Nascholing in nascholing; Scholen krijgen geld voor nascholing straks zelf in handen, om beter personeelsbeleid te kunnen voeren

Vanaf volgend jaar gaat het geld voor nascholing van het onderwijs niet meer naar de lerarenopleidingen maar naar de scholen zelf. Met dat geld kunnen zij dan naar commerciële instituten gaan, of naar de goedkoopste lerarenopleidingen. Niet iedereen verheugt zich op de geneugten van de vrije markt.

In de kamer van John de Korte klinkt het geluid van een boor door. De verbouwing van de tweede verdieping van de faculteit educatieve opleidingen is in volle gang. Zelf heeft projectmanager nascholing De Korte inmiddels een kamer die er heel anders uitziet dan wat gewoon is op een hogeschool. Aan de muren hangen reproducties, de kleuren van wanden, tapijt en meubilair zijn zorgvuldig op elkaar afgestemd. De andere kamers op de tweede verdieping krijgen dezelfde, zichtbaar dure inrichting. De Utrechtse Hogeschool Midden Nederland maakt werk van de komende veranderingen in de nascholing van het onderwijs.

Die veranderingen komen er op neer dat het geld voor nascholing in het basis-, speciaal en voortgezet onderwijs vanaf volgend jaar niet meer automatisch terechtkomt bij de instituten die die nascholing verzorgen, meestal lerarenopleidingen. De circa honderd miljoen gulden die jaarlijks met de nascholing van schoolleiding, leraren en onderwijzers is gemoeid komt dan bij de scholen, die er nascholing van kunnen kopen. Zij kunnen naar de lerarenopleidingen gaan, zoals altijd, maar ook naar commerciële opleidingsinstituten of naar een andere lerarenopleiding dan waar ze tot nu toe naar toe gingen, een lerarenopleiding die goedkoper is bijvoorbeeld. Of een die mooiere cursusruimten heeft.

De faculteit educatieve opleidingen van de Hogeschool Midden Nederland is een van de grotere lerarenopleidingen in Nederland. Onder één dak bevinden zich een PABO, een opleiding voor leraar in het speciaal onderwijs, 16 tweedegraads en tien eerstegraads opleidingen. Elk jaar ontvangt de faculteit van de minister van onderwijs ruim vier miljoen gulden voor nascholingsactiviteiten. Hieraan werken zo'n honderd docenten mee, van wie de meeste in deeltijd. Behalve een deel van de verbouwingskosten, kon van de vier miljoen ook een "stafbureau nascholing' worden betaald, door De Korte de ""bedrijfsmatige voorbereidingen'' op de komende veranderingen genoemd.

De Korte zegt ingenomen te zijn met de nieuwe situatie. Het is een uitdaging. ""De vrijblijvendheid gaat eraf. Dat kan alleen maar goed zijn.'' Dat laatste zegt niet iedereen op de faculteit hem na. Sommige docenten hebben duidelijk moeite met de verandering die de minister doorvoert om de betrokkenheid van scholen bij de nascholing groter te maken. Ze zullen misschien, zijn ze bang, heel andere cursussen moeten opzetten, kritiek krijgen, anders voor de klas moeten staan. En het ergste: als de zaken niet goed gaan, kunnen ze hun baan verliezen.

Anderen denken volop met De Korte mee. Ze wijzen hem er op dat er een nieuwe telefooncentrale moet komen, omdat de faculteit anders zo moeilijk bereikbaar is. En dat de tweede verdieping eigenlijk een aparte ingang nodig heeft. Want op die fraaie verdieping wordt wel wat afgedongen als de cursisten eerst door de uitgeleefde, van studenten vergeven hal moeten.

De faculteit was niet altijd zo klantgericht. Voor sommige cursussen was nauwelijks belangstelling, maar dat betekende niet dat ze verdwenen. Ze werden wat bijgesteld. Nu, haalt De Korte een folder uit de stapel op zijn bureau, gebeurt dat nog wel eens, maar minder vaak. ""Voor deze cursus bijvoorbeeld zijn een stuk of vier, vijf aanmeldingen binnengekomen. De cursus loopt al een paar jaar niet zo goed meer, maar is toch weer aangeboden. Dat is jammer, dat zou niet voor mogen komen. Straks moeten we die mensen afzeggen en dat is negatieve pr.'' De Korte denkt dat de cursusleiding ""vanuit een automatisme'' weer met dezelfde cursus is gekomen. ""Of misschien is er niet genoeg geacquireerd.''

Liefhebberende docenten

De slechte aansluiting tussen de wensen van scholen en het aanbod van lerarenopleidingen is een van de redenen waarom het ministerie van onderwijs de nascholingssystematiek verandert. Voorbeelden van lerarenopleidingen die komen met cursussen waar de scholen niet op zitten te wachten, zijn er te over. Een enquête die het Nederlands Genootschap van Leraren vorig jaar hield onder zijn leden in de regio Utrecht, de regio van onder meer de Hogeschool Midden Nederland, meldt dat veel cursussen ""gericht lijken op het behoud van de eigen instelling'': liefhebberende docenten komen jaar in jaar uit met cursussen die vooral aansluiten bij hun eigen belangstelling. Cursussen die wel nodig zijn, ontbreken: lesgeven aan een veranderd type leerling, stevig orde houden, de nieuwe eindexamens Grieks en Latijn, "informatica waar je écht iets aan hebt'.

Maar een belangrijker reden om de nascholing anders op te zetten, is de over het algemeen gebrekkige belangstelling ervoor van de schoolleiding. Veel nascholing gebeurt op eigen initiatief van leraren en onderwijzers, en lang niet altijd na overleg met rector of directeur. Omdat scholen nauwelijks een personeelsbeleid voeren, is dat geen wonder. Maar in de nabije toekomst, wanneer het formatiebudgetsysteem scholen meer vrijheid geeft in de verdeling van taken en functies over het personeel, moet dat anders worden.

Op een congres dat de Vereniging Lerarenopleiders Nederland (VELON) dit voorjaar hield over de nieuwe nascholingssystematiek, waren ook twee schoolleiders als spreker uitgenodigd. Martin Vredeveld, directeur van basisschool De Vallei in Leusden, stak de hand in eigen boezem. Inderdaad, van planmatige nascholing was op de meeste basisscholen geen sprake. Hij had een mini-onderzoek gedaan op 15 hem bekende scholen en de uitkomst was ronduit treurig. Van de 15 directeuren hadden er 14 geen beleid, zij bepaalden eenvoudig aan de hand van het aanbod van het moment waarop ingetekend werd. Vijf van de 14 hadden geen idee waarop hun team nageschoold zou moeten worden. Negen directeuren vonden het wel een goed idee om eens een nascholingsplan te gaan maken, maar het algemene gevoel was dat men de handen al vol genoeg had en graag eens een poosje rustig wilde werken.

Vredeveld vindt het maar al te verklaarbaar. Directeuren van basisscholen hebben weinig tijd voor zaken die geen onmiddellijke betrekking hebben op de dagelijkse gang van zaken op school. Op kleine scholen heeft de directeur een halve dag voor andere taken dan lesgeven. En ook als zo'n directeur een managementtraining heeft gevolgd, wil dat nog niet zeggen dat hij nu weet hoe je een nascholingsbeleid moet opzetten. ""Scholen zijn in zichzelf gekeerde organisaties. Dat betekent dat ze vaak niet eens weten wat er zou kunnen veranderen.''

Als scholen niet in staat zijn hun behoeften aan nascholing in kaart brengen, zal het nieuwe nascholingsregime, denkt Vredeveld, nauwelijks gaan verschillen van het huidige. Dan zullen nog steeds de lerarenopleidingen het aanbod bepalen. Die kans is des te groter nu veel lerarenopleidingen, om sterker te staan op de nieuwe nascholingsmarkt, besluiten om te gaan samenwerken. In de regio Utrecht hebben de Hogeschool Midden Nederland, de Rijksuniversiteit Utrecht, het Utrechtse Schooladviescentrum, het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum in Amsterdam en het Educatief Centrum Utrecht een zogeheten Educatieve Federatie gevormd. En onder het motto "zorg dat elke school de basisvorming krijgt die bij de school past', biedt een samenwerkingsverband van de Vrije Universiteit, de Amsterdamse Hogeschool Holland, het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum in Hoevelaken en de christelijke hogeschool Windesheim in Zwolle dit najaar een cursus "Management & Basisvorming' aan. De nascholing is, zo staat op de achterflap van de bijbehorende folder, het resultaat van een uitgebreide consultatie van een groot aantal schoolleiders.

Waar willen we naar toe?

In haar lezing op het congres van de VELON noemde rectrix Marlies Kreuzen van de christelijke scholengemeenschap ds. H. Pierson in Den Bosch de veranderingen in de nascholing van het onderwijs ""een goede aanleiding voor bezinning''. Waar willen we met de school naar toe, hoe zien wij onszelf, hoe hopen we onszelf te zien in vijf à tien jaar en wat ontbreekt er binnen de school aan kennis en vaardigheden om dat ideale beeld te kunnen verwezenlijken: het waren volgens haar allemaal vragen die nu eens gesteld konden worden.

Maar ook op de school van Kreuzen, toch heel wat groter dan een basisschool, begreep men dat het maken van een nascholingsplan geen eenvoudige zaak is. Ook al omdat scholen straks wel zo'n plan aan de inspectie moeten kunnen laten zien, werd besloten in te gaan op een aanbod van de educatieve faculteit van de Hogeschool Gelderland in Arnhem om een "stappenplan' voor de analyse van nascholingsbehoeften uit te testen. Het resultaat is dat nu alle mentoren zich gaan nascholen op het gebied van leerlingbegeleiding.

Net als Vredeveld, denkt ook Kreuzen dat de nieuwe nascholingssystematiek niet tot eigenzinnige vragen zal leiden, in ieder geval niet op korte termijn. Alle nascholing in het voortgezet onderwijs zal de komende jaren betrekking hebben op de basisvorming, en in de invoering van die basisvorming zullen scholen niet veel van elkaar willen verschillen. Al te experimenteel doen kost leerlingen. Het is zelfs mogelijk, vermoedt Kreuzen, dat onder het nieuwe regime de meer gedurfde cursussen achterwege zullen blijven, nascholing in andere didactieken of in samengevoegde vakken bijvoorbeeld. Bij onvoldoende afnemers lopen de lerarenopleidingen straks immers financiële risico's?

Om die risico's voorlopig te beperken, is een overgangsperiode ingesteld waarin scholen 80 procent van het nascholingsgeld moeten besteden bij de lerarenopleidingen. Die periode valt samen met de geleidelijke overheveling van het geld naar de scholen: 42 miljoen in het schooljaar 1992-93, 68 miljoen in 1993-94, 83 miljoen in 1994-95 en 102 miljoen, het hele bedrag, in 1995-96. Pas vanaf 1 augustus 1996 beschikken de scholen over het hele nascholingsbudget, en mogen ze dat besteden waar ze willen.

Maar terwijl Kreuzen en Vredeveld geen grote toeloop naar commerciële instituten verwachten (""Die zijn veel te duur''), zijn de meeste lerarenopleidingen minder zeker van hun zaak. Ook in Rotterdam heeft de hogeschool Rotterdam & Omstreken, om niet alle energie te moeten besteden aan moordende concurrentie, contact met andere lerarenopleidingen gezocht. Nee, we verbouwen niet, zegt hoofddocent onderwijskunde Hans van der Moolen. ""We proberen een zekere soberheid uit te stralen. Per slot van rekening horen we bij het onderwijs.'' Maar eerlijk gezegd was er ook geen geld voor. Misschien dat de faculteit educatieve opleidingen het anders wel had gedaan.

Van der Moolen ziet een aantal nadelen aan het nieuwe nascholingsregime kleven, waaronder een mogelijk verlies van werkgelegenheid dat hem ""met zorg vervult''. Tot augustus 1996 is er weinig aan de hand maar daarna, vermoedt hij, zullen veel scholen voor nascholing wel degelijk naar commerciële instituten gaan. Als de subsidie wegvalt, zullen de lerarenopleidingen immers duurder worden. Wel denkt Van der Moolen dat de scholen terug zullen komen: ""Ze zullen merken dat die instituten niet zo goed zijn ingevoerd in de dagelijkse schoolpraktijk als wij''. Maar in de tussentijd zal een aantal banen op de tocht komen te staan.

Van der Moolen vindt eigenlijk dat er te veel nadruk wordt gelegd op de financiële kant van nascholing. Het gaat vooral over de overheveling van geld, over de verantwoordelijkheid van de overheid voor een constructief nascholingsbeleid wordt nauwelijks gepraat. Net als Kreuzen denkt hij dat niemand zich straks nog druk zal maken om behartenswaardige zaken als heterogene klassen in de basisvorming. De lerarenopleidingen niet omdat ze er niet aan verdienen, de scholen niet omdat het weggegooid geld is.

En dan is er nog iets. Natuurlijk is het mooi dat er een vrije markt voor nascholing komt, maar is het nodig dat iedereen nu net doet alsof er van de nascholing nooit iets heeft gedeugd? De meeste cursussen worden tegenwoordig opgezet in samenspraak met scholen, dat er na vijf minuten een leraar opstaat en zegt dat hij niet om nascholing heeft gevraagd, is een anecdote uit een ver verleden. Ook is er allang een zekere concurrentie tussen de lerarenopleidingen, weliswaar niet op prijs, maar wel op regionaal bereik, op cursusaanbod en op denominatie.

Van der Moolen is niet de enige die vindt dat er nu wel wat veel wordt gekankerd op nascholing. Vorig jaar kwam het Groningse Instituut voor Onderwijsonderzoek RION met een onderzoek onder 339 basisscholen, waaruit bleek dat er "geen structurele afstemmingsproblemen' tussen vraag en aanbod meer bestaan. In ieder geval geldt dat als de nascholing tot stand is gekomen in goed overleg tussen school, PABO en onderwijsbegeleidingsdienst, en dat is volgens de onderzoekers meestal het geval. ""Het lijkt niet aanbevelenswaardig een dergelijke verhouding tussen ondersteuners en school zonder meer in de waagschaal te stellen'', besluit het onderzoek.

Een onderzoek van de Katholieke Universiteit Nijmegen uit 1988 is minder uitgesproken: het nascholingsaanbod is wel goed, maar vaak niet genoeg op de dagelijkse praktijk gericht. Echt mis gaat het volgens diverse onderzoekers alleen maar bij grote, voor duizenden cursisten bedoelde nascholingsprojecten, zoals het inmiddels beruchte "speerpunt lezen' voor het basisonderwijs.

De kans dat er in de toekomst juist meer grootscheepse projecten komen, zit er wel in als lerarenopleidingen vaker dan voorheen gaan samenwerken. In Groot-Brittanië, dat Nederland is voorgegaan in het creëren van een echte nascholingsmarkt voor het onderwijs, zijn de ervaringen met het nieuwe systeem niet onverdeeld gunstig. Scholen bleken niet goed in staat een eigen nascholingsbeleid te formuleren. Ze vertrouwden erop dat de lerarenopleidingen wel wisten wat ze nodig hadden. Erger was, dat in het nieuwe systeem bezuinigen veel gemakkelijker bleek dan vroeger. Vóór de verandering, toen de lerarenopleidingen nog rechtstreeks geld voor nascholing kregen, was er een direct verband tussen dat geld en de werkgelegenheid van de lerarenopleidingen. Dat verband verdween toen het geld naar de scholen ging.

Zover is het in Nederland nog niet. Hier brengt het nieuwe systeem voorlopig alleen maar werk met zich mee. Wordt er niet verbouwd, dan wordt er (in Rotterdam) wel een "steunpunt basisvorming' opgezet, inclusief 06-nummer. Of er wordt nageschoold in nascholing. Zo biedt een samenwerkingsverband van 12 christelijke PABO's, de Besturenraad voor het Protestants-Christelijk Onderwijs, het Christelijk Pedagogische Studiecentrum en de vakbond PCO inmiddels de cursus "Basisschool en Nascholingsbeleid' aan. De cursisten verwerven ""inzicht in de mogelijkheden en de verplichtingen die de nieuwe regeling voor hun school met zich meebrengt''.