Alles is mis

De heren ministers Lubbers en Kok weten samen een boel van hoe het moet met onze economie. Maar toch doen ze op dit moment bijna alles verkeerd. Dat hebben ze zelf ook wel in de gaten, maar ze kunnen niet anders.

Het is allemaal al eerder gezegd: bezuinigen in een neergaande economie verscherpt de neergang. Ze zouden in plaats daarvan de momenteel wat teruglopende economie een flinke oppepper moeten geven. Het oude vertrouwde recept is dat een regering juist extra besteedt als de boel er slapjes bij staat. En als het even kan probeert zij ook de kooplust van consumenten en producenten iets op te vrolijken door een verlaging van de belastingen. Zo'n bestedingsimpuls stimuleert de economie uit het dal.

In het omgekeerde geval van een oververhitte economie neemt de regering een beetje gas terug en verhoogt zij de belastingen. De gedachte is dat het regeringsbeleid op die manier een stabiliserende werking heeft op de economie: al te diepe dalen en al te hoge toppen worden voorkomen. Jammer dat deze schone theorie in de praktijk soms niet haalbaar blijkt. Zo'n anti-cyclisch (tegen-de-conjunctuurcyclus-in) beleid gaat er namelijk van uit dat de regering greep heeft op de dingen; dat ze ruimte heeft om de uitgavenkant en de ontvangstenkant van haar begroting naar behoefte te variëren. En die ruimte is de laatste tijd uiterst klein.

Behalve deze conjuncturele kant van de overheidsfinanciën is er ook de kwestie van de structuur. Helaas blijken conjunctuur- en structuurbeleid wel eens te botsen. Hoe groot moet en mag de publieke sector in een economie zijn? Een vraag die niet alleen met economie maar ook met politieke overtuiging te maken heeft. In Nederland anno nu zijn we het er allemaal over eens dat de publieke sector te groot gegroeid is en dat hij kleiner moet.

Achtereenvolgende kabinetten zijn daarmee in de weer en het lukt maar slecht. Het had moeten gebeuren toen het jarenlang bergopwaarts ging met ons land. De regering had toen de manoevreerruimte. Maar in die situatie staat het hoofd van de gemiddelde burger er niet naar. Wat, kom nou! Bezuinigen? Terwijl het net zo goed gaat met de economie! Die boodschap blijkt in goede tijden niet te verkopen.

Het volk en zijn vertegenwoordigers blijken een vrij korte horizon te hebben. Het volk leeft bij de dag en het modale Kamerlid kijkt niet veel verder dan de volgende verkiezingen. Daarom zijn diep ingrijpende bezuinigingsmaatregelen steeds vooruit geschoven en uitgesteld. Tot de huidige CDA-PvdA-regering echt moed vatte en de Tussenbalans presenteerde; een voorschotje op de Miljoenennota die inmiddels op tafel ligt. Daarin wordt het grootste bezuinigingspakket aller tijden aangekondigd, terwijl de economie eerder een opfrissertje zou kunnen gebruiken. Een pro-cyclisch beleid waarmee de regering niet alleen de particuliere sector in wielen rijdt, maar daarmee ook zichzelf verder in de put helpt.

Het beleid tast op de volgende manier de particuliere sector aan. De overheid is een grote klant; als die minder bestelt wordt er minder geproduceerd en minder verdiend. Het verminderen van overheidsuitgaven heeft een negatieve uitwerking op de groei van de nationale produktie en het nationaal inkomen. Ondernemers die minder spullen kwijt raken, hebben weinig puf om hun produktie-apparaat uit te breiden. Inkrimpen ligt meer voor de hand. De figuur laat zien dat dit in 1992 dan ook verwacht wordt. Minder investeren en krimpen, dat kost arbeidsplaatsen; de werkgelegenheid groeit minder of loopt terug.

(Zie figuur)

En dat is niet de enige negatieve impuls voor de particuliere investeringen. Niet alleen de overheid koopt minder, ook de consumenten hebben nadat Kok langs is geweest gemiddeld minder te besteden. Met dezelfde negatieve gevolgen voor de bedrijfsinvesteringen. Daarmee zijn we er nog niet. Ook de rente die investeerders moeten betalen over het geld dat ze in nieuwe machines en fabrieken zouden willen stoppen is hoog. Voor een deel is dat het gevolg van de kredietkrapte in Duitsland; wij volgen de Duitse rente. Voor een deel is de hoge rente een gevolg van de krediethonger van onze eigen overheid. Die verdringt particuliere leners op de vermogensmarkt; crowding out heet dat zo fraai.

Ook dat is nog niet het eind van het verhaal; de regering verhoogt een aantal tarieven en verlaagt een stel subsidies waardoor een aantal zaken duurder wordt. Daarmee lokt zij zelf uit dat werknemers, die kijken naar wat ze schoon in het handje ontvangen, op de stoep staan voor hoger loon. Voor zover hun koopkracht meer toeneemt dan de arbeidsproduktiviteit gaan de loonkosten per eenheid produkt omhoog.

De werkgevers die hun winst niet opgepeuzeld willen zien, berekenen als het even kan die verhoging door in de verkoopprijzen van hun produkten. De concurrentiepositie verslechtert. De export, tot dusver de enige groep bestedingen die zich positief ontwikkelde, krijgt een knauw.

Alsof het al niet somber genoeg is; de echte tragiek zit in het volgende. De regering staat met een grote lompe voet op de kip die de gouden eieren moet leggen. De door de overheid in moeilijkheden gebrachte particuliere sector is de bron waaruit diezelfde overheid haar belastingopbrengsten moet putten. Gaat het daar minder dan merkt de regering dat na enige tijd aan de ontvangstenkant van de begroting. De ene tegenvaller na de andere. Er moet dan weer verder bezuinigd worden en-of meer geleend. Met de hierboven beschreven gevolgen. De klemgereden overheid zit niet alleen de particuliere sector dwars maar uiteindelijk ook zichzelf.

Toch moet de publieke sector kleiner worden. En de problemen die dat nu oproept komen we op den duur ook wel weer te boven. Het zou alleen wat minder pijnlijk zijn gegaan als er tijdiger was ingegrepen en de structureel noodzakelijke maatregelen - inkrimpen van de publieke sector - op een conjunctureel gepast moment zouden zijn doorgevoerd. Als het waar is dat je er bij de burgers niet mee aan kunt komen als de economie goed draait en alles lekker loopt, dan hebben die burgers wat er nu gebeurt aan zichzelf te danken.