Dansers vol natte, glimmende verf

Gezelschap: De Rotterdamse Dansgroep. Premières: Colours. Choreografie, toneelbeeld en kostuums: Shusaku Takeuchi. Muziek: Elvin Lucier, Bob Stoute - Beatrice van der Poel en Harry de Wit. Forever Green. Choreografie: Rick Kam. Muziek: Cole Porter. Kostuums: Edith Ordelman. Licht: Kees Knegjes; Tij. Choreografie: Käthy Gosschalk. Muziek: Alfred Schnittke. Gezien: 25-9 Rotterdamse Schouwburg. Aldaar nog te zien t-m 28-9. Daarna tournee.

Drie nieuwe balletten vormen tesamen het eerste programmablok van De Rotterdamse Dansgroep. Shusaku Takeuchi, de al lang in Nederland werkende Japanner die een eigen gezelschap leidt, presenteert er zijn vierde, speciaal voor de Rotterdammers gemaakte choreografie in. Colours noemde hij die, omdat hij uitging van zijn schilderservaringen met kleuren en hun emotionele betekenis.

Afgeleid van de traditie van de Butoh-dans zet hij een vrouw en twee mannen vrijwel geheel naakt op het toneel. Hun lichamen, gezichten en haren zijn overdekt met natte, glimmende verf. Rode verf voor de vrouw symboliseren passie en energie, de mengeling van groen en gele kleuren voor de ene man staat voor ingekeerdheid en harmonie, het blauw voor de tweede man voor elegantie en noblesse.

Gezamenlijk is er een streven om tot intimiteit te komen. Dat gebeurt in een bewegingstaal die vooral gebaseerd is op groteske, vaak krampachtige vormen die direct naar de Butoh-dans verwijzen en een sterk beeldende kracht hebben. Hevige uitbarstingen suggereren een emotionele beleving die nauwelijks onder controle te houden is en die de lijven tegen elkaar zuigt en de kleuren mengt, terwijl kleine, onbeholpen aandoende bewegingen machteloosheid en kwetsbaarheid laten zien.

De schok die de eerste ervaringen met de Butoh-principes veroorzaakte, is inmiddels al lang afgezwakt. De choreograaf heeft in Colours noch op het compositorische vlak, noch in het bewegingsmateriaal iets verrassends aangebracht. Daardoor mist het werk werkelijke zeggingskracht, al was de intensiteit van de uitvoerenden, Anouk van Dijk, Oerm Matern en Rick Kam, onmiskenbaar.

Kam presenteerde zijn eerste choreografie voor het reguliere programma van het gezelschap. Voor de jaarlijkse choreografische workshop maakte hij eerder twee balletten, die zo veelbelovend waren, dat deze nieuwe kans ten volle verdiend is. Hij zette zijn Forever Green op een aantal evergreens van Cole Porter, zoals You're the top, Night and Day en What is this thing called love. Ondanks de vloeiende melodieën vertellen de songteksten, dat liefde niet een staat van eindeloze verrukking is.

Kam is maar zeer ten dele in geslaagd dat idee naar voren te brengen. Het machtsspel tussen de twee mannen en drie vrouwen wordt fragmentarisch vorm gegeven en lijkt willekeurig te ontstaan. Kam voelt zich duidelijk het beste thuis in krachtige, dynamische bewegingen. Met verstilling en lyriek kan hij nog niet echt uit de voeten. Daardoor zakt de spanning van Forever Green telkens in. Toch een moedige - en ook nodige - aanzet in de ontwikkeling van een danser met choreografische talenten.

Relaties tussen mannen en vrouwen staan ook centraal in Käthy Gosschalks Tij, op intrigerende muziek van Alfred Schnittke. Zij benadrukt hierin vooral de dierlijke en bijna roofzuchtige elementen van seksualiteit en agressie. Handen strekken zich als hebzuchtige klauwen in de lucht. Monden sperren zich open en drukken zich op de lippen van wie er maar in de buurt is. Er heerst in de groep van vier vrouwen en drie mannen een angst voor tederheid, die als zwakte gezien zou kunnen worden. Zij zijn allemaal strijdbaar en laten zich wellustig meevoeren op golven van hartstocht waarin zij zich toch niet willen verliezen. Gosschalk gebruikt een krachtige en boeiende bewegingstaal, maar de opbouw van het totale werk is toch te brokkelig om volledig te kunnen overtuigen.