Genderstudies

Tijdschrift voor Vrouwenstudies, 10e jaargang nummer 3. Uitgeverij SUN, Nijmegen. ƒ 17,50 per nummer van gemiddeld 120 bladzijden. Verschijnt vier maal per jaar. Abonnementen kosten ƒ 54,40. Tel.: 080-221700

Vorige week vrijdag vierde het Tijdschrift voor Vrouwenstudies zijn tienjarig jubileum. Net als bij het eerste lustrum gebeurde dit met een congres over een aantal voor de toekomst van vrouwenstudies wezenlijke vragen. Belangrijkste hiervan was die naar de opkomst van het begrip genderstudies als vervanging van vrouwenstudies: genderstudies geeft beter dan vrouwenstudies aan dat het hier gaat om de wetenschappelijke bestudering van sekseverschillen, en niet alleen om de onderdrukking van de vrouw. Maar, zo vroeg de redactie van het tijdschrift zich af, is het niet zo dat met de introductie van het begrip genderstudies mannelijkheid en vrouwelijkheid gelijkwaardige categorieën worden, waardoor ""de politieke angel uit vrouwenstudies wordt gehaald''?

Het jubileumnummer van het vier maal per jaar verschijnende tijdschrift opent met de antwoorden van een viertal wetenschapsters.

Het bleek geen gemakkelijke vraag. Om te beginnen betwijfelen de auteurs of de vraag zo wel goed gesteld is, vervolgens duiken ze in de ingewikkelde - want van veel stammenstrijdjes doortrokken - geschiedenis van vrouwenstudies en tenslotte komen ze allemaal met een ander antwoord. Zo voorziet Margret Brügman dat door de naamsverandering straks allerlei mannelijke professoren zich op het genderonderzoek zullen werpen, terwijl vrouwelijke medewerkers de inleidingscursussen in de genderstudies mogen verzorgen. Jeanne de Bruijn proeft in de vraag van de redactie het "doemdenken van een fin de siècle'. Ook genderstudies kunnen volgens haar gaan over de machtsverhoudingen tussen de seksen. In eerdere nummers van het Tijdschrift voor Vrouwenstudies werd een opdeling van vrouwenstudies in emancipatiestudies, politieke vrouwenstudies en wetenschappelijke vrouwenstudies bepleit. Ook betoogde een auteur dat niet zozeer de verschillen tussen seksen, alswel de verschillen tussen vrouwen de hoogste prioriteit zouden moeten krijgen.

Het Tijdschrift voor Vrouwenstudies is met gemiddeld 120 niet geïllustreerde bladzijden per keer meer een boekje dan een tijdschrift. De 300 exemplaren van de totale oplage van 1600 die bestemd zijn voor de vrije verkoop, liggen in de boekhandel nogal eens bij de afdeling wetenschappelijke boeken in plaats van in het rek met tijdschriften. Ook al omdat de discussies in het tijdschrift pittig zijn, is dat geen slechte plaats.

Want hoewel het Tijdschrift voor Vrouwenstudies - TVV voor ingewijden - een tijdschrift wil zijn ""voor iedereen die geïnteresseerd is in prikkelende vragen en analyses over de verhouding tussen vrouwen en mannen'', zijn met name discussies als die over "gender' niet voor iedereen weggelegd. De lezer moet wel zijn ingevoerd in de geschiedenis van vrouwenstudies, wil hij begrijpen wat wordt bedoeld met "de deconstructie van vrouwelijkheid via historisering en contextualisering' of "de voorstelling van vrouwelijkheid als geconstitueerde subjectiviteit'. Maar de meeste lezers zijn natuurlijk ingevoerd. De Nederlandse universiteiten tellen inmiddels 13 hoogleraren, 6 universitaire hoofddocenten en ongeveer 75 wetenschappelijke medewerkers die zich met vrouwenstudies bezighouden. Wie daarbij een veelvoud aan studenten optelt, komt al snel in de buurt van de 1300 abonnementen.

Toch is het Tijdschrift voor Vrouwenstudies ook interessant voor de leek die bereid is eens iets moeilijkers dan Opzij te lezen. In de loop der jaren heeft het tijdschrift zulke verschillende onderwerpen aangesneden als "de koele wereld van de wiskunde', "de problemen van de jonge intelligente vrouw' en "Popeye en Olive'. Het jubileumnummer bevat behalve de bijdragen aan het congres ook het thema "voortplanting, wetenschap en sekse', over in-vitro-fertilisatie en kunstmatige inseminatie met donorzaad.

De artikelen hierover behandelen kanten van het onderwerp waar de gewone media meestal aan voorbij gaan. Zo beschrijft Irma van der Ploeg in haar artikel het taalgebruik van de overheid, het wetenschappelijk instituut van het CDA en een aantal adviesraden met betrekking tot IVF en KID. Volgens haar lopen in dat taalgebruik het medische en het psycho-sociale domein door elkaar. Gezonde, vruchtbare vrouwen blijken opeens een medisch probleem te hebben wanneer zij een vaste relatie onderhouden met een onvruchtbare man. In de plaats van de vrouw, betoogt Van der Ploeg, verschijnt een nieuw type patiënt: het echtpaar.

In een ander artikel haalt Barbara Duden voorbeelden aan van medische praktijken uit vorige eeuwen, waaruit blijkt dat het ongeboren kind lang niet altijd als een levend wezen is beschouwd. Van de Romeinen komt zij via een achttiende eeuwse arts terecht bij de National Broadcasting Corporation, die een cel verandert in menselijk leven door deze op het TV-scherm te laten zien. De zwangere vrouw in de moderne westerse maatschappij heeft in haar binnenste ""een publieke foetus'', concludeert ze, ""een ding dat het voorwerp is geworden van ethische, medische en bestuurlijke besluiten van deskundigen''.

Eigenlijk is deze tweede helft van het Tijdschrift voor Vrouwenstudies net zo goed een antwoord op de vraag of vrouwenstudies door de opkomst van genderstudies hun angel verliezen. Het is immers duidelijk dat de auteurs van de artikelen feministische stellingnamen hebben, die misschien in de loop der jaren steeds genuanceerder zijn geworden, maar daarom niet aan kracht hebben verloren.

Toen een jaar geleden de Stimuleringsgroep Emancipatie-Onderzoek pleitte voor een subsidie van zes miljoen gulden per jaar voor het honoreren van onderzoeksvoorstellen op het gebied van vrouwenstudies, is dit door minister Ritzen van de hand gewezen. Vrouwenstudies waren volgens hem inmiddels zo ingeburgerd bij de universiteiten, dat ze niet meer apart hoefden te worden gesubsidieerd. De ontwikkeling van vrouwenstudies tot een volwaardige wetenschap heeft inderdaad z'n schaduwzijden.