200 miljoen

OP EEN BEGROTING van ruim 200 miljard gulden heeft de regering 200 miljoen gulden gevonden voor hulp aan Oost-Europa. Dat is, hoe men het ook bekijkt, een schamel bedrag: Nederland bestemt 0,1 procent van de rijksbegroting voor ondersteuning van wat in veel opzichten de grootste economische en politieke omwenteling in de wereld is sinds 1917.

De landen van Midden-Europa, die het moeilijke pad van democratie en markteconomie hebben ingeslagen, en de republieken van de Sovjet-Unie, die aan het begin van hetzelfde pad staan, vragen om hulp, om toegang tot de markt, investeringen, kredieten en technische steun. Wie alleen maar kijkt naar de ruim honderd miljard D-mark die de Bondsrepubliek per jaar in de wederopbouw van de voormalige DDR steekt, beseft dat het om grote bedragen gaat. Zeker als over afzienbare tijd de hervormingen in zelfstandige republieken van de Sovjet-Unie gestalte krijgen en daar bovendien noodhulp nodig zal zijn om de winter door te komen.

De Westerse financiële bijdrage aan de voormalige communistische landen in Midden-Europa komt tot nu toe voor eenderde deel van het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank, eenderde deel van Duitsland en eenderde deel van alle overige rijke industrielanden. Voor de Sovjet-Unie liggen de verhoudingen nog schever: daar is Duitsland nagenoeg de enige financieringsbron dank zij de Duitse miljarden voor de terugtrekking van het Sovjet-leger uit de ex-DDR.

GEEN WONDER DAT in Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije met een mengeling van vrees en afgunst naar Duitsland wordt gekeken. Deze voormalige communistische landen, ingeklemd tussen Duitsland en de Sovjet-Unie, vrezen de economische overheersing door het rijkste en sterkste land in Midden-Europa, dat daar tachtig procent van de investeringen voor zijn rekening neemt. Intussen roept Duitsland, nadat het zichzelf bijna heeft vertild aan de kosten van de Duitse eenwording, dat andere Westerse landen actiever moeten investeren en een grotere financiële bijdrage moeten leveren.

Nederland laat het in beide opzichten afweten. Nederlandse bedrijven zijn zeer terughoudend met investeringen in Oost-Europa en vergeleken met andere landen levert Nederland een beschamend kleine financiële bijdrage. In de EG hebben slechts Luxemburg, Portugal en Griekenland minder geld beschikbaar gesteld. Nederland heeft in 1990 87 miljoen gulden voor hulp aan de zes voormalige communistische landen van Oost-Europa uitgetrokken en dit jaar 200 miljoen gulden. Voor de komende jaren is hetzelfde bedrag gereserveerd. Die 200 miljoen is inclusief het Nederlandse aandeel in de nieuwe Oosteuropese ontwikkelingsbank en inclusief een bijdrage van 25 miljoen gulden van Ontwikkelingssamenwerking bestemd om de financiering van twijfelachtige ontwikkelingsprojecten van de voormalige communistische landen in de Derde wereld over te nemen.

OP DIEZELFDE begroting van Ontwikkelingssamenwerking (in totaal 6 miljard gulden) is een hoger bedrag - 275 miljoen gulden - uitgetrokken voor steun aan de Nederlandse Antillen, eilanden die dank zij toerisme, belastingvrij bankieren en drugshandel zeer welvarend zijn. De Nederlandse inspanning voor Oost-Europa kan ook worden afgezet tegen talrijke andere gevestigde begrotingsposten. Bijvoorbeeld onze uitgaven voor sociale zekerheid: 38 miljard op de rijksbegroting voor 1991. Maar als de toekomstige sociale zekerheid in Nederland op enige wijze in het geding is, dan is het wel door de ontwrichting die het gevolg is van de ineenstorting van de communistische samenlevingen en de overgang naar een markteconomie in Oost-Europa en de Sovjet-Unie.

Nederland staat terecht op de bres voor ruimere toegang voor produkten uit Oost-Europa op de EG-markt. Maar het zal ook meer moeten bijdragen aan de economische gezondmaking van de Oosteuropese samenleving. Anders verdwijnt Nederland niet alleen diplomatiek, maar ook economisch naar het schellinkje van de betrekkingen met de nieuwe markteconomieën.