O-Duitse ambtenaren mogen DDR-dienstjaren meetellen

BONN, 26 SEPT. Alle 1,4 miljoen Oostduitsers in (semi-) overheidsdienst mogen er met ingang van 1 december op rekenen dat hun dienstjaren in de vroegere DDR voortaan meetellen voor hun salarisgrondslag. Deze vooral sociaal-psychologisch belangrijke afspraak, die circa 3,5 miljard mark kost en waarvoor al maanden actie werd gevoerd, is gisteren gemaakt tussen het ministerie van binnenlandse zaken en de vakbond voor overheidspersoneel, transport en verkeer (ÖTV).

In feite is de nieuwe regeling, die geldt van witte-boordenambtenaren en verpleegsters tot PTT'ers, spoorpersoneel en vuilnisophalers, een correctie op een verkeerde taxatie van de ÖTV. Die sloot afgelopen voorjaar voor haar Oostduitse leden een cao tot maart 1992 af (een eerste na de Duitse eenwording) waarin het accent werd gelegd op directe financiële verbeteringen en waarbij dienstjaren in de vroegere DDR buiten beschouwing bleven. Bij deze 1,4 miljoen Oostduitse werknemers, die hun arbeidsverleden - na vaak tientallen jaren werk in de DDR - salaristechnisch in één klap als het ware tot 0 teruggebracht zagen, viel dat slecht, zoals de afgelopen maanden bleek uit korte stakingen en andere acties.

Financieel maakt de tussentijdse wijziging van de cao, die in Duitsland tussen onderhandelingspartijen zeer ongewoon is, niet zóveel uit: gemiddeld gaat het om 50 tot 100 mark bruto in de maand. Maar psychologisch betekent de nieuwe afspraak veel, gezien de financiële en emotionele achterstand die Oostduitsers ervaren in vergelijking met Westduitse collega's. De bedoeling blijft om per eind 1994 gelijke salarisgrondslagen te bereiken voor overheidspersoneel in Oost- en West-Duitsland (kosten: 40 miljard). Nu is de verhouding 60-100, wat nog steeds voor een grote "trek' van bijvoorbeeld gekwalificeerde ambtenaren en verpleegsters van Oost naar West (en problemen in Oostduitse overheidsdiensten) zorgt.

Wie vroeger (mede) voor de staatsveiligheidsveiligheidsdienst (Stasi) heeft gewerkt blijft buiten de nieuwe regeling, wat betekent dat in een flink aantal gevallen het arbeidsverleden van overheidspersoneel op die vraag moet worden onderzocht. Oostduitse lokale en regionale besturen hebben alvast laten weten dat zij de kosten van de nieuwe afspraak niet kunnen betalen zonder nadere hulp uit Bonn. De uitkomst van gisteren is in zoverre ook paradoxaal dat minister Schäuble (binnenlandse zaken) de kosten (en de omvang) van het geërfde zware Oostduitse overheids-apparaat de komende jaren juist drastisch wil beperken.