Yehuda Nir beschreef zijn Poolse oorlogsherinneringen; "Als ik een Mercedes Benz zie, komt de haat op'

De in Polen geboren schrijver Yehuda Nir heeft 2150 exemplaren van de Nederlandse vertaling van zijn boek Verloren kinderjaren. Een herinnering, cadeau gedaan aan leerlingen van het voortgezet onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Het boek gaat over zijn jeugd tijdens de oorlog in Polen. Nir geeft vanavond een lezing in Amsterdam.

Yehuda Nir (61) wijst uitdrukkelijk op het motto dat voor in zijn boek staat: “Laat ik, voordat ik verder ga, zeggen dat ik niemand vergiffenis schenk. Ik wens allen een afschuwelijk leven toe en vervolgens het vuur en het ijs van de hel tot in de verfoeilijke toekomstige generaties...” Het is afkomstig uit Malone dies van Samuel Beckett. “Ik ben blij”, zegt Nir grinnikend, “dat het van een niet-joodse schrijver komt, dan werkt het beter.”

Nir, schrijver van Verloren kinderjaren. Een herinnering, houdt zijn haat tegen alles wat Duits is niet bewust levend: “Het is een reflex. Ik kan het niet laten. Als ik een Mercedes Benz zie, voel ik de haat weer opkomen. Onlangs is een boek verschenen over de Mercedesfabrieken in de oorlog en daaruit blijkt dat zij een van de eersten waren die gevangenen uit de kampen tewerkstelden. Toen mijn boek werd besproken in de New York Review of Books heb ik kopieën van die recensie gemaakt en die onder de ruitewissers gestoken van iedere Mercedes die ik zag.”

Nir woonde met zijn ouders en zijn zusje in het Poolse Lwów toen de oorlog uitbrak. Na de Russische bezetting volgde vanaf juni 1941 de Duitse overheersing. Alle joden liepen direct gevaar en de vader van Nir was een van de eersten die door collaborateurs werd opgepakt en dezelfde dag gefusilleerd. Tot na de oorlog leefde zijn gezin in onzekerheid over wat er met hem was gebeurd en informeerden zij, gedeeltelijk tegen beter weten in, nog bij het Rode Kruis.

Begin 1942 volgt een gedwongen verhuizing naar het getto van Warschau. Ludwig, de vriend van Yehuda's oudere zus Lala, zorgt echter voor valse doopbewijzen en regelt een onderkomen in Krakau. Ludwig, aan wie Nir zijn boek opdroeg, wordt niet lang daarna gepakt door de Gestapo. De moeder, Lala en Yehuda vormen inmiddels een hecht driemanschap. Nir prijst, naast Ludwig, met name zijn zus Lala als degene die met haar voortdurende inventiviteit en aanpassingsvermogen anderen helpt te overleven.

Het voortdurend in angst levende gezin lijkt in 1944 in een stabiele, redelijk veilige situatie terechtgekomen. Nir beschrijft in zijn boek uitgebreid en met smaak hoe hij zijn veertiende verjaardag vierde: zijn moeder nodigde elf joden uit voor een gezamenlijke maaltijd van onder meer gefillte fisch en kichel. Nir: “Het was absurd, levensgevaarlijk, ik begrijp nog niet hoe we het durfden. Ik had het er een paar maanden geleden nog over met mijn moeder, die tegenwoordig in Israël woont, en zij had diezelfde verbazing achteraf.”

Terwijl de Russen langzaam oprukken, begint in Warschau een opstand tegen de Duitsers. Die leidt er uiteindelijk toe dat alle bewoners door de Duitsers naar het westen worden gedreven en daar moeten gaan werken. Gevaarlijker nog dan de Duitsers zijn de Poolse landgenoten die onveranderlijk zeer antisemitisch zijn. Nir's verhaal eindigt met de terugtocht richting Warschau na de bevrijding - zelfs de schamele bezittingen die ze nog hebben worden hen door hun Russische bevrijders afgenomen.

Een voorbeeld van Nirs blijvende betrokkenheid is zijn reactie op het officiële bezoek van president Reagan in 1986 aan het kerkhof van Bitburg, waar ook SS'ers begraven liggen. “Iedereen sprak er schande van maar ik heb - samen met een stuk of dertig anderen - direct het vliegtuig gepakt en wij zijn gaan demonstreren.”

Valt de Polen en de Oekraïners, die zijn vader fusilleerden, ook niet het nodige te verwijten? “Alleen het Duitse volk heeft stelselmatig gewerkt aan de vernietiging van de joden. Ach, heel Midden- en Oosteuropa heeft natuurlijk een antisemitische traditie. Het eerste wat het pas onafhankelijk geworden Litouwen deed in het kader van de strafherziening was een aantal nazi's vrijlaten!”

Na lezing van het fascinerende, goed geschreven verhaal, is de eerste vraag hoe het later met de hoofdpersonen is gegaan. Nir: “Dat wil iedereen weten. Ik wil dat de lezer op het eind van mijn boek achterblijft bij de personages, in pijn en ellende. Iedereen wil altijd dat het goed afloopt, dat er nog allemaal goed nieuws komt dat de verschrikkingen enigszins neutraliseert maar ik heb bewust gekozen voor dit einde. Ik beschrijf niet hoe het iedereen daarna vergaan is.”

“Ik wil heus wel vertellen hoe het ons daarna verging,” zegt Nir, die zijn oorspronkelijke, te Duits klinkende achternaam Grünfeld veranderde in Nir, wat in het Hebreeuws "groene wei' betekent. “Wij emigreerden naar Palestina op valse papieren. Een oom van mij had een diamantslijperij in Israël. In augustus 1939 waren zijn vrouw en twee kinderen op vakantie gegaan naar Polen. Even later brak de oorlog uit, zij zijn nooit teruggekeerd. Wij hebben ons in 1945 bij de Britse ambassade gemeld en ons voor de vermisten uitgegeven. Zo kregen wij paspoorten en uitreisvisa.” Op 18-jarige leeftijd, in 1948, nam Nir dienst in het Israëlische leger. Hij studeerde medicijnen en doceerde aan de School of Medicine in Tel Aviv. Na zijn emigratie naar de Verenigde Staten is hij getrouwd en inmiddels vader van vier kinderen. Hij is nu verbonden aan Cornell University in New York City als hoogleraar psychiatrie.

Nir heeft zijn boek, dat twee jaar geleden in de Verenigde Staten uitkwam, niet zomaar kunnen publiceren. Nir: “Ik heb er vijf jaar bij uitgevers mee moeten leuren.” Uiteindelijk kwam hij niet bij de minste terecht: het uitgevershuis Harcourt Brace Jovanovich staat zeer goed bekend.

De aanleiding om te beginnen met het op schrift stellen van zijn ervaringen had acht jaar geleden plaats. Nir: “Omdat ik wel vijf talen spreek maar geen enkele accentloos, ben ik ook zeer gespitst op accenten bij anderen. Acht jaar geleden kwam ik iemand tegen die Brits Engels sprak met een licht accent. Ik vroeg hem ernaar en hij bleek ook uit Lwów te komen: we hadden bij elkaar op school gezeten! Toen ik met hem sprak kwam alles terug. Ik schreef het op en die daad was zo intens dat ik nu alweer dingen vergeten ben die wel in het boek staan. Het had voor mij therapeutische waarde.”

Verloren kinderjaren van Yehuda Nir is in Nederland verschenen bij uitg. Kwadraat. Yehuda Nir houdt vrijdagavond in het West-Indisch Huis in Amsterdam een lezing. Aanvang 20 u. Inl. 020-6247280.