Vroeg borstelen loont; De rol van Moeder bij de preventie van caries

Kalsbeek H.; Verrips G.H. Langetermijneffecten van preventieve tandzorg bij kleuters. TNO Gezondheidsonderzoek. NIPG. Publicatienummer 91.046. Juli 1991.

Over de langetermijn-effecten van tandverzorging bij kinderen is vreemd genoeg in ons land weinig bekend. Men neemt aan, mede op grond van buitenlandse gegevens, dat de tandheelkundige verzorging liefst zo vroeg mogelijk moet beginnen. Omdat daardoor de kans op behoud van het eigen natuurlijk gebit gedurende het hele leven aanmerkelijk wordt vergroot. Deze stelling is echter moeilijk te toetsen. Het blijkt voor onderzoekers vrij lastig om groepen kinderen langdurig te volgen. In ons land is dergelijk onderzoek dan ook weinig verricht.

Onlangs echter werden de resultaten gepubliceerd van een onderzoek naar de langetermijn-effecten van preventieve tandzorg bij kleuters. Het onderzoek werd uitgevoerd door het Nederlands Instituut voor Praeventieve Gezondheidszorg cp,8,9.5 TNO.cp,9.5

Een van de onderzoeksvragen was in hoeverre de hoeveelheid tandbederf bij 15-jarigen samenhangt met de caries-situatie van hun melkgebitten van destijds. Eenvoudiger gezegd, als een kind een goed melkgebit heeft, hoe groot is dan de kans dat hij of zij in de puberteit ook weinig tandbederf heeft?

De onderzochte kinderen woonden in Tiel, de plaats waar in de jaren vijftig en zestig het nu al klassieke onderzoek naar de effecten van de drinkwaterfluoridering plaatsvond. Het onderzoek werd uitgevoerd bij jongens en meisjes die in de periode 1970 tot en met 1973 in deze Betuwse plaats waren geboren en die daar 15 jaar later nog steeds woonden. Zij werden tussen 1985 en 1989 door de cp,8,9.5 TNOcp,9.5 -werkgroep onderzocht. De uiteindelijke onderzoeksgroep bestond uit zo'n 600 kinderen waarvan de meesten bij de plaatselijke Kindertandverzorgingsdienst waren ingeschreven geweest.

De resultaten wijzen inderdaad uit dat bij deze groep de toestand van het melkgebit op 6-jarige leeftijd nauw samenhangt met die van het blijvend gebit op 15-jarige leeftijd. Zo bleek dat van de 170 kinderen, die op 6-jarige leeftijd een gaaf gebit hadden, nog 39 procent op 15-jarige leeftijd geen enkel gaatje in de tanden of kiezen had. Bij 38 procent van de groep werden slechts een tot vijf caviteiten of vullingen gevonden. Maar van de 47 kinderen, die bij het begin van de lagereschooltijd al meer dan vijftien gaten en vullingen in het melkgebit hadden, was slechts vier procent gaaf en had ruim driekwart meer dan elf gaten of vullingen in het blijvende gebit.

De auteurs proberen deze relatie te verklaren. Enerzijds is er sprake van een rechtstreeks verband, bij voorbeeld wanneer bacterien die caries veroorzaken in de melktanden en kiezen zich gaan nestelen in en om de blijvende gebitselementen. Anderzijds kan er sprake zijn van een indirect verband: als biologische en sociale factoren die tot zes jaar invloed hebben op het ontstaan van tandbederf in het melkgebit, eveneens hun inwerking hebben op de aanleg van het blijvend gebit en dat blijven doen tot na het zesde jaar.

tkBuffercapaciteit

Voor sommige biologische factoren, zoals de buffercapaciteit van het speeksel het vermogen van deze mondvloeistof om schadelijke zuurwerking te neutraliseren is het niet waarschijnlijk dat ze zullen veranderen bij het ouder worden. Voor wat betreft de sociale factoren noemen de auteurs vooral de belangrijke rol die de moeder speelt bij het ontstaan van tandbederf bij hun kinderen. Zij baseren zich daarbij op de gevonden resultaten. Toen de kinderen twee jaar oud waren, hebben de behandelende tandartsen van het Centrum voor Jeugdtandverzorging in Tiel zich een oordeel proberen te vormen over de motivatie van de moeders bij caries-preventie. Dit subjectief bepaalde oordeel werd genoteerd tijdens het tweede of derde bezoek van de moeder aan het betreffende centrum. De kwalificaties die zij gaven liepen uiteen van zeer gemotiveerd tot niet of weinig. Het bleek dat er een zeer duidelijke correlatie werd gevonden tussen de positieve of zeer positieve motivatie van de moeders, zoals bepaald door de tandartsen, en de uitstekende of goede toestand van het melkgebit op 6-jarige leeftijd en die van het blijvend gebit op 15 jaar.

Kan dit verband nog logisch genoemd worden als het gaat om de 6-jarige, immers deze leeftijdsgroep is nog volledig afhankelijk van de zorg van de moeder, voor de 15-jarige is deze relatie opmerkelijk. Pubers plegen zich weinig aan te trekken van het ouderlijk gezag als het gaat om preventieve gezondheidsgedragingen en het is dus maar zeer de vraag of de preventieve opvoeding van ma nog doorwerkt op die leeftijd. En inderdaad, in dit onderzoek kon bijvoorbeeld geen relatie worden aangetoond tussen de motivatie van de moeder en het (beweerde) mondhygienische gedrag van hun kinderen. We zullen dus een andere verklaring moeten zoeken. Mogelijk zou de caries-preventie en de fluoride-toediening op jonge leeftijd een lange-termijneffect kunnen hebben doordat doorbrekende gebitselementen na het zesde jaar meer caries-resistent blijken te zijn en schadelijke bacterien minder kans hebben hun funeste invloed uit te oefenen. Maar deze hypothesen konden in dit onderzoek niet worden getoetst.

Verder weten we uit Deens onderzoek van enkele jaren geleden dat vroeg en goed borstelen van de kauwvlakken van de blijvende kiezen, die immers op 5- tot 6-jarige leeftijd doorbreken, op latere leeftijd weinig caries oplevert. De gebitselementen zijn kennelijk in het begin van hun leven zeer vatbaar voor tandbederf en mondhygiene als preventieve maatregel naast fluoride-toediening is dus voor het voorkomen van caries een uitstekende maatregel.

De heer Eijkman is na tien uur te bereiken onder nr. 020 - 51 88 230 of 246.