Fiat leidt aanval op politici in Rome

ROME, 26 SEPT. Onder aanvoering van Cesare Romiti, de managing director van Fiat, hebben de Italiaanse ondernemers een frontale aanval geopend op de regering, in het felste werkgeversprotest sinds de Tweede Wereldoorlog, en een offensief tegen het huidige politieke bestel.

“Het land is ernstig ziek”, waarschuwt Romiti, een bewonderd en gevreesd manager met de faam van een bulldozer. Op een symposium van de werkgeversorganisatie Confindustria nam hij op 15 september, de eerste dag van het nieuwe jachtseizoen, de regeringspartijen zwaar onder vuur.

De 67-jarige leider van het grootste particuliere bedrijf van Italië maakte duidelijk dat de ondernemers er geen vertrouwen meer in hebben dat het huidige kabinet de enorme financiële, economische en politieke problemen kan oplossen om Italië binnen afzienbare tijd op gelijke hoogte te brengen met andere Europese landen.

Het gaat daarbij minder om personen dan om een politiek systeem dat gebukt gaat onder besluiteloosheid, cliëntelisme, corruptie en verspilling. “We kunnen niet meer uitkomen bij formules van een compromis met de regering of met de politieke klasse”, zei Romiti.

Dit was het startschot voor een spervuur van kritiek. Luigi Lucchini, ex-voorzitter van de werkgeversorganisatie Confindustria, trok daarop een parallel met de historische mars van 40.000 Fiat-werknemers, voornamelijk middenkader, die op 14 oktober 1980 door de straten van Turijn trokken om te protesteren tegen de stakingen. Deze mars maakte een einde aan de dominerende rol van de vakbonden.

“We hebben een nieuwe mars van 40.000 nodig, dit keer niet om de macht van de vakbonden te breken, maar om die van de partijen te breken”, zei Lucchini. De werkgevers protesteren al jaren tegen de enorme invloed van de politieke partijen in de economie.

Pag.16:

Christen-democraten reageren rauw op aanval ondernemers; Partijsecretaris Arnaldo Forlani: babbelkousen en pistoleros willen zich een weg schieten naar vervroegde verkiezingen

Het offensief is vooral gericht op het onvermogen om het begrotingstekort, ruim tien procent van het bruto nationaal produkt, terug te dringen. Hierdoor heeft het Italiaanse bedrijfsleven terrein verloren aan de concurrenten: de inflatie is hoger dan in Frankrijk en Duitsland, en de arbeidskosten zijn in Italië aanzienlijk sneller gestegen dan in de andere EG-landen.

“We kunnen onze fabrieken beter naar Duitsland brengen”, zei Sergio Pininfarina, de voorzitter van Confindustria sarcastisch.

De problemen in de overheidsfinanciën waren voor Rome aanleiding om fel te protesteren tegen het Nederlandse "werkdocument' over een monetair Europa van twee snelheden. Italië vreesde dat het niet aan de criteria voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) zou kunnen voldoen en naar het tweede plan zou worden verwezen.

Behalve door de angst voor een "degradatie' wordt het verzet van de Italiaanse ondernemers ook gevoed door de chronische problemen in de publieke dienstensector. Telefoon, post en infrastructuur zijn onbetrouwbaar en slecht, maar kosten meer dan in omringende landen.

Daar komt de groeiende invloed van de mafia bij. Zelfs in eigen huis, in het Milaan dat door de ondernemers altijd als een moreel zuiver bastion is beschouwd, het financiële en economische centrum van het land, is de macht van de georganiseerde misdaad de afgelopen jaren sterk gestegen.

Na de mafiamoord vorige maand op een Siciliaanse ondernemer die weigerde zich te laten afpersen, is Confindustria bovendien een grote campagne begonnen om betere bescherming te eisen van ondernemers en winkeliers. Het is voor het eerst dat de werkgeversorganisatie zich zo duidelijk tegen de mafia keert.

De aanval van ondernemerszijde heeft rauwe reacties losgemaakt binnen de christen-democratische partij, sinds de oorlog de as in het Italiaanse politieke bestel. Pininfarina, de man van de prachtige auto-ontwerpen, werd uitgescholden voor “een deuk- en plaatwerker”. En partijsecretaris Arnaldo Forlani haalde wild uit naar de “babbelkousen en pistoleros” die zich een weg willen schieten naar vervroegde verkiezingen.

De werkgevers hebben bij herhaling gepleit voor vervroegde verkiezingen, in de hoop op een politieke vernieuwing. Jarenlang is het bij verkiezingen slechts gegaan om twee of drie procent meer of minder, maar nu worden er grotere veranderingen verwacht.

De snelle opkomst van een protestpartij in het noorden, de Lega Nord, maakt de grote partijen bijzonder zenuwachtig. De kleine Republikeinse partij, een bolwerk van het liberaal-economische establishment, heeft dit voorjaar gebroken met zijn traditionele christen-democratische bondgenoot en partijleider Giorgio La Malfa zei begin deze maand dat de christen-democratische hegemonie “erg grote schade voor ons land” had berokkend. De overweldigende meerderheid bij het referendum in juni over een verandering in de kieswet heeft duidelijk gemaakt dat een meerderheid van de kiezers zou kiezen voor een "Tweede Republiek' - als die keus mogelijk zou zijn.

De verkiezingen staan voor medio volgend jaar op het programma, maar de werkgevers willen zo lang niet wachten. De huidige ministers, die dezer dagen werken aan de begroting voor volgend jaar, zijn volgens Pininfarina bezig aan een “ballet” waarin zij om de hete brei heen draaien.

“Een acht maanden voortkruipende verkiezingscampagne zou het ergste van alle denkbare kwaden zijn voor de Italiaanse economie”, zei hij afgelopen vrijdag.

In het offensief van de ondernemers zijn een aantal elementen die het tot het zwaarste sinds de Tweede wereldoorlog maken. Nooit eerder hebben leidende industriëlen hun vertrouwen opgezegd: niet alleen in een kabinet, maar in een politiek systeem.

Angst voor het communisme heeft jarenlang de ondernemers automatisch in het kamp van de regeringspartijen gedreven, ondanks alle kritiek. Ook in de jaren tachtig stond Olivetti-topman Carlo De Benedetti vrijwel alleen met zijn opmerkingen dat een echte democratie een wisseling van de wacht kent. Maar nu het communisme vrijwel overal ter wereld failliet is verklaard, spelen veel werkgevers openlijk met de gedachte van een vorm van politieke oppositie - al is de ex-communistische Democratische Partij van Links daarbij voor weinigen een aantrekkelijke partner.

“Laten we onze verantwoordelijkheden van die van de politici scheiden”, zei Cesare Romiti. “En laten we niet vergeten dat in een democratie een wisseling (van de macht) mogelijk is.”

Het is vooral het feit dat de topman van Fiat het startschot heeft gegeven, dat dit offensief zo bedreigend maakt voor de regeringspartijen.

Het Italiaanse autobedrijf heeft in heel zijn bestaan aan de kant van de regering gestaan. Zo heeft het na de Tweede wereldoorlog geprofiteerd van de prioriteit die het autoverkeer kreeg ten opzichte van het vervoer van trein, en van de financiële steun voor investeringen in het zuiden.

Fiat-president Gianni Agnelli zei steevast dat hij bon gré mal gré aan de kant van de regering stond. In de afgelopen jaren heeft hij conflicten vaak gesust: Romiti was voor het vuile werk, Agnelli was de vaderlijke verzoener. Ook gisteren probeerde hij de verhitte gemoederen wat te temperen door te zeggen: “We zijn allemaal een beetje in de oppositie omdat we willen dat de zaken beter worden gedaan, en allemaal een beetje in de regering omdat we wilen bijdragen aan een verandering.” Maar ook Agnelli doet mee aan de kruistocht, want hij voegde daaraan toe: “Ik deel het standpunt van Romiti volledig.”

Van sommige kanten worden vraagtekens gezet bij de motieven voor deze campagne. De voormalige vakbondsleider Luciano Lama gaf Romiti gelijk, maar zei te vrezen dat het niet meer dan onderhandelingstaktiek was om belastingvoordelen en een soort loonstop te krijgen. Als ze nu maar eens echt de regering onder vuur nemen, zei Lama.

Anderen hebben Romiti en zijn troepen “hypocrisie en cynisme” verweten.

“Sinds de Tweede wereldoorlog heeft er tussen de regering en de bedrijven een soort stilzwijgend akkoord bestaan dat de puinhoop heeft geschapen waarmee we nu zitten”, zei de socialistische Europarlementariër Pierre Carniti. “De bedrijven hebben tot nu toe nooit het slechte beleid van de staat aangevochten omdat hen dat goed uitkwam: nog maar een paar jaar geleden waren de overdrachten aan de industrie veel omvangrijker dan de (uitgaven voor) gezondheidszorg. Nu de staat in crisis is en er niet meer in slaagt dezelfde hoeveelheid bijdragen en subsidies te garanderen, ontdekken de bedrijven dat in Italië een verkeerd beleid wordt gevoerd.”

De Italiaanse ondernemingen hebben inderdaad geprofiteerd van royale subsidies - de socialistische econoom Francesco Forte heeft uitgerekend dat het bedrijfsleven in 1990 voor veertig biljoen lire hulp heeft gekregen, ruim zestig miljard gulden. De ondernemingen hebben inderdaad de plannen voor een anti-trustwet tegengewerkt. Zij hebben ook nooit geprotesteerd tegen de gebrekkige belastinginning en doen dat ook nu niet. Maar de kille economische cijfers laten zien dat de financiële en economische crisis waar zij voor waarschuwen, een reëel gevaar is en in sommige opzichten al is begonnen.

Dat blijkt uit de halfjaarresultaten van bedrijven als Pirelli en Olivetti, twee economische barometers. Bandenconcern Pirelli heeft in de eerste zes maanden een verlies geleden van 65 miljard lire, bijna honderd miljoen gulden. Olivetti's omzet is met vijf procent gedaald en financiële analysten verwachten dat het elektronica-concern morgen op de presentatie van de halfjaarbalans bekend moet maken in de rode cijfers te zitten. En Agnelli zei vanmorgen in La Stampa dat de winst van Fiat dit jaar “duidelijk minder” zal zijn dan vorig jaar.

Deze grote bedrijven staan niet alleen. In de eerste zeven maanden van dit jaar is de industriële produktie met 2,2 procent gedaald ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar, zo maakte het Centraal bureau voor statistiek Istat gisteren bekend.

Het gevaar blijkt ook uit het spervuur van rapporten waarmee de OESO, het IMF, de Wereldbank en vele andere internationale organisaties waarschuwen dat het niet goed gaat met de Italiaanse overheidsfinanciën en dat het begrotingstekort, dat maar blijft stijgen, een zware hypotheek legt op het land.

De OESO, de club van 24 rijke landen in Parijs, voorspelt de laagste groei sinds 1983. Het IMF zegt in zijn ontwerp voor de World Economic Outlook dat de inflatie hoger zal liggen dan de regering voorspelt: 6,3 procent dit jaar en 5,8 procent volgend jaar.

Voor dit jaar was een tekort voorspeld van 132 biljoen lire, ruim 200 miljard gulden. Maar vrijwel wekelijks komen er alarmsignalen over nieuwe overschrijdingen, met tientallen miljarden guldens. De Banca Nazionale del Lavoro waarschuwde gisteren dat het begrotingstekort volgend jaar dreigt te stijgen naar 195 biljoen lire en dat de totale overheidsschuld loopt naar de 1,6 miljoen miljard lire: 2,4 biljoen gulden.

Rudiger Dornbush, econoom op het Massachussetts Institute of Technology, heeft gezegd dat in Italië nog maar het begin van de crisis zichtbaar is en dat het land een dubbele salto mortale moet maken om de aansluiting met de andere landen te handhaven.

De werkgeversorganisatie Confindustria rekent voor dat de Italië qua arbeidskosten het op twee na duurste land is van Europa, na Zweden en Duitsland. In de jaren tachtig zijn de arbeidskosten in Italië aanzienlijk sneller gestegen dan in de andere leden van de groep van de zeven belangrijkste Westerse industrielanden.

In het verleden was er een eenvoudig lapmiddel voor deze inflatoire tendenzen: devaluatie. Maar dat is een verboden woord geworden sinds Italië er drie jaar geleden voor koos om de koers van de lire zo constant mogelijk te houden - iets wat overigens is gelukt. Het betekent wel dat ieder procent meer inflatie dan in andere landen resulteert in een achteruitgang van de internationale concurrentiepositie.

Daarom pleiten de werkgevers voor het aanpakken van de belangrijkste voedingsbron van de inflatie, het begrotingstekort. “Een devaluatie zou niets anders zijn dan de problemen vooruitschuiven, laksheid”, zei Pininfarina.

Hij wil een structurele vermindering van de overheidsuitgaven: privatisering van een aantal staatsbedrijven, een loonstop voor de ambtenarensalarissen (een aantal recente ambtenarencao's hebben loonstijgingen boven de geraamde inflatie) om de lonen in de particuliere sector in de hand te kunnen houden, en sanering in de sociale zekerheid, vooral in de staatspensioenen.

Het is een bekend verlanglijstje, maar de vervulling stuit op politieke bezwaren: ieder staatsbedrijf minder is een stukje macht minder, ontevreden ambtenaren zijn ontevreden kiezers, en hetzelfde geldt voor de pensioentrekkers.

Velen vestigen hun hoop op de eisen die de Europese integratie met zich meebrengt. Zo wordt ook de druk om maatregelen groter, en Pininfarina constateert tevreden: “Iedere dag die voorbijgaat telt Rome gelukkig steeds minder en telt Brussel steeds meer.”