niet achtenveertig, zoals de schrijver heeft beweerd.

Hij had al eerder, in een radiovoordracht in 1956, een poging gedaan de vraag "Wie was Mozart?' te beantwoorden. Het was een eerste oorlogsverklaring aan de Mozartkunde die ons sedert de Romantiek een ad absurdum vervalst, versentimentaliseerd beeld van de componist had voorgezet: het apollinische gelukskind, zonder zorgen en zonder onderlijf, een sierdegen aan zijn zijde, een gepoeierde pruik op zijn kop en een taalgebruik dat zelden verder ging dan een krachtig "sapperloot'. Het was een door argumentatie, heroriëntatie en wijsgerige bezinning grensverleggende rede die de spreker met de morele verplichting opzadelde om zijn observaties tot "de definitieve Mozartbiografie' uit te bouwen.

Die verscheen een kwart eeuw later en betekende de definitieve vergruizeling van het traditionele Mozartbeeld. Het in de loop der eeuwen talloze malen overgeschilderde fresco was met harde hand gereinigd. Met als gevolg dat wij na lezing van de biografie eigenlijk minder van de componist wisten, dan wij voor lezing veronderstelden. Leven en werk van Wolfgang Amadeus Mozart was door deze anti-biografie gereduceerd tot een paar historisch onweerlegbare feiten plus een onoverzienbare rij vraagtekens.

Na Mozart ad acta te hebben gelegd, berichtte de Neue Zürcher Zeitung in die dagen, had Hildesheimer een studie over Shakespeares Hamlet ter hand genomen.

Het eerbiedwaardige Zwitserse dagblad was enigszins verkeerd geïnformeerd. In werkelijkheid was Hildesheimer bezig met de biografie van de Engelse estheticus en Hamlet-specialist Andrew Marbot, in 1830 gestorven door eigen hand, schrijver van het - helaas fragment gebleven - essay Art and Life, tijd- en gespreksgenoot van Goethe, Delacroix, Schopenhauer en Leopardi.

Marbot ontmoette deze grootheden op de jarenlange tocht langs de Europese bronnen van kunst en cultuur, een tocht die hij had ondernomen om af te koelen van de fatale incestueuze passie die hij koesterde voor zijn moeder, lady Catherine Marbot. Niet toevallig had Andrew Marbot een levenslange belangstelling voor de psychopathologische Deense prins. Hij zag hem als een lotgenoot en geestverwant. Hamlet was immers het vleesgeworden bewijs dat de incestueuze aandriften, die zo'n dramatische ingreep in Marbots leven hebben betekend, zich niet exclusief beperkten tot Marbot Hall, doch reeds eerder hun verwarrend werk hadden verricht in de zweterige alkoven van kasteel Elsenor.

“Het viel me weer op”, schreef Marbot, “hoe Hamlet de koningin, zittend op de rand van haar legerstede, om haar gedrag in dit "bloedschennig bed' berispt, wat een incorrecte omschrijving is, want koningin Gertrude is niet met koning Claudius verwant. Daarom neem ik aan dat het Hamlets diepste wens is dat dit bed werkelijk bloedschennig zal worden. Hij zegt: “Gij zijt - o, was gij het maar niet! - mijn moeder.” Maar hij bedoelt in werkelijkheid: “Gij zijt - o, was gij maar meer dan dat! - mijn moeder”. Marbots brief is (natuurlijk) gericht aan lady Catherine Marbot, zijn tegenspeelster in de geslachtelijke relatie die hem van huis en haard had verdreven.

Het is een van de geleerdste, meest erudiete biografieën die ik ken, schitterend geschreven, vanzelfsprekend voorzien van voetnoten en een uitgebreid namenregister. Waarin merkwaardigerwijze lady Catherine Marbot, sir Frances Marbot (de vader), Gerrit van Rossum (de biechtvader) en Robert viscount Claverton (de grootvader) ontbreken. Zij zijn weggelaten omdat zij slechts in de fantasie van de schrijver bestaan - en ook voor de rest is het boek, op het historische decor na, geheel verzonnen.

Net zoals Hildesheimers mini-biografie van de negentiende-eeuwer Gottlieb Theodor Pilz, de sterk onderschatte cultuurtheoreticus wiens grote verdienste het is geweest dat hij menige tijdgenoot het vervaardigen van een kunstwerk uit het hoofd heeft gepraat. Hij heeft zowel Robert Schumann als Felix Mendelssohn ervan weten te overtuigen, dat een beschaafd componist nooit meer dan vier symfonieën hoort te schrijven. Aan Pilz en aan Pilz alleen is het te danken dat Gioacchino Rossini in zijn laatste dertig levensjaren vrijwel geen noot meer heeft geschreven, zodat deze zich volledig op het ontwikkelen van de beroemde "Tournedos a la Rossini' kon concentreren. Pilz' grootste verdienste was echter het torpederen van een operatrilogie over het geslacht-Habsburg, een voornemen van de componist Franz Xaver Mühlwesel. “Eerst hield M. hardnekkig aan dit project vast”, berichtte Pilz in een brief. “Want, zei hij, wat een Beethoven kon, kon een Mühlwesel ook. Maar, opperde ik, wat zou er van de wereld terechtkomen als wij allemaal deden wat een ander al deed! Uiteindelijk liet hij zich overtuigen - Zelf ben ik van plan enkele weken in Zwitserland rust te gaan zoeken na de inspanningen van de laatste tijd.”

Hildesheimers eerste Mozartstudie verscheen in 1956, tweehonderd jaar na de geboorte van de componist. Zijn Marbotbiografie verscheen in 1980, honderdvijftig jaar na 's mans overlijden. Ook het Pilz-essay verscheen in 1956 - het was in feite een parodie op al die herdenkingsartikelen over Rembrandt, Heine, Caesar en Freud, mannen die dat jaar eveneens hun verjaardag respectievelijk hun sterfdag vierden. Hildesheimer had wat met jubeljaren, dat is duidelijk. Het kan, zou je denken, nauwelijks toeval zijn dat hij een paar weken geleden, midden in het Mozartjaar 1991, is overleden.