De kater van de drang jezelf te overschreeuwen

Is er een diepere oorzaak van de kater die Europa aan zijn bemoeienis met Joegoslavië heeft overgehouden? Als die kan worden opgespoord, behoeft dat niet te betekenen dat oorzaken die meer aan de oppervlakte liggen, niet behoren te worden meegeteld. De drang om zichzelf te overschreeuwen, om de Europese eenheid die zich nauwelijks laat construeren, in een snelle bemiddelingsoperatie tot stand te brengen is van die "oppervlakkige' oorzaken wel de meest zichtbare. Het was verleidelijk voor de Europese Raad, eind juni in Luxemburg bijeen om feiten te scheppen, feiten die ieder van de aanwezigen vervolgens zouden binden aan een concept van politieke eenheid. Uit die verleiding werd de bemiddeling geboren.

Was het maar een echte bemiddeling geweest, zo een van: laten we om de tafel gaan zitten en laten de verschillende partijen maar eens vertellen waar zij op uit zijn. Het zou een klassieke speurtocht hebben kunnen worden naar dat wat de bewoners van de verschillende Joegoslavische republieken nog aan gemeenschappelijke belangen over hebben. Maar daarvoor moest de bemiddelaar de vaste overtuiging hebben dat hij de eerlijke makelaar kon en wilde zijn. Het Europese stelsel heeft een dergelijke bemiddelaar, niet verrassend, niet kunnen baren. Het stelsel was immers al voordat de federale armee in juni Slovenië trachtte te onderwerpen, geketend aan het eigen immobilisme.

Zelfbeschikking was de kanker die Europa van de Oder tot de Oeral en van de Witte tot de Zwarte Zee dreigde aan te tasten. Alles was beter dan dat, zelfs het regime van communistische erfgenamen en nationalistische opportunisten in Belgrado.

Hiermee is de tweede "oppervlakkige' oorzaak gelocaliseerd. Er was dus van het begin af geen sprake van een bemiddeling die alle partijen even ernstig nam. Integendeel, de bemiddeling was gegrondvest op twee vermeende belangen van de bemiddelaar zelf. Dat was niet immoreel, maar wel van invloed op het verloop en op het resultaat.

Branding ontstond toen de Oostenrijkers, onder de indruk van alle geweld aan hun grenzen, het antwoord wilden zoeken in erkenning van de afgescheiden republieken Slovenië en Kroatië. Tegen de ondoordringbare kust van het Europese immobilisme liep onverwacht een grondgolf van Duitse sympathie met de in het nauw gedreven volken van beide republieken. De Duitse eenwording had het communistische rudiment in eigen land nog maar kort daarvoor overspoeld. Wat Duitsers, Polen, Tsjechoslowaken en Hongaren was gegund, kon Slovenen en Kroaten niet worden ontzegd. En in het licht van de Europese eenwording behoefde afscheiding geen versplintering, geen "balkanisering' te betekenen, werd er slim aan toegevoegd. De Duitse ontlading prikkelde vervolgens het Franse geheugen: werden we misschien geconfronteerd met een herhaling van 1914 toen het teutoonse onbehagen een uitweg zocht op de Balkan en aan Europa de oorlog verklaarde? De bemiddelaar had zich nu opgedeeld in twee elkaar beschimpende facties. De Joegoslaven kregen formeel te horen dat hun eenheid nog steeds een groot goed was, maar dat Kroatië en Slovenië door Europa zouden worden erkend zodra de eenheid gewapenderhand zou worden hersteld. Deze boodschap was bedoeld om de Europese scheuren te pleisteren, niet om de kloof in Joegoslavië te overbruggen. Bovendien, het bleek een loze boodschap toen de federale strijdkrachten hun masker afwierpen en de eigen Joegoslavische burgers en monumenten zonder onderscheid begonnen te bombarderen en te mitrailleren.

De derde oorzaak aan de oppervlakte van het Europese falen is de verdeeldheid. De gestuurde waarnemers, de Haagse vredesconferentie, het hof van arbitrage (waarvan overigens weinig wordt vernomen), het plan voor gewapende ondersteuning van de waarnemers, het waren evenzovele pogingen een schijn van Europese eenheid in stand te houden.

Europa's sprong in het diepe van Joegsolavië levert een averechts resultaat op. De bemoeienis met de Joegoslavische crisis moest de Europese eenheid smeden, maar ongelukkigerwijs werd de onderlinge verdeeldheid juist in een helder licht geplaatst. Als een of meer lidstaten de voorgenomen Politieke Unie bij voorbaat onklaar hadden willen maken, hadden zij zich geen beter gereedschap kunnen wensen dan deze bemiddeling.

Wat ontbreekt Europa? Een mechanisme om consensus te scheppen, maar dat is een cirkelredenering want Europa heeft anderzijds consensus nodig om een dergelijk mechanisme te construeren. Er is behoefte aan een katalysator die de impasse helpt doorbreken. De bemiddeling in Joegoslavië had die katalysator moeten zijn, maar bleek daartoe ongeschikt. De "ronde tafel' van Europese ondernemers heeft als katalysator gewerkt voor het tot stand brengen van de interne markt straks in 1993. De groep heeft zich opnieuw gemeld, maar zij is vermoedelijk nu niet in staat om de mensen opnieuw te bezielen. Europa heeft zichzelf een acute politieke opdracht gegeven en daarbij dulden de diplomaten geen ondernemers.

In het verleden heette het dat de zogenoemde "Frans-Duitse as' Europa draaiende hield. De Europese eenwording is inderdaad kansloos indien de belangstelling ervoor in Frankrijk en Duitsland langdurig zou verzwakken. De Joegoslavische crisis kan dat tot gevolg hebben. President Mitterrand en diens gastheer kanselier Kohl hebben daarom vorige week, wellicht geschrokken van het publicitaire gescheld over en weer, hun Europese gezindheid nog eens onderstreept. De Franse president bevestigde zijn instemming-achteraf met de Duitse eenheid met een speciaal bezoek aan Oostduitse "Länder' (in december 1989 bracht hij nog een kennismakingsvisite aan de leiders van de DDR). De oproep van Mitterrand en Kohl om een vredesmacht naar Joegoslavië te zenden moest vooral omlijnen hoezeer beide politieke leiders het thans eens waren in hun Europese politiek.

De vraag is of president en kanselier overtuigen, of hun samenzijn meer betekende dan een verplichte oefening in formele diplomatie. De landen van Europa zijn geen Amerikaanse deelstaten - waarvan de eenheid overigens ook niet zonder ongelukken is ontstaan. Voor alle landen van Europa, maar in het bijzonder voor de grotere, is de rest van Europa historisch bijna voortdurend buitenland geweest, buitenland waar zij elkaar soms als bondgenoten, te vaak als vijanden en altijd als rivalen tegen kwamen, buitenland waarop zij eigen tekortkomingen konden projecteren en afwentelen. De verre koloniën waren minder buitenland dan de naaste buren. De bemiddeling in Joegoslavië is gestuit op een overjarige reflex die blijkbaar nog niet was overwonnen. Dat is de diepere oorzaak van Europa's kater.