Alleen op de wereld

Toen Marianne moest gaan slapen Telde zij wel honderd schapen; Ze kon ze duidelijk horen blaten, Maar het tellen mocht niet baten. 't Is altijd weer hetzelfde lied: 'k Moet slapen maar ik kan het niet.

Ik hoor het tikken van de wekker, Ik heb het warm, ik lig niet lekker, Als ik me omdraai op mijn rug Dan voel ik me zo akelig En ga ik liggen op mijn zij, Dan kan mijn arm er niet meer bij.

Tenzij ik met mijn tenen wiebel Krijgt mijn linkerbeen de kriebel; Ik blijf stil liggen, maar al vlug Voel ik iets jeuken op mijn rug; Ik weet geen raad meer met die arm, Nu is mijn bed weer gloeiend warm.

Ik krijg geen kans om af te koelen Omdat ik alsmaar lig te woelen En zonder deken gaat het fout Want dan krijg ik het te koud. Zo is er nergens rust te vinden En lig ik mij maar op te winden.

Wat zou toch de remedie wezen? Ik weet het: ik ga liggen lezen. Van Dolce en Zerbino las ze (En stopte even om te plassen) En over Joli-Coeur, de aap; Toen huilde zij zichzelf in slaap.

Wat dit wonderbaarlijke document toont is hoe in de hoofden van nieuwe generaties alle mythes en fabels van het Indische oorlogsverleden onontwarbaar verstrengeld zijn geraakt: de behoefte aan slachtofferschap; het recht op verongelijktheid, ja zelfs "diepe woede'; de gedachte dat de Indische en de joodse kampen wel ongeveer hetzelfde waren; en de vrijheid iemand die waagt te zeggen dat dat niet de waarheid is er in koelen bloede van te beschuldigen dat zijn "geloof' (het is maar al te duidelijk wat daarmee bedoeld wordt) hem onverschillig maakt jegens het lot van anderen.

Hoe heeft deze schandelijke situatie kunnen ontstaan? En hoe komt het dat niemand zich er tegen verzet?