Sorry, geen sloppen

Ik ben een terrorist. Het toestel van UK-Air is niet - zoals de geografische logica in Amsterdam leek te gebieden - geland in Newcastle om vervolgens door te vliegen naar Glasgow, integendeel: we bevinden ons al een half uur op de luchthaven van de Schotse hoofdstad en staan op het punt op te stijgen richting de Engelse kustplaats als ik tot de ontdekking kom dat ik mijn bestemming reeds heb bereikt.

Cabinepersoneel en mede-passagiers kijken me aan met gezichten waarop een dikke laag wantrouwen is geplamuurd. Iemand die nù nog wil uitstappen? En hij zegt slechts handbagage bij zich te hebben? Ongetwijfeld een lid van de IRA, Hezbollah of de RAF, of een handlanger van het Irakese bewind, van plan het vliegtuig straks te laten exploderen door middel van een in het ruim achtergelaten bomkoffer. “Gaan we in rook op, dan wel mèt hem”, zie ik een stewardess denken. Het kost een halve liter zweet en twintig minuten vertraging voordat ik voet op Schotse bodem mag zetten.

Een pleziertripje zou het toch al niet worden. Was Glasgow niet die compleet beroete agglomeratie aan de oevers van de Clyde, trillend onder de drilboren, lasapparaten en mokers van de scheepswerven? Hing daar in de straten niet de typisch Britse walm van vet, kolen, uitlaatgassen en Fish & Chips? Waren de afbraakbuurten er niet altijd goed voor een fotografische aanklacht tegen Thatchers beleid? Een avondlijke dwaaltocht vormt de geruststellende illustratie van die clichés (niets vervelenders voor reizigers dan verrassingen: de werkelijkheid dient binnen de perken te blijven). In het portiek van R.G. Hardie, "Maker of the world's finest bagpipes, liggen laveloze zwervers te lallen over illegaal gemaakte whisky, nabij de plaatselijke kilt-couturier staan allang uitgeprate werklozen wat te staren en op Exchange Square zie ik een zwerver naar een BMW-limousine wankelen: hij loopt er omheen, klopt met zijn wijsvinger op de carrosserie alsof het een fantoom betreft en stelt ongelovig vast ("Tsss tss') dat zulke zaken schijnbaar in Glasgow bestaan.

De ochtend nuanceert. Wat in de schemering oogde als een bouwval blijkt een hypermodern winkelcentrum dat nog in de steigers staat. Ogenschijnlijke parkeergarages - ingeklemd tussen Victoriaanse gevels, afbladderende pubs en aplomb-architectuur - ontpoppen zich plots als experimentele gebouwen die lijken overgewaaid uit het Parijse La Défense. Het blok beton in een buitenwijk heeft bij daglicht de contouren van een moskee met Corbusier-trekjes.

Al met al roept het centrum associaties op met een enorme bouwput. "Sorry Sir, ain't many slums left', verexcuseert de portier van mijn hotel zich als ik de weg vraag naar een beruchte sloppenwijk. Voordat Glasgow vorig jaar Culturele Hoofdstad van Europa werd, legt hij uit, liet het Labour-gezinde gemeentebestuur zoveel mogelijk vertimmeren. Niet dat de dagelijkse oproep Let Glasgow Flourish zomaar van de voorpagina's der dagbladen kan verdwijnen: er is nog genoeg te doen. Veel dokwerkers zijn baanloos nu de scheepsindustrie door de Zuidoostaziatische concurrentie is ingestort - ze lachen om de I can work, I will work-posters in de stad. En tot op de dag van vandaag maken voetbalsupporters van het katholieke Celtic en de protestantse Rangers de stad onveilig. Onlangs raapte de politie weer een vermoorde fan van de straat - dolk in het hart. “Maar ach”, klinkt het in de cafés, “het was hier allemaal zoveel erger. De hel lag om de hoek.”

Prepare to meet thy God, heet het op de stadsbus naar Craighton Road. Zelfs aan de stadsrand, ver van de door luxe-appartementen vervangen shipyards, in de buurt waar de arbeidershuizen ooit scheef en gescheurd tegen elkaar aan hingen, getuigen roodbakstenen eengezinswoningen van de sociale vernieuwing. Ik tel slechts één schurftige hond, drie omgevallen vuilnisbakken, twee sloopauto's op de stoep. In Rotterdam-Crooswijk is dat lijstje ongetwijfeld langer. Als het geen terroristentaal was zou je zeggen dat er schot zit in Glasgow.