"Historisch' akkoord voor ecologisch gezonde Rijn in 2000; Rijnzout-verdrag ondertekend

BRUSSEL, 26 SEPT. Ministers van de Rijnoeverstaten hebben gisteren in Brussel een nieuw verdrag ondertekend om de verzilting in het stroomgebied van deze rivier terug te dringen. De overeenkomst, het Rijn-zoutverdrag, moet nog door de parlementen van de betrokken landen - Nederland, Frankrijk, Duitsland , Zwitserland en Luxemburg - worden goedgekeurd. Minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat), die namens Nederland tekende, sprak van een historisch moment: “Hiermee zetten we gezamenlijk een streep onder een lange periode waarin het probleem van de zoutbelasting van de Rijn steeds weer op onze agenda's terugkeerde.”

Het bereikte akkoord is volgens haar de uitdrukking van een toegenomen collectieve wil om de vervuiling van de Rijn te bestrijden. Ze verwees hierbij naar het Rijnactieprogramma, dat de lozing van chemicaliën, zware metalen en fosfaten aan banden moet leggen. Dit programma heeft tot doel de Rijn in het jaar 2000 weer tot een ecologisch gezonde rivier te maken. “De uitvoering van dit plan ligt goed op koers”, aldus Maij-Weggen, “en is inmiddels een voorbeeldfunctie gaan vervullen voor de aanpak van andere Europese rivieren.”

Ze maakte duidelijk dat de chemische vervuiling hogere prioriteit heeft dan de verzilting en daarin werd ze bijgevallen door haar collega's K. Töpfer, de Duitse milieuminister, en B. Lalonde, de Franse staatssecretaris voor milieuzaken. Lalonde meldde dat juist gisteren op het Franse traject van de Rijn de eerste zalm was gevangen. Töpfer overtroefde de Fransman door gewag te maken van twee zalmen, die kort geleden in Duitsland waren opgevist: “En dat betrof geen uitgezette exemplaren, maar dieren die op eigen kracht de Rijn waren opgetrokken.”

Het stuk dat gisteren in Brussel werd ondertekend, is een zogenoemd aanvullend protocol op het al bestaande Zoutverdrag, dat nog maar gedeeltelijk in werking was getreden. De nieuwe overeenkomst houdt in dat de Franse kalimijnen in de Elzas bij lage waterstanden afvalzouten achterhouden en bovengronds opslaan, zodat het zoutgehalte bij Lobith niet boven de 200 milligram chloride-ionen per liter uitkomt. Dat cijfer is het equivalent van 330 milligram natriumchloride ofwel puur keukenzout. De vertegenwoordigers van alle Rijnstaten vonden deze norm, die juist afgelopen maand herhaaldelijk werd overschreven als gevolg van de extreem lage waterstanden, aanvaardbaar.

Daarnaast zal Nederland het IJsselmeer ontlasten door zout kwelwater uit de Wieringermeer voortaan naar de Waddenzee te pompen. Minister Maij beloofde om, vooruitlopend op parlementaire goedkeuring van het nieuwe verdrag, mee te werken aan een snelle uitvoering van dit onderdeel.

Het dubbelplan gaat in totaal 170 miljoen gulden kosten, te betalen door de betrokken landen gezamenlijk. Hiervoor geldt een verdeelsleutel die al veel eerder was afgesproken: Nederland betaalt als voornaamste belanghebbende 34 procent, Frankrijk en Duitsland ieder 30 procent en Zwitserland 6 procent. Dit in weerwil van het beginsel "de vervuiler betaalt', dat zich in dit geval van grensoverschrijdende vervuiling moeilijk liet hanteren.

Duitsland heeft bij monde van minister Töpfer geruime tijd bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde maatregelen op Nederlands grondgebied ten koste van circa 30 miljoen gulden. Ook hieraan zou de Bondsrepubliek 30 procent (dus bijna tien miljoen gulden) moeten bijdragen. De bezwaren golden niet de hoogte van het bedrag, maar het principe: “Meebetalen aan een puur Nederlandse maatregel past niet in het Rijn-zoutverdrag”, was de stelling. Eind vorig jaar bleken de Duitsers alsnog bereid mee te werken, zodat niets de ondertekening van het protocol meer in de weg stond.

Ontzilting van Rijn en IJsselmeer is vooral van belang voor de drinkwatervoorziening in Nederland, omdat een te hoog zoutgehalte de leidingen aantast en de gezondheid van de consument kan schaden. De Rijn is bron van drinkwater voor Amsterdam, dat de vloeistof bij Nieuwegein uit de Lek haalt om ze vervolgens in de duinen te infiltreren. De provincie Noord-Holland tapt hoofdzakelijk uit het IJsselmeer, dat ook weer grotendeels door de Rijn wordt gevoed. Om die reden betalen het Amsterdamse en Noordhollandse drinkwaterbedrijf - noodgedwongen - circa twintig miljoen gulden mee aan de uitvoering van het totaalplan. De rest van de Nederlandse kosten, veertig miljoen, komen ten laste van het rijk en worden verdeeld over de begrotingen van verkeer en waterstaat, VROM en landbouw.

In het verleden was het altijd Frankrijk dat de uitvoering van het uit 1976 daterende Rijn-zoutverdrag tegenhield. Gisteren beloofde staatssecretaris Lalonde plechtig dat zijn land het nieuwe akkoord zal naleven. Om aan de norm van 200 milligram chloride-ionen bij Lobith te voldoen, moet bij lage waterafvoeren zout in de Elzas worden opgeslagen. Hij sloot echter niet uit dat na 1998, als een van de twee kalimijnen uit produktie wordt genomen, alsnog een deel van de opgeslagen vracht in de Rijn zal verdwijnen.

Sinds 5 januari 1987 wordt in de Elzas per jaar circa 750.000 ton afvalzout op een terrein bij de kalijmenen gestort. Deze opslag vloeit voort uit de eerste fase van het Rijn-zoutverdrag, waarover destijds na langdurige en moeizame onderhandelingen een akkoord werd bereikt. De tweede fase zou op 5 januari 1989 ingaan, maar daar stak de toenmalige Nederlandse minister van verkeer en waterstaat, Smit-Kroes, een stokje voor. Ze was het niet eens met de Franse voorstellen en besteedde de Nederlandse financiële bijdrage - toen ongeveer honderd miljoen gulden - liever aan acties tegen de lozing van chemicaliën en zware metalen. “Dat zout”, zei ze, “is tenslotte een minder ernstig probleem dan de chemische vervuiling”. Daarop moest Nederland een nieuw ontziltingsplan ontwerpen en kwam het IJsselmeer als gedeeltelijk alternatief in beeld.

Het Rijn-zoutverdrag kende ook nog een derde fase. Deze hield in dat in een later stadium ook andere zoutbronnen langs de Rijn, voornamelijk verspreide kolenmijnen in Duitsland, zouden worden gesaneerd. De Internationale Rijncommissie, het ambtelijk overlegorgaan van de Rijnstaten, zou onderzoek doen naar de mogelijkheden op dit gebied. Deze fase is nu echter van de baan. De partners langs de Rijn achten de norm van 200 milligram per liter bij Lobith voldoende.