Van Gogh-uitbreiding: rond paviljoen in een vijver

AMSTERDAM, 26 SEPT. De Yasuda Fire & Marine Insurance Company verlangt geen enkele tegenprestatie voor zijn schenking van 37,5 miljoen gulden voor de bouw en exploitatie van een nieuwe tentoonstellingsruimte bij het Rijksmuseum Vincent van Gogh. Voorwaarden zijn er evenmin gesteld; wel woog het inschakelen van een Japanse architect zwaar, aldus directeur R. de Leeuw. Het museum heeft aangeboden de vleugel naar het bedrijf te noemen, maar directeur Yasuo Goto laat nog in het midden of Yasuda op het aanbod in zal gaan. De nieuwbouw gaat op zijn vroegst in 1995 open.

Zodra de gemeenteraad het Van Goghmuseum eind 1989 toestemming gaf om uit te breiden ging het museum op zoek naar sponsors. Volgens zakelijk adjunct-directeur Ton Boxma is met behulp van de wereldwijde fondsenwervingsorganisatie Telemundi behalve in Japan, ook onder andere in Saoedi-Arabië, Spanje, Italië en Amerika gezocht. Het contact met Yasuda is pas een jaar geleden gelegd; het contract is eind vorige week getekend. In 1987 kocht Yasuda Van Goghs Vaas met zonnebloemen voor veertig miljoen dollar op de veiling. Het doek - dat hij overigens in het Van Goghjaar 1990 niet wilde uitlenen - is nu voor het publiek te bezichtigen in het bedrijfsmuseum, op de bovenste verdieping van het hoofdkwartier in Tokio.

De hoogte van het bedrag heeft het museum zelf bepaald. De helft wordt voor de bouw gebruikt, de andere helft wordt geïnvesteerd om van het rendement de exploitatie te bekostigen. “Dit museum is een van de eerste rijksmusea die zelfstandig wordt, begin 1993”, aldus de directeur. “Dit kunt u beschouwen als de eerste voortbrengsel van die verzelfstandiging.”

Is het geen brevet van onvermogen, dat een Nederlands museum voor een Nederlandse kunstenaar, voor behoorlijke huisvesting aangewezen is op Japanse goodwill? Het museum kreeg vorig jaar al veel kritiek te verduren om de zware stempel die de sponsors op het Van Goghjaar drukten. De Leeuw: “Dit museum beschouw ik niet als typisch Nederlands, en Van Gogh was evenzeer een Franse als een Nederlandse kunstenaar. Bovendien is driekwart van de kunst die we hier hebben, in het buitenland gemaakt. Maar het belangrijkste is, dat Japan het land was van Van Goghs dromen. Het "Japonisme' speelt een belangrijke rol in zijn werk en is al jarenlang een vast programmapunt in onze exposities.”

Vijver

De Leeuw had een aantal namen van Japanse architecten in gedachten, maar is akkoord gegaan met Goto's voorstel om de opdracht te geven aan Kisho Kurokawa (1934). Die heeft in Japan onder andere al negen musea gebouwd en een gebouw voor Yasuda in de Japanse stad Fukuoka. Hij is erelid van het American Institute of Architects en het Royal Institute of British Architects; in 1986 kende de Franse architectuuracademie hem een gouden medaille toe.

De Leeuw, die lid was van de beoordelingscommissie bij de prijsvraag voor het Nederlandse Architectuur Instituut en voor de uitbreiding van het Teylers Museum, ontkent dat het museum hiermee een knieval voor de sponsor maakt. “Het is toch een achterhaald idee om per se een Nederlandse architect te moeten nemen? Dat hebben onze collega's in Groningen en Maastricht al laten zien. Ik vind ook niet dat je pertinent via een prijsvraag je architect moet kiezen. Rietveld, die het bestaande gebouw ontwierp, is ook niet op die manier gekozen. Ik heb ander werk van Kurokawa gezien en ik ben ervan overtuigd dat zijn ontwerp voor ons heel bruikbaar is.”

Om het bestaande gebouw niet aan te tasten had het museum al besloten dat de uitbreiding een apart paviljoen moest worden met een ondergrondse verbinding.“Voor het eerst - eindelijk - ontstaat er dan een scheiding tussen de permanente collectie en de wisselende exposities”, zegt De Leeuw. “Eigenlijk is "uitbreiding' niet het goede woord. Met de komst van het nieuwe paviljoen gaan we niet nóg meer activiteiten ontplooien: we gaan door met wat we nu al doen maar dan op een groter parcours.”

Als antwoord op de rechte hoeken van Rietveld heeft Kurokawa een 12,5 meter hoog gebouw ontworpen in de vorm van iets minder dan een halve cirkel; de achterwand is dertig meter lang. Het staat in een ronde, zes meter diep verzonken vijver, met trappen die naar het water leiden. In deze twee verdiepingen hoge ruimte worden de tijdelijke tentoonstellingen gehouden; als een wybertje steekt daarin op één hoog het prentenkabinet. De gebogen wand is aan de Museumplein-kant gesloten; er komt daglicht binnen via de deels glazen achterwand en onder het dak, dat als een opgelicht deksel open staat. Onder de grond, maar met uitzicht op de vijver, komen de bibliotheek en de passage naar het bestaande gebouw. Overigens worden aan de kantoorvleugel van Rietvelds gebouw twee verdiepingen toegevoegd. Uit ruimtenood heeft het museum elders in de straat een tijdelijk onderkomen voor een deel van de administratie gehuurd.

De permanente collectie zal dan opnieuw worden ingericht. Op de begane grond komen de voorgangers van Van Gogh; daarboven Van Gogh zelf; daarboven de prentenkabinet met de (vorige week opnieuw ingerichte) studiecollectie en een pastelgalerij; en bovenin de impressionisten en post-impressionisten.