Tegenover de Cambodjanen heeft Europa nog iets goed te maken

Morgen spreekt prins Norodom Sihanouk als voorzitter van de Hoge Nationale Raad van Cambodja de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Verenigde Naties toe. De situatie in Cambodja is één van de belangrijkste agendapunten van deze Algemene Vergadering.

In New York zal Sihanoek ook een gesprek hebben met minister Van den Broek over de vraag wat de houding van EG zal zijn tegenover het nieuwe bewind in Phnom Penh en op welke bijdrage hij kan rekenen bij de wederopbouw van Cambodja.

Na de ongetwijfeld triomfantelijke terugkeer van Sihanouk in de internationale politieke arena, zal de prins in november zijn intrek nemen in zijn geheel gerestaureerde paleis in Phnom Penh. De Hoge Nationale Raad zal vanaf dat moment functioneren als tijdelijke regering van Cambodja. Een aantal landen heeft al aangekondigd deze regering te erkennen. Australië, Indonesië en Thailand hebben besloten een ambassade te openen in Phnom Penh. De vraag is wat de Europese Gemeenschap gaat doen. Volgens informatie uit Brussel zullen ook Frankrijk en Italië diplomatieke betrekkingen met Cambodja aanknopen en niet wachten op de uitkomst van de verkiezingen die naar verwachting volgend jaar onder VN-toezicht worden gehouden.

Op dit moment is een VN-delegatie in Cambodja om te bekijken hoeveel militairen er nodig zijn om toe te zien op het staakt-het-vuren dat de strijdende partijen onlangs zijn overeengekomen. Hoewel nog niet duidelijk is of de Nederlandse regering de Hoge Nationale Raad erkent als wettige regering van Cambodja, heeft zij al wel, bij monde van haar minister van defensie, toegezegd een bijdrage te leveren aan een VN-vredesmacht. Ter Beek heeft in 1989 als parlementariër een werkbezoek gebracht aan Cambodja en heeft toen gepleit voor een actieve betrokkenheid van de Nederlandse regering en de EG bij het vinden van een politieke oplossing.

De delegatie waar Ter Beek deel van uitmaakte, vroeg in haar eindrapport speciale aandacht voor de driehonderdduizend vluchtelingen langs de Thais-Cambodjaanse grens. Deze mensen zullen op korte termijn terugkeren naar hun land, zonder te weten welke familieleden zij nog aan zullen treffen in hun geboortedorp, omdat velen van hen zijn omgekomen tijdens het terreurbewind dat door de Rode Khmer tussen 1975 en 1979 is uitgeoefend. De vluchtelingen zullen geholpen moeten worden een nieuw bestaan op te bouwen in een van de armste landen ter wereld.

Twee jaar geleden heeft prof. Fitzgerald van het Institute of Social Studies in Den Haag in opdracht van ontwikkelingsorganisaties een rapport opgesteld om te bezien hoe de wederopbouw van Cambodja vanuit het Westen het best zou kunnen worden ondersteund. Fitzgerald pleitte voor een weloverwogen en voorzichtige benadering. Ten tijde van het bewind van de Rode Khmer is immers een groot deel van de infrastructuur vernield en het kader vermoord. De kans op verspilling van hulpgelden is dus levensgroot aanwezig, aldus Fitzgerald. Hij schat de totale hulpbehoefte van Cambodja de komende vijf jaar op één miljard dollar. De helft daarvan zou besteed moeten worden voor de aankoop van olie, kunstmest en reserve-onderdelen, zeker nu de Sovjet-Unie als belangrijkste leverancier is weggevallen. Daarnaast zou het geld besteed moeten worden om betalingsbalanssteun te verlenen, de infrastructuur te verbeteren en kader op te leiden. Vorig jaar bracht een ambtelijke missie in opdracht van minister Pronk een bezoek aan Cambodja. De missie onderschreef in grote lijnen de conclusies van Fitzgerald en stelde extra steun voor projecten op het gebied van landbouw, bosbouw, visteelt, gezondheidszorg en voedsel en voeding. Voor dit jaar trok minister Pronk een bedrag uit van vijftien miljoen gulden dat werd besteed via ontwikkelingsorganisaties en multilaterale instellingen. Bilaterale steun is tot ongenoegen van Pronk, niet mogelijk, omdat de Tweede Kamer vorig jaar tijdens de begrotingsbehandeling een motie aannam waarin het de minister werd verboden om nieuwe bilaterale hulprelaties aan te gaan met ontwikkelingslanden. Op dit moment wordt op het ministerie van ontwikkelingssamenwerking de laatste hand gelegd aan het beleidsplan voor de Mekong-regio waarvan Cambodja deel uitmaakt. Verwacht mag worden dat Pronk zijn beleid ten aanzien van Cambodja zal voortzetten. Belangrijk is nu dat andere EG-landen het voorbeeld van Nederland zullen volgen. De EG heeft namelijk nog wel het een en ander goed te maken tegenover de Cambodjaanse bevolking. Tien jaar lang heeft Cambodja het zonder buitenlandse hulp moeten stellen en werd zij in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties vertegenwoordigd door een verzetscoalitie, waarin de Rode Khmer de dienst uitmaakte en die door de internationale gemeenschap werd erkend. De Algemene Vergadering van de VN is een goede aanleiding een begin te maken met de "Wiedergutmachung'.