Conferentie over macht van media

ROTTERDAM, 27 SEPT. Nu de geschiedenis in Europa is ontdooid, zijn voor journalisten en commentatoren moeilijke tijden aangebroken. “De koude oorlog maakte hen het leven relatief gemakkelijk”, zegt Balkan-specialist, historicus en directeur van Radio Austria International, P. Lendvai. Hij sprak woensdag op een tweedaagse conferentie van de Rotterdamse Erasmus Universiteit over macht, media en (inter-) nationaal gedrag.

Dat de media een sleutelrol spelen in de uitkomst van steeds meer politieke krachtmetingen in de wereld, hoeft nauwelijks nog betoog. Helaas, stelde Lendvai voor zijn gehoor van merendeels journalisten, kwijten zij zich dikwijls slecht van hun taak. In vooraanstaande Westerse media wordt de crisis in Joegoslavië beschreven met “die dodelijke mengeling van onwetendheid en arrogantie”.

“Ik bestudeer de Balkan al dertig jaar”, aldus Lendvai, “en het is zo ingewikkeld, ik leer nog steeds nieuwe dingen. Slecht geïnformeerde freelance journalisten die hun talen niet spreken, hebben een veel te grote invloed op de berichtgeving over Joegoslavië in de Westerse pers.” Als voorbeeld noemde hij het wijdverbreide misverstand dat de zo sterk opkomende vormen van nationalisme, vooral uitingen zijn van oude en weer opgewekte sentimenten - terwijl het ook om nieuw nationalisme gaat.

Historische kennis, talenkennis en bescheidenheid vormden het recept dat Lendvai de media voorschreef. In de discussie tussen generalisten en specialisten koos hij onmiskenbaar partij voor de laatsten. Hetzelfde deed de historicus en Midden-Oosten-kenner E. Kedourie, die de huidige journalistiek de negentiende-eeuwse berichtgeving in The Times over het Ottomaanse Rijk en Oost China ten voorbeeld stelde. Het mocht soms een paar maanden duren voor de journalisten van die tijd hun stuk in de krant kregen, maar sommige van de toen geschreven artikelen zijn nu nog relevant, betoogde hij.

Andere sprekers (onder wie VVD-fractieleider Bolkestein, wiens betoog woensdag in deze krant werd afgedrukt) spaarden de media evenmin. De pers slaat de plank soms volkomen mis: journalisten weten vaak niet genoeg, ze laten zich - al dan niet bewust - inpakken door machthebbers, herkennen macht soms niet eens als zodanig, ze drijven mee op ideologische stromen, buigen voor intimidatie of zwichten voor de zucht naar sensatie. “Het is ook een zeer moeilijk beroep”, merkte oud-hoofdredacteur van deze krant A.S. Spooor op ter verdediging van de journalist. Hij wees er op dat de pers, in vergelijking met de negentiende eeuw, in veel opzichten ook sterk verbeterd is: ambassadeurs en andere functionarissen kwamen in de reportages uit het Ottomaanse Rijk misschien veel aan het woord, de "echte mensen' zou de journalistiek pas later ontdekken.

Ondanks de soms scherpe kritiek op de media was de conferentie zèlf - een ontmoeting tussen journalisten en wetenschappers - een illustratie van de onmiskenbare toenadering die plaatsheeft tussen die twee groepen, de academie en de (vooral schrijvende) pers. Journalisten hebben in toenemende mate een academische achtergrond, ze hebben de mogelijkheden om ook diepgaander stukken dan het nieuwsbericht te schrijven en die in de steeds dikkere kranten afgedrukt te krijgen. In de recente literatuur over bijvoorbeeld Cambodja, Japan en het Midden-Oosten kan men nauwelijks heen om de boeken die journalisten over die landen hebben geschreven.

Tegelijk met de groeiende ambities (en pretenties) van de journalist, verlaten historici in groten getale hun ivoren torens. De pers is niet alleen bron van informatie - onbetrouwbaar als ze soms mag zijn - maar ook in toenemende mate het forum waarop allerlei discussies worden gevoerd en beslecht. Historici en en andere wetenschappers deinzen er steeds minder voor terug om de brandende actualiteit van hun bezonken commentaar te voorzien - op opiniepagina's, in discussiefora en op de televisie. “Sommige collega's zijn bereid op hun knieën uit Groningen naar Hilversum te komen”, wist een van hen.