Het spook van het kolonialisme

De entree van de Centrale Bibliotheek van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (cp,8,9.5 KITcp,9.5 ) geeft bezoekers in eerste instantie het idee verkeerd te zijn. De achthoekige ontvangsthal met galerij is opgetrokken in rood en wit marmer en is opgesierd met goudkleurige ornamenten. Niets wijst erop dat hier een grote boekenverzameling aanwezig is over mensonwaardige armoede en alle problemen die daarmee samenhangen.

Aan het begin van deze eeuw had het Nederlandse bedrijfsleven in Indonesie behoefte aan een symbool waarmee de grootheid van Nederland als koloniale mogendheid getoond kon worden. Men besloot daarom het reeds sinds 1860 bestaande Koloniale Museum uit Haarlem een nieuw onderkomen te geven in het Koloniale Instituut in Amsterdam. Het bouwwerk dat daartoe werd opgetrokken had als eerste doel buitenstaanders te imponeren. Zo werden zelfs de koppen van regenpijpen verfraaid met een gebeeldhouwde Indonesische God.

Het dienen van de schone schijn was niet de enige funktie van het Koloniale Instituut. Het maakte zich nuttig als expertisecentrum. In de bibliotheek waren vooral verhandelingen te vinden met een toegepast wetenschappelijke aard. Het Instituut moest antwoord geven op vragen over de beste manier waarop het bestuur, beheer en exploitatie van de kolonien kon worden weergegeven. Andere onderwerpen waren bij voorbeeld tropische hygiene, onderwijs, of op welke wijze opstanden voorkomen kunnen worden. Ook de rapporten van door het Nederlandse bedrijfsleven uitgevoerde studies, werden in de collectie opgenomen.

Opportunisme was niet de enige leidraad voor de bibliotheek. De huidige bibliothecaris, de heer Van der Wal, beschrijft dat ook literatuur werd aangeschaft over wat toen nog het "koloniale probleem' heette. Van der Wal: ""Het bedrijfsleven dat ons financierde wilde op de hoogte blijven van alle standpunten. Bovendien was het Instituut in staat een onafhanklijke koers te varen.''

Dankzij het verleden beschikt de bibliotheek nu over een uitgebreide verzameling documenten over Indonesie, die in het land zelf ongeevenaard blijft. Interessant zijn bijvoorbeeld de leerboekjes die voor onderwijs in de voormalige kolonie werden gebruikt. Van der Wal: ""Uit de boekjes blijkt dat het onderwijs nauwelijks aan de lokale situatie was aangepast en erg op Nederland was gericht. Op zich is dit een bekend gegeven, maar men lijkt geen genoeg te kunnen krijgen van de voorbeelden hiervan.''

Een ander interessant deel van de collectie is de uitgebreide verzameling van kranten die in Indonesie ten tijde van de Nederlandse overheersing uitkwamen. De belangstelling hiervoor is groot. Van der Wal constateert dat de koloniale periode, toen Nederland geen klein kikkerlandje was maar een grote mogendheid die bij wijze van spreken zo in de G7 had gekund, velen blijft verbazen en fascineren.

De bibliotheek heeft echter een gedeelte van de verzameling oude kranten overgedragen aan de Koninlijke Bibliotheek in Den Haag. De kranten begonnen uit elkaar te vallen en er was onvoldoende geld om alle jaargangen te restaureren of te verfilmen. De Koninklijke Bibliotheek beloofde deze taak op zich te nemen en ontfermde zich over dit historische materiaal. In de praktijk blijkt dat niet alle kranten verfilmd zijn. Van der Wal: ""De Koninklijke Bibliotheek heeft in ieder geval een goede airconditioning, zodat de kranten minder hard achteruit gaan dan bij onze eigen bibliotheek zou zijn gebeurd.''

In 1950 bevrijdt Indonesie zich van de banden met Nederland. Het Koloniaal Instituut verliest daardoor de gulle steun van het bedrijfsleven. De overheid grijpt gelukkig in en zo ontstaat het cp,8,9.5 KITcp,9.5 dat wordt omgevormd tot een kenniscentrum over ontwikkelingsvraagstukken. Voor de bibliotheek betekent dit dat niet langer uitsluitend over de Nederlandse kolonien wordt verzameld. Ontwikkelingsvraagstukken in de gehele Derde Wereld zijn nu van belang. De omschakeling is minder groot dan op het eerste gezicht lijkt. Van der Wal: ""De problemen die het bedrijfsleven en het gouvernement hadden komen ook terug in het bestuur van zelfstandige landen.'' De collectie behoudt haar toegepast wetenschappelijke aard.

Ook de ideologische inslag van de collectie veranderde niet. Van der Wal: ""In de koloniale tijd hadden wij boeken van zowel de voor- als tegenstanders van het koloniale stelsel. We hadden bij voorbeeld de mensen die de Max Havelaar als zakbijbel beschouwden en de mensen die daar schamper over deden. De bibliotheek heeft altijd gestreefd naar een volledige weergave van standpunten, en daar is geen verandering in gekomen''.

In de laatste dertig jaar heeft de bibliotheek wel haar gedistingeerde karakter verloren. De doelstelling is dat de boeken zoveel mogelijk benut worden. Dit lukt opperbest, want het aantal leningen aan buitenstaanders is de laatste dertig jaar explosief gegroeid. Met behulp van technische middelen wordt de openheid nog vergroot. Zo is het in verschillende universiteitsbibliotheken in Nederland mogelijk om met de computer de collectie van het cp,8,9.5 KITcp,9.5 te doorzoeken. Ook particulieren die beschikken over de juiste apparatuur kunnen door middel van de voor dit doel opengestelde telefoonlijnen in het bestand rondneuzen.

Een nadeel van de bibliotheek is dat de bezoekers niet zelf bij de boeken kunnen en dat ook de tijdschriften slechts voor tien procent in een open opstelling staan. Van der Wal meent echter dat dit alleen voor mensen die niet precies weten wat zij zoeken een nadeel is. De overigen kunnen met de computer systematisch op zoek gaan naar relevante literatuur. Van der Wal: ""Voor degenen die graag zelf in de boeken willen grasduinen hebben wij een onderafdeling in het museum geopend. Hier staat een collectie boeken met veel plaatjes en weinig tekst. Dit is bijvoorbeeld ideaal voor middelbare scholieren die een werkstuk willen maken, maar ook voor personen die zich voor het eerst in deze onderwerpen verdiepen.''

Het mooiste boek uit de collectie, heeft slechts weinig met ontwikkelingsvraagstukken te maken en stamt uit het einde van de zeventiende eeuw. De auteur, Henricus D'Acquet (1632-1706) was burgemeester van Delft en verzamelaar van curiosa. Zijn interesse ging daarbij onder andere uit naar lokale en exotische insecten en amphibieen. D'Acquet tekende deze beestjes in kleur zo waarheidsgetrouw mogelijk na. Het resultaat van deze huisvlijt is een losbladig werkstuk van zo'n zes centimeter dik, waarin de meeste afbeeldingen met een priegelhandschrift van een datum zijn voorzien. Sommige van de afgebeelde dieren zijn inmiddels uitgestorven en enkele tekeningen van D'Acquet zijn zelfs de enig overgebleven afbeelding van een diersoort.

Centrale Bibliotheek Koninklijk Instituut voor de Tropen. Mauritskade 63. 1092 AD Amsterdam. Telefoon 010-5688246. Hoofdonderwerp: Ontwikkelingsvraagstukken. Boeken: 180.000 titels. Tijdschriften: 10.000 titels, waarvan 4.000 lopende abonnementen. Openingstijden: op werkdagen van 10.00-17.00 uur. De boeken worden uitgeleend aan iedereen die zich kan legitimeren.

De Museumbibliotheek is geopend van dinsdag tot en met zondag van 12.00-17.00 uur. Een jaarabonnement voor de museumbibliotheek kost 7,50 en hiermee kan tevens het museum zonder verdere kosten bezocht worden.