Een allesgevende liefde; Het leven van Jacob Israel de Haan

Jacob Israël de Haan (1881-1924) was een omstreden auteur. In zijn roman Pijpelijntjes beschreef hij, kwistig strooiend met woorden als ”malgrappig', ”knusknusjes', en ”naaktbloot', op vanzelfsprekende wijze een sadistische homoseksuele relatie. In Pathologieën deed hij er nog een schepje bovenop: ”“Ik zou zelf ook graag eens eenen moord doen”, mijmert René.' Zijn tijdgenoten vonden hem een merkwaardig man. Hij liep ”vreemd', hij nam op een ”vreemde' manier zijn hoed af, hij gaf ”opmerkelijk vreemde handdrukken'. Aanstaande zondagavond zendt de VPRO een documentaire over hem uit. Ook op deze pagina enkele fragmenten uit een van de stukken die De Haan uit Israel schreef voor het Algemeen Handelsblad. Het is zijn bijdrage over 25 mei 1923, de dag na de dag dat hij niet vermoord werd, een jaar voordat hij wel werd vermoord. “Een wonderlijker correspondent dan De Haan zal men in een Nederlandse krant niet gauw meer aantreffen.”

Zo 29 sept. om 21.30u. op de VPRO-televisie: ”Het eind dat niemand keren kan' van Emile Fallaux en Saskia van Schaik.

Wie was Jacob Israël de Haan? Op de portretfoto's die van hem bewaard gebleven zijn kijkt hij streng, ondoorgrondelijk en enigszins uit de hoogte. Of hij nu hoog te paard zit of met beide benen op de grond staat met zijn onafscheidelijke aktentas onder zijn arm; of hij nu een geklede jas en keppel draagt of vermomd is als emir, - De Haan houdt zijn gezicht steeds strak in de plooi. De een zal in dat strakke masker ook nog wel een ironische trek vermoeden, terwijl de ander de voorkeur zal geven aan een uitdrukking van smart. Erg veel geven ze in elk geval niet prijs, de gezichten van De Haan.

Er is natuurlijk het werk dat voor zichzelf zou kunnen spreken, als het niet zo dubbelzinnig was. Want hoe openhartig, schokkend en provocerend zijn romans, gedichten, verhalen, reisbrieven en feuilletons ook mogen zijn, het is de vraag of zij De Haan werkelijk dichterbij brengen. Dat geldt, zij het in iets mindere mate, ook voor de brieven die hij schreef en die bewaard zijn gebleven, ondanks zijn uitdrukkelijke wens ze toch vooral te vernietigen. Het zijn stijlvolle en spirituele, maar ook altijd wat verongelijkte brieven, waarin De Haan het achterste van zijn tong maar zelden liet zien.

Zelf had hij de gewoonte de aan hem gerichte brieven na lezing weg te gooien. Daarmee dempte hij voor ons, die het bijna zeventig jaar na zijn gewelddadige dood nog steeds moeten stellen met allerlei speculaties over zijn grillige persoonlijkheid en leven, een belangrijke bron van informatie. Over zijn homoseksuele liefdesleven, zijn huwelijk met de negen jaar oudere arts Johanna (”Hans') van Maarseveen en zijn verstandhouding met familieleden en vrienden, is praktisch niets bekend.

In ieder overzicht van zijn leven duiken steeds weer de welbekende grote feiten op, die verschillende levensstadia vertegenwoordigen: geboren op 31 januari 1881 te Smilde, orthodox-joodse jeugd te Zaandam, rijkskweekschool in Haarlem, tijdelijke banen als onderwijzer, lidmaatschap van de S.D.A.P., Pijpelijntjes, huwelijk, rechtenstudie, twee reizen naar Rusland ten behoeve van politieke gevangenen, aansluiting bij de de behoudende Nederlandse Zionistische Beweging, promotie, verijdeld hoogleraarschap, vertrek naar Palestina als ”de dichter van het Joodsche Lied' en als correspondent van Algemeen Handelsblad, aansluiting bij de orthodoxe en anti-zionistische Agoeda-beweging in Jeruzalem, vriendschappelijke contacten met Arabieren, en ten slotte zijn dood ten gevolge van drie pistoolschoten op 30 juni 1924, bij de poort van het Shaäre Zedek-ziekenhuis.

In de documentaire van Emile Fallaux en Saskia van Schaik die de VPRO aanstaande zondagavond uitzendt over het leven van De Haan, Het eind dat niemand keren kan, vindt men al deze feiten terug, ondersteund met beelden en toepasselijke citaten uit zijn werk. In twee uur krijgt men een mooie en overzichtelijke indruk van een leven dat van onschuldig begin tot tragisch einde intrigerend was. De nadruk ligt op de laatste vier jaar van De Haans leven, die hij in het toenmalige Palestina sleet; een Palestina waar hij tot zijn verbazing geen eensgezinde joden aantrof, blijmoedig werkend aan de opbouw van het beloofde land, maar een bittere onderlinge verdeeldheid. Dat hijzelf van die verdeeldheid symbool en slachtoffer zou worden, dat had hij natuurlijk niet kunnen voorzien.

Begrijpelijk genoeg hebben in de documentaire de vele overgangen in De Haans leven een wat vloeiender en logischer aanzien dan ze in werkelijkheid waarschijnlijk hadden. Ik kan me ten minste niet aan de indruk onttrekken dat De Haan zich na het mislukken van het ene project, onverhoeds in het andere stortte, met steeds opnieuw een onvoorstelbare ijver en overgave, totdat ook dat nieuwe project weer in duigen viel. Bij alles wat hij deed, slaagde hij er bewust of onbewust in het buitenbeentje te zijn. Medelijden met de verdrukten, dat zou je als de leidraad van zijn leven kunnen zien: met arbeiders die moesten sloven voor een hongerloon, met gevangenen die werden gemarteld, met zionistische joden in Nederland die verlangden naar een eigen staat, met orthodoxe joden in Palestina die door de zionisten onder de voet werden gelopen, en niet te vergeten met de Arabieren die door de joden dreigden te worden onderdrukt.

Verzet

De Haans medelijden was gemengd met een moeilijk te doorgronden eigenbelang, met een onstelpbare behoefte aan strijd, die meer dan eens de zaak zelf te boven ging. Hij streed, kun je zeggen, totdat hij er letterlijk bij neerviel. “Verzet was zijn tweede natuur”, zo typeerde Gerrit Komrij hem in de inleiding bij een bloemlezing uit De Haans poëzie. “Niet het politieke of religieuze verzet, gebaseerd op morele, idealistische principes, maar het verzet dat diep in de zenuwen en vezels wortelt, pathologisch van aard, niet verstandelijk, maar zinnelijk, niet ethisch maar estetisch. Bij zijn verzet hoefde de wereld geen baat te vinden, alleen hij zelf. Hij had (-) een zwak voor de verdrukten, maar het waren zijn verdrukten.”

Zijn onverzettelijkheid heeft hem meer verdriet dan plezier gebracht en veel eenzaamheid. Toch zijn er altijd mensen geweest die hem liefhadden, in al zijn onaangepastheid. J.C. Bloem dichtte hem ”een gouden hart' toe. De kinderen die hij als onderwijzer onder zijn hoede had, moeten ook erg op hem gesteld zijn geweest. Vooral als hij hen, liefst tegen de zin van het schoolhoofd, mee naar buiten nam voor een wandeling. ”Meester de Haan gaat nooit verloren', zo schijnen ze hem wel eens te hebben toegezongen.

Jacobus Kann, de Nederlandse consul in Jeruzalem, die veel met hem te stellen heeft gehad, noemde hem bij zijn begrafenis op de Olijfberg een ”grote jood' die door een ”lafhartige aanslag' om het leven was gekomen. Uitspraken die hem door andere zionisten niet in dank werden afgenomen.

Een vroegere zionistische partijgenoot, Abel Herzberg, was minder op hem gesteld. In een artikel over De Haan uit 1960 maakt Herzberg duidelijk dat hij hem geen groot dichter, geen groot politicus, geen groot geleerde en ook niet zo'n groot mens vond. “Bij al zijn niet geringe intelligentie (-) was hij een bezetene, voortgedreven en verteerd door een laaiende smart, altijd op zoek naar lafenis, die hij niet vond, en, zoals wel meer voorkomt bij kleinzerige mensen, al te vaak en al te spoedig bereid om zijn pijn op de meest redeloze wijze op anderen te wreken.” Toch had Herzberg ook deernis met De Haan (“Hij is een ongelukkig mens geweest en heeft een zeer zware tol betaald.”) en hij vond dat zijn leven en werk het verdienden om met geduld, aandacht en mildheid bestudeerd te worden.

Dat is ongeveer wat Jaap Meijer heeft gedaan in zijn biografie De zoon van een gazzen (1967). Hij heeft De Haan met geduld en aandacht bestudeerd. Alleen de mildheid ontbrak enigszins. Als hij De Haan af en toe toch een compliment maakt, bijvoorbeeld over zijn hartstocht, “die bezeten vlijt, die verfijnde studietactiek, dat subtiele onderscheidingsvermogen en tenslotte (-) die alles gevende liefde, die in feite zijn voornaamste wezenskenmerk uitmaakte”, dan klinkt daar alweer bijna tandengeknars in door en duurt het niet lang of er komt een minder prettige eigenschap van De Haan aan bod. Wat Meijer wel het meest hinderde aan de Haan, behalve zijn verraad aan de zionistische zaak, was zijn ambitie om hogerop te komen, om de wereldgeschiedenis te betreden, terwijl hij toch maar de zoon van een ”gazzen', een godsdienstleraartje van de laagste rang was.

Nee, erg aardig vond Meijer hem niet, maar des te meer eigenaardig. Vreemd, zonderling en raar, dat zijn woorden die vaak terugkeren in de biografie en trouwens ook in bijna alle andere literatuur over De Haan. Volgens verschillende getuigenissen zou hij er altijd raar en soms ook vies hebben uitgezien. Hij liep ”vreemd', ”als een kikker', hij nam op een ”vreemde' manier zijn hoed af, hij gaf 'opmerkelijk vreemde handdrukken', hij had een ”vreemde' stem, hij was ”een raar heerschap, vreemd gekleed'. Het kan dan ook niet anders of deze ”schimmige zonderling', dit ”merkwaardige fenomeen' leidde een ”hoogst eigenaardig leven'.

Opruiend

In Palestina bleef hij evenmin onopgemerkt, want ook daar, zoals blijkt uit de VPRO-documentaire, vond men hem eigenaardig. De indruk wordt zelfs gewekt dat hij half Jeruzalem op stelten zette met zijn eigenzinnige geschrijf in een buitenlandse krant en zijn omgang met verdachte mensen. Door de Haganah-beweging werd De Haan vanaf het begin geschaduwd, omdat het haar al spoedig duidelijk werd dat hij niet een of andere Nederlandse organisatie vertegenwoordigde, maar uitsluitend sprak en schreef voor eigen rekening. “Hij beweert ook dat hij dichter is en filosoof”, zo valt te lezen in een geheim rapport. “Er wordt gezegd dat hij op zoek is naar olievelden.”De toon voor dit opruiende leven werd al in 1904 gezet met de Pijpelijntjes-affaire. Deze rel kostte hem zijn baantje bij Het Volk en op iets langere termijn beroofde het hem van zijn onderwijzerschap. Bijzonder aan deze affaire zijn niet eens zozeer de verontwaardigde reacties, van de collega's in het onderwijs, van de socialistische kameraden in de partij, van P.L. Tak, hoofdredacteur van het vooruitstrevende dagblad Het Volk of van de ”goede A. Aletrino' aan wie De Haan zijn roman had opgedragen en met wie hij al spoedig niet meer goed zou zijn. Als arts en wetenschapper deed Aletrino onderzoek naar wat eufemistisch ”uranisme' werd genoemd, maar in de praktijk, of liever gezegd in het openbaar wenste hij niets met homoseksualiteit te maken te hebben. Om te zien hoe ver De Haan zijn tijd vooruit was, hoeft men alleen maar even Knuvelders Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse Letterkunde uit 1977 op te slaan. Daarin valt te lezen dat Pijpelijntjes een roman is die “indertijd veel opzien baarde om de voorstelling van nogal duidelijk herkenbare, toentertijd niet geaccepteerde relaties tussen bepaalde personen in het Amsterdamse milieu van rond de eeuwwisseling.”

Wat de affaire vooral zo bijzonder maakt is de argeloosheid van de toen 22-jarige De Haan. Zulke heftige reacties op zijn ”jongensboek', waarin de homo-erotiek een vanzelfsprekende bijzaak is, had hij helemaal niet verwacht. Die onschuld is het ook, die het boek nog steeds genietbaar maakt, ondanks het tachtigersidioom waarvan De Haan zich ruimschoots bediende, met samenstellingen als ”malgrappig', ”schrijnscherp', ”knusknusjes', ”zwakzwakte', ”stapstapte', ”klaagpraatte' en ”naaktbloot'. Pijpelijntjes is een dieptreurige, regenachtige roman over de onbeantwoorde liefde van Joop voor Sam. Sam is niet of onvoldoende ”zo', maar heeft wel een sadistische inslag, zodat Joop er geregeld van langs krijgt. Die ongelukkige liefde speelt zich af in een volks decor van juffrouwen, buren, nichies en halve of hele gevangenisboeven, die elkaar het liefst op de kamer van m'neer Sam en m'neer Joop vervelen met van de hak op de tak springend gebeuzel. “Alle dominees bennen lelle!”, kan een buurman tijdens zo'n bijeenkomst ineens uitroepen.

De Haan was geschokt, maar niet gebroken na Pijpelijntjes, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een brief aan Van Deyssel waarin hij ironisch meedeelde: ””De eerste boom de beste, dat is me nog wat te stoïcijns.'' Wel zweepte hij zich op in een nogal dramatische Open brief aan P.L. Tak, die tot kritische vragen leidde binnen de partij, maar die Taks positie uiteindelijk eerder versterkte dan verzwakte.

Albert Verwey, de door De Haan gewaardeerde voorman van het tijdschrift De Beweging, slaat misschien wel de spijker op de kop als hij in een (in klad bewaard gebleven) brief van 23 augustus 1905 zijn visie geeft op de Pijpelijntjes-zaak en de nasleep ervan. “Gij hebt u de weelde veroorloofd, niet alleen in een boek, maar doorloopend, alles wat in u omging uit te spreken. Menschen die dit doen, kunnen er zeker van zijn dat de maatschappij hun op de een of andere wijze dit betaald zal zetten. De maatschappij moet dat wel. Zij is uit zelfbehoud wel genoodzaakt den eenling, die zich vrijmaakt van haar afspraken, klein te krijgen.”

Verwey adviseerde hem om voorlopig te zwijgen en zich alleen te richten op de verbetering van zijn maatschappelijke positie. Een stap in die richting was De Haans huwelijk met ”Hans', dat zijn carrière inderdaad goed deed, al geeft de roman Pathologieën die een jaar later verscheen geen enkel blijk van heteroseksuele gezindheid. Uit een burgerlijk oogpunt is Pathologieën nog veel erger dan Pijpelijntjes. Want het mag dan zo zijn dat de homoseksualiteit in deze nieuwe roman als een zedelijk probleem wordt voorgesteld, hij lost daarmee het probleem geenszins op. Met kennelijk genoegen laat De Haan bovendien de verdorven kunstenaar René optreden, die houdt van treiteren, martelen en verkrachten. “Ik zou zelf ook graag eens eenen moord doen”, mijmert René, “want dat is eene geheel nieuwe gewaarwording voor mij... en het is heel moeilijk een nieuwe gewaarwording te vinden... maar ik durf het niet goed... ik ben bang voor de straf. Hoewel, ik geloof, dat men mij wel ontoerekenbaar zou willen verklaren... ik heb zooveel verdachte dwaasheden in mijn leven gedaan... ik zal er bij gelegenheid een rechtskundige en een geneeskundige over raadplegen, en als die vinden, dat ik het veilig kan doen, dan doe ik het.”

Correspondent

Als prozaschrijver maakte De Haan een snelle ontwikkeling door van realist via impressionist naar decadent, van het type Herman Teirlinck. Daarbij had hij een voorkeur voor onverwachte wendingen en een grillige verhaalloop, liefst met een abrupt en dodelijk einde.

Zijn mooiste proza is te vinden in de feuilletons die hij voor Algemeen Handelsblad en voor andere kranten schreef, van 1919 tot 1924. Het is vreemd dat nog nooit een uitgever op de gedachte is gekomen al die ongeveer 500 reisbrieven in één band te verzamelen. Wel zijn er vier bloemlezingen, die intussen allang niet meer te koop zijn.

Een wonderlijker correspondent dan De Haan zal men in een Nederlandse krant niet gauw meer aantreffen. Op 9 februari 1923, onder de fraaie titel ”Het Handelsblad vliegt de lucht in', herinnerde hij zijn lezers eraan dat hij al eens bij de redactie van Algemeen Handelsblad had verzocht om een vergroting van de krant. En waarom? “Omdat van het blad in zijnen tegenwoordigen omvang geen mooie, groote vlieger kan worden gemaakt, zonder héél veel gepas en héél veel geplak. ”Die vlieger gaat niet op', heeft de administratie geantwoord. Geestig, maar gierig. Al onze jongens, die met de broekjes en die met de japonnetjes, die met de fesjes en die met de petjes: zij zijn allen héél teleurgesteld geweest.” De meisjes mochten niet meedoen aan de vliegerwedstrijd die De Haan op poten zette. Die mochten toekijken vanaf het balkon, of op straat.

In zijn feuilletons kon De Haan kwijt wat hij maar wilde en in elke willekeurige volgorde. Het leven van alledag, de Arabische opstanden, de penibele toestand van het jongensweeshuis, zijn ontmoetingen met allerlei mensen, zijn reizen naar Jordanië en Amman, zijn provocaties (”Allah is groot'), zijn liefde voor geuren en kleuren en voor leuke Arabische jongetjes, zijn gevoel voor humor, zijn ironie en zijn niet geringe vermetelheid.

Zijn correspondentschap kreeg nog een extra dimensie toen hij in mei 1923 werd bedreigd met de dood. Een club die zich De Zwarte Hand noemde, sommeerde hem vóór de 24ste van de maand het land te verlaten, want anders zou hij worden doodgeschoten ”als een gemeene hond'. Van deze dreigementen trok hij zich niets aan en hij bleef dus. Het meest bevlogen en meest prachtige stuk dat De Haan ooit schreef, was het feuilleton getiteld ”25'. Een ingehouden, maar ook triomfantelijke geschiedenis, die getuigt van een superieur gevoel voor humor en van veel doodsverachting. “En heden? Ach, - hoe onnozel is de vijf-en-twintigste, wanneer men den vier-en-twintigsten niet vermoord is. Ik ben vroeg opgestaan en ik heb twee briefjes van den kalender gescheurd. Hoe goedhartig staat daar het mooie cijfer: 25. En ik ben niet dood. Ik geloof zeker, dat ik niet dood ben.”

Het zou nog een jaar duren voordat het doodvonnis alsnog voltrokken werd, voordat de gemeenschap deze onverbeterlijke eenling voorgoed klein zou krijgen. En toen was het niet De Zwarte Hand, maar de zionistische Haganah-beweging, die zich deze politieke moord op de hals haalde.

Volgens ooggetuigen wist De Haan dat hij die dag zou worden neergeschoten. Maar daar liet hij zich niet door van de wijs brengen. Hij deed dus op 30 juni 1924 wat hij alle andere dagen placht te doen. Hij ging de straat op met als enig weermiddel zijn onafscheidelijke aktentas.

25

Jeruzalem, 25 Mei 1923

I

Hoe onnoozel is de vijf-en-twintigste, als men den vier-en-twintigsten niet vermoord is. Aan den Brief heeft het overigens niet gelegen! Want die was zóó: “De Haan! Bij dezen deel ik u mede, dat gij, indien gij ons Land niet vóór den vier-en-twintigsten van deze maand verlaat, zult worden doodgeschoten als een gemeene hond.”

“Vergeefsch zullen al uw pogingen zijn, den schrijver van dezen brief te ontdekken. Vergeefsch zullen ook al uw pogingen zijn, u tegen ons te beschermen. Al zoudt gij omgeven zijn door politie-agenten en rechercheurs, dan nog zullen wij u treffen, ten einde het Heilige Gebod te vervullen: “En Gij zult het kwade uit uw midden wegruimen.”

“Dus denk er aan en vergeet het niet: vóór den vier-en-twintigsten. Onthoud uw Dag!

De Zwarte Hand.'

En deze verstandige en welwillende brief natuurlijk geschreven in het Hebreeuwsch, de Taal van onze Nationale Wedergeboorte. Geen taalfouten en een stijl, waarvan ik de schoonheid natuurlijk niet wedergeven kan in het Hollandsch, dat niet wedergeboren is. En de enveloppe een ambtelijke enveloppe, met de mooie, groote woorden: “On His Majesty's Service.”

Allah is groot.

II

Wat zal men in zóó nijpende omstandigheden beter doen dan den brief ter hand stellen aan onzen geheimen Joodschen politie-agent, die trouwens te dik is om geheim te blijven. Iedereen kent hem en de wedergeboren spotters zeggen, dat hij alles ziet, behalve zijn hoofd en zijne voeten. Een ernstig geval. Natuurlijk moet men zich door zóó dwaze brieven niet bang laten maken. Maar men kan toch nooit weten. En men moet voorzichtig zijn. En die enveloppe van Zijne Majesteit! Een beleediging. Hij zal rapport maken.

Des middags komt een alleraardigst Joodsch diendertje, dat de Taal der Wedergeboorte spreekt. Hij is héél jong en héél ernstig. Laat ik toch voorzichtig zijn. De Zwarte Hand is een machtig genootschap. Hij onderzoekt mijn tuinhuisje van top tot teen. Ja, een geschikt huis voor de executie van een doodvonnis. Ramen in drie muren. En een dunne deur. “U moet denken”, zegt het verstandige diendertje: “Zij hebben hun spionnen overal... zij zullen komen in den nacht... zij zullen het vuur concentreeren op uw ledikant... ik zou u raden, gaat u slapen onder het bed.”

Wil ik overigens de bescherming van eenen rechercheur? Wil ik een verlof voor het dragen van een revolver? Een week vóór men doodgeschoten wordt, is de Regeering goedhartig. Misschien was het beter, dat ik inderdaad het Land maar verliet. “Tijdelijk”, houdt het diendertje aan. “Het is een machtig genootschap. En u kunt niet weten.”

(-)

VI

Hoe wonderlijk is de drie-en-twintigste, wanneer men den vier-en-twintigsten wordt doodgeschoten! Over den vijf-en-twintigsten durf ik niet te denken. Dood en begraven. Alles in mijn kamer zal staan en ik zal niet komen. Want ik ben dood. Maar als ik niet weet, dat ik dood ben, dan ben ik ook niet dood. Dan heb ik het Eeuwige Leven. Maar als ik dat ook niet weet? Dit zijn groote, diepe gedachten, waarover veel te schrijven zoude zijn. Maar wat baat het, één dag voor mijn Dood? Beter is het rustig te wachten, en, zoo mogelijk, na mijn dood, te spreken met de spiritisten. Kan dat?

(-)

VII

Ik heb dien laatsten nacht rustig op de sofa geslapen. Ik heb gedroomd van het herfstlicht in de kleine stad, waar wij de kinderen van mijne Moeder zijn geweest. Het is alles gelukkig. De ramen staan open. De deur. En de wind, nog niet verbrand door de zon, waait door de wijdte van den morgen. Voor mij bestaat de vier-en-twintigste niet.

(-)

VIII

En heden? Ach, - hoe onnoozel is de vijf-en-twintigste, wanneer men den vier-en-twintigsten niet vermoord is. Ik ben vroeg opgestaan en ik heb twee briefjes van den kalender gescheurd. Hoe goedhartig staat daar het mooie cijfer: 25. En ik ben niet dood. Ik geloof zeker, dat ik niet dood ben. (-)

Maar heden is alles weder gewoon. Ofschoon wel wat onnoozel. Hoe zou het geweest zijn, wanneer ik gisteren doodgeschoten was? Wat zouden de Amerikaansche bladen wel hebben gezegd? Zou er in het Engelsche Parlement zijn geïnterpelleerd? Maar zóó grootsch is het Leven niet. Op mijn kalender staat het heden veilig en zeker:

25.

JACOB ISRAËL DE HAAN

Naast poëzie en proza schreef hij nog essays, toneelstukken en reisboeken.