De honden van het paradijs

Dit was het uitzicht dat de folders ons beloofd hadden: wuivende palmen, hagelwit strand en een azuurblauwe zee. Zo hadden we ons Kuaui voorgesteld. Niet voor niets werd dit eiland het "tuin-paradijs' van Hawaii genoemd. Alleen de man die dreigend op ons afkwam hoorde niet in de folders thuis. “Wat doen jullie hier”, vroeg hij, wijzend op ons tentje. Een forse bastaardhond snuffelde aan onze scheerlijnen.

De aan vijandigheid grenzende onverschilligheid van de "echte', Polynesische Hawaiianen, korte, dikke en zeer donkere mensen, was ons eerder opgevallen. Op de openbare kampeerterreinen, waar zij de aanwezige stenen optrekjes tot semi-permanente bebouwing hadden omgetoverd, hielden zij zich stuurs van de blanke kampeerders afzijdig. Vissend in zee keerden zij ons de rug toe. Maar agressief waren we nog niet bejegend.

“Kamperen”, antwoordden we naar waarheid de man, die wel gespierd, maar niet erg donker was. “Hebben jullie daar dan vergunning voor gekregen?” Nee, dat hadden we niet. In de hoofdstad Lihue kon je kampeervergunningen halen voor drie dollar. Je kon ook op een van de vele "county-parks' je tent opzetten en kijken of een parkwachter langskwam. Dan betaalde je twee dollar extra. Het gezicht van de man klaarde op. “Dan zullen ze jullie wel wegjagen.” Hij lachte nu vriendelijk. Hij was ook weggejaagd geweest.

Sinds kort, zei hij, was het officieel verboden om op Anahola-beach te kamperen. Een tijdlang hadden leden van een Hawaiiaanse soevereiniteitsbeweging het strand en het daarachter gelegen land bezet. Hij, Ray Aukai Nahulu Manaku, was een van de voortrekkers van die beweging. Samen met zijn vrouw en drie kinderen was hij na de ontruiming weer teruggekomen op het land dat hem en de zijnen toehoorde, zei hij krijgshaftig. “Al jagen ze me honderd keer weg, ik blijf terugkomen.”

Hawaii is, volgens Mark Twain de "lieftalligste vloot van eilanden die in welke oceaan ook verankerd ligt'. Acht eilanden, waarvan Oahu met de hoofdstad Honolulu en de marine basis Pearl Harbor de bekendste is, vormen tezamen, sinds 1959, de vijftigste staat van de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Vanaf 1820 overspoelden missionarissen het eilandenrijk. Suikerriet werd het goud van Hawaii. De Amerikaanse invloed op Hawaii nam drastisch toe, wat eind negentiende eeuw tot een coup van de suikerbaronnen leidde. De inheemse monarchie werd omvergeworpen en Hawaii werd door Amerika geannexeerd.

Ray vertelt dat hij afstamt van de oorspronkelijke Hawaiiaanse priesterkaste. Waarschijnlijk afstamt. Want volgens hem overleefden zij alleen, door hun bijzondere, mystieke gaven, de builenpest, mazelen, lepra, cholera en allerlei geslachtsziekten die de blanken introduceerden.

De coup van 1893 zit hem nog steeds niet lekker. De VS hebben zijn land bezet, maar niemand wil dat weten. “Aan de vooravond van de Golfoorlog zei Saddam Hoessein: "Wij gaan pas uit Koeweit wanneer de Amerikanen uit Hawaii vertrekken'. Niemand neemt Saddam serieus, maar hij had wel gelijk met zijn vergelijking.”

Het gesprek wordt onderbroken door schril geblaf. De hond van Ray heeft een klein keffertje van een ouder Amerikaans echtpaar in zijn nekvel beet. Andere zwerfhonden die uit het niets zijn opgedoken doen mee in de ongelijke strijd. De Amerikaanse dame gilt, het keffertje jankt en Ray vloekt.

Ray sleurt zijn hond van het keffertje af. “Hij kan er niets aan doen, hij verdedigt zijn terrein tegen indringers”. Het Amerikaanse echtpaar is niet onder de indruk van Ray's verontschuldiging. Ray neemt de hond mee naar een plek ver achter het strand. Nu pas zien we een provisorische, huisachtige constructie. “Ons huis”. Een donkere vrouw en een aantal kindertjes verrichten wat onduidelijke huishoudelijke activiteiten. Ray diept vanuit de schemerige diepte van zijn stulp wat kranten op.

In een van de knipsels die hij toont roept de grootste kerk op Hawaii, de Verenigde Kerk van Christus, haar lidmaten op dat zij actief de "native' Hawaiianen moeten helpen hun eigen vorm van bestuur te bepalen. “Dat werd tijd ook”, gromt Ray. Een politieauto stopt voor zijn optrekje. “Dat zal vanwege die verdomde hond zijn', zegt hij ongerust. Maar de agent komt zo maar even buurten. Over onze tent geen woord.

Het strand en het land daarachter zijn in beheer bij het Departement voor Hawaiiaanse Thuislanden (DHHL). Een volslagen corrupte organisatie, volgens Ray. Het DHHL moet huizen bouwen voor "native' Hawaiianen, maar doet dat niet of nauwelijks. Men moet, om in aanmerking te komen voor de woningen van de DHHL, ten minste voor vijftig procent Hawaiiaans zijn.

Toen kapitein Cook in 1778 het eilandenrijk betrad waren er ongeveer 300.000 Hawaiianen. Volgens deskundigen zijn er nu minder dan duizend mensen die zich "puur' Hawaiiaans mogen noemen. Mensen van Hawaiiaanse komaf staan in de ranglijst van bevolkingsgroepen op de vierde plaats.

Goede gronden zijn door het DHHL voor een stuiver aan het Amerikaanse leger verpacht en toen Ray en de zijnen Anahola-Beach tot Hawaiiaans gebied verklaarden riep het DHHL de politie erbij. In een kranteknipsel dat Ray laat lezen staat bij een van de demonstranten vermeld dat hij "67 procent Hawaiiaans' is. Nu vechten Ray en de zijnen tegen de DHHL onder leiding van Hoaliku Drake en tegen de burgemeester die Jo Ann Yukimura heet.

Hij laat foto's van zijn arrestatie zien. “We zijn met weinigen, maar we hebben veel goodwill.”

Het is zondag en Anahola-beach trekt vele bezoekers. Vrachtwagens laden hele families uit en al gauw hangt een mist van barbecue-rook over het terrein. Links van ons braadt een Filippino-familie kippebouten. Iets verder staan oude Japanse mannen te vissen. Rechts laat een aantal Kaukasische Amerikanen hun vlees aanbranden. Ze zien er niet welvarend uit, deze Amerikanen. Ze hebben een hond bij zich. Een stevig exemplaar. “Een echte red nose pitbull”, zegt de vrouw die hem aan de vrachtwagen vastbindt. De zwerfhonden van Ray zijn in geen velden of wegen te zien.