Kieft in vorm niet te beteugelen

EINDHOVEN, 26 SEPT. Kieft contra Vonk. Het klinkt als de bonkige botsing van twee lettergrepen. Het was het lichtvoetig treffen van een briljante spits en een degelijk mandekker. Eenzaam hoogtepunt van de wedstrijd tussen PSV en SVV Dordrecht '90, die de Eindhovenaren overtuigend met 5-0 wonnen.

Willem Kieft kwam als de grote overwinnaar uit de strijd. Dat wilde Michel Vonk na afloop ook wel erkennen. Hoewel hij vond dat hij goed had gespeeld. Had hij Kieft niet belet om te scoren? Dat strekte hem toch tot eer? Maar hij had niet kunnen verhinderen dat Kieft de bal tot twee keer toe perfect had klaargelegd. Zodat diens medespelers wel moesten scoren. Eerst Ellerman: 1-0. Later Scheepers: 4-0. “Vervelend”, vindt Vonk. “Ik heb een hele moeilijke avond gehad.”

Vonk was het veld ingestuurd met de opdracht Kieft te volgen als een schaduw. Waar Kieft ook heen schoot in de wedstrijd - als een kikkervisje: links en rechts en in het midden, ook zakkend naar het middenveld - overal vond hij Vonk aan zijn zij. Maar Vonk moest Kieft ook elimineren, uitschakelen, niet in het spel laten komen. Daarin slaagde de mandekker niet.

Dat was ook een onmogelijk opgaaf. Want een Kieft in topvorm is niet te beteugelen. Je kunt voorkomen dat hij je passeert. En dat deed Vonk. Je kunt beletten dat hij met zijn kopkracht voor gevaar zorgt. Ook dat lukte Vonk. Maar je kunt niet vermijden dat Kieft aan de bal komt. Kieft is altijd aanspeelbaar. Je kunt ook niet verhinderen dat hij zijn medespelers genereus bedient, want Kieft is moeilijk van de bal te krijgen. Kieft is de ideale aangever: een dienstbare spits.

Volgens Vonk is Kieft altijd aanspeelbaar omdat hij zo beweeglijk is en handig de ruimte benut. Als de Eindhovense aanval nog in opbouw is, staat hij meestal buitenspel, ergens tussen keeper en laatste man van de tegenpartij. Maar als een medespeler een aanspeelpunt zoekt, laat hij zich plotseling zakken. Daarbij zet hij zich bij voorkeur op het lichaam van zijn tegenspeler af. “Het is niet meer dan een zetje”, weet Vonk uit ervaring. “Maar wel voldoende om je uit balans te brengen. Dan is hij al weg. Dan heeft hij weer een meter voorsprong.”

Vonk kent natuurlijk die specialiteit van zijn tegenspeler. Ze hebben wel vaker tegen elkaar gespeeld: Vonk in het Olympisch elftal, Kieft in Oranje. Dit zijn niet de minsten. Maar wat doe je tegen de jojo-truc van Kieft? Je kunt wel achter hem gaan staan, dus tussen hem en je keeper. Maar dan maak je het veld weer langer. En dan gaat hij toch weer achter je staan. Dus zit er niks anders op dan hem maar achter je rug te gedogen. Zodat hij dus eigenlijk jouw schaduw is. En hem vanuit je ooghoeken in de gaten te houden. Lastig hoor.

Als Kieft eenmaal aan de bal is, kun je hem die moeilijk ontroven, zegt Vonk. Je komt niet eens meer in de buurt van de bal. Hij maakt zich breed en groot, wappert met zijn armen. Hij schermt de bal uitstekend af. En dan komen zijn ploeggenoten. Dat is de ellende, zegt Vonk, bij ploegen als PSV en Ajax. “In de combinatie tikken ze ons in hoog tempo weg.”

Vonk zegt ook nog dat Kieft “niet zo'n goaltjedief als Ellerman is”. “Maar wel een geweldige spits. Zo een die zijn medespelers laat scoren.”

Kieft toont zich na afloop ook wel tevreden over het eigen spel, met name in de eerste helft. Zijn tegenspeler, Michel Vonk, schat hij hoog, maar hij vond hem minder sterk spelen dan anders. “Je kunt merken dat die jongens van SVV Dordrecht '90 door een moeilijke periode gaan.” Zijn dienstbare spel beschouwt hij als logisch voor een speler met zijn capaciteiten. “Ik heb nu eenmaal niet de individuele actie van hoog niveau in huis om te soleren.” Ook bagatelliseert hij zijn eigen sleutelrol in de aanvalscombinaties. “Het is belangrijk hoe je wordt aangespeeld. Gerald Vanenburg geeft de ballen zo perfect, dat je ze alleen nog maar hoeft te raken.”

Dienstbaar, best. Maar Kieft had gisteren toch graag zijn eigen doelpunt willen maken. Dat hoort tenslotte ook bij de taakomschrijving van een spits. “Niet dat die druk bij PSV zo groot is. Ik ben nu eenmaal niet iemand die 35 goals in een jaar maakt. Maar het moeten er toch wel 15 zijn. Of 20. Als ik zo blijf spelen, komt dat vanzelf.”