Tsja, Haenchen wil die Bruckner echt zo ruig

Concert: Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. Peter Damm (hoorn). Programma: W.A. Mozart: Serenade nr 8 KV 286; Hoornconcert nr 2 KV 417; A. Bruckner: Zevende symfonie. Gehoord: 24-9 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 27-9 aldaar; 29-9 Utrecht.

Het Nederlands Philharmonisch Orkest opende het seizoen in het Amsterdamse Concertgebouw met Bruckners Zevende symfonie onder leiding van chef-dirigent Hartmut Haenchen met op het balkon een fikse afvaardiging van de Nederlandse Opera, want ook daarvan Hartmut Haenchen de chef-dirigent. Haenchen heeft de laatste vijf jaar veel bereikt. Het wisselvallige niveau van het uit drie tegenstribbelende orkesten samengestelde Nederlands Philharmonisch Orkest is stabieler geworden èn flink gestegen.

Maar vooralsnog blijken die respectabele kwaliteiten beter in de orkestbak van het Muziektheater dan op het podium van het Concertgebouw. Het zwaartepunt van Haenchens muzikale capaciteiten ligt zeker bij de operabegeleiding, waarmee hij een onmiskenbare affiniteit heeft.

Minder is dat het geval bij de interpretatie van het grote symfonische repertoire. Daar vertoont hij soms een te grote dadendrang, gepaard gaande met hoge tempi: Haenchen lijkt dan een opdrijvende manager die eerder wordt gefixeerd door het leveren van de opzichtige orkestprestatie dan het dienen van de kunst der muziek.

Zo begon Bruckners Zevende symfonie nu ook in het Allegro moderato gehaast en met een fors gemarkeerde opbouw naar de eerste climax. Door dat snelle tempo krijgen articulatie en toonvorming wat scherps en schetsmatigs, vertonen de frases een ruwe hoekigheid, wordt de expressie droog en feitelijk en is er nauwelijks plaats voor fijnzinniger detaillering in ritme en klank.

Maar soms is die ruime en ruisende sfeer er ineens wel, zoals in de aanloop naar de finale van het eerste deel en dan lijkt het of de uitvoering in volgende uitvoeringen alleen nog maar hoeft te groeien. Het Adagio viel met een intense strijkersklank beter uit. En voor het Scherzo had Bruckner al muziek geschreven zoals Haenchen die graag hoort, zij het dat die strakker en sonoorder kan klinken.

Uit de bijna tot extreme lawaaiigheid opgepepte finale bleek echter dat het niet Haenchens bedoeling is het bij volgende uitvoeringen veel anders te laten uitvallen: hier klonk de ruigheid die hij eerder in Bruckners Negende symfonie liet horen. Het is kennelijk zijn credo, al kan zijn orkest getuige de Parsifal van verleden jaar wel degelijk anders.

Deze Bruckner verjoeg moeiteloos de toch al niet zo sterke herinnering aan de twee Mozarts, die het concert openden. De Serenade nr 8 Notturno voor vier orkestjes werd ruimtelijk en quadrafonisch gespeeld door twee ervan op de bovengang achter het orgel te plaatsen en een in de foyer aan de voorzijde. Een aardig idee om deze pretentieloze vermaaksmuziek als toevallige flarden van her en der te laten komen, als op een tuinfeest. Maar de uitvoering was ook wel erg onpretentieus en weinig op zijn plaats in een vol Concertgebouw waar ondertussen niets gebeurde om zich mee te vermaken.

De Dresdense hoornist Peter Damm speelde verder Mozarts Hoornconcert nr. 2. Hij deed dat met een mooie, maar ook wel erg uniforme toon. Vroeger, op een achttiende eeuwse hoorn, was zoiets het toppunt van virtuositeit, maar nu kost dat aanzienlijk minder moeite. Muzikale compensatie daarvoor bleef uit: solist en dirigent hielden zich verre van elkaar geheel op de vlakte.