Krap budget en kleine bezetting nog altijd barrière; Het geduld van Introdans

Het balletgezelschap Introdans viert dit seizoen het twintigjarig bestaan. Vanaf het begin vormen de oprichters Ton Wiggers en Hans Focking, respectievelijk artistiek en zakelijk directeur, een hechte combinatie. Achterom kijken willen zij niet. De ogen zijn gericht op de toekomst.

Twintig jaar geleden was er in de oostelijke provincies van Nederland nauwelijks belangstelling voor de dans. Er was geen publiek en geen aanbod. In de kunstpolitiek dacht men aan spreiding en het aantal kleine zalen nam toe. Ton Wiggers (1947), pas afgestudeerd aan de Arnhemse Balletacademie en Hans Focking (1946) - destijds produktieleider bij het toneelgezelschap Theater - zagen de mogelijkheid om het een met het ander te combineren.

Samen richtten zij Studio L.P. op. Deze balletwerkgroep begon met een educatief programma voor de jeugd. Later volgde een informatief programma voor volwassenen. Het gezelschap van drie dansers trad op in scholen, buurthuizen, culturele centra en kleine theaters. De balletschool van Ton Wiggers zorgde voor financiële rugdekking.

De eerste tien jaar waren moeizaam. Werken met behoud van uitkering was er in die tijd niet bij. Iedereen had een baan. Wiggers hield een spoorboekje bij van de uren waarop de dansers beschikbaar waren voor training en repetities. Pas eind 1978 kreeg een subsidiestructuur tussen rijks-, provinciale- en gemeentelijke overheden haar beslag. Voortaan ontvingen alle geëngageerden per jaar minstens acht maanden salaris. “Dit was het keerpunt”, stelt Ton Wiggers vast, “eindelijk konden wij werken aan de artistieke verbetering.”

Het succesverhaal van Introdans ontwikkelt zich verder in 1981. Waardering voor het educatieve werk in de regio wordt gevolgd door de erkenning van het landelijk spreidingsbelang van de dansgroep. De toekenning van de Prijs van de Kritiek in 1984 brengt niet alleen "morele steun en zelfvertrouwen', maar vooral belangstelling uit het buitenland. In de zomermaanden reist het gezelschap naar festivals in Portugal, Italië of Indonesië. “Ons geduld is karakteristiek”, aldus Hans Focking. “Bij elke stap weten wij al wat de volgende is. Ons concept is goed”. Dat concept is gebaseerd op de klassieke ballettechniek, gemengd met invloeden van de moderne en hedendaagse dans.

Vroeger was er geen geld om choreografen aan te trekken, dus maakte Ton Wiggers de balletten. Tegenwoordig wordt het repertoire van Introdans door meerdere choreografen bepaald, voornamelijk Nederlanders als Nils Christe, Ed Wubbe, Hans Tuerlings, Jan Linkens of John Wisman.

“Het is absoluut onzin, dat een artistiek leider per definitie een groot choreograaf of ex-solist moet zijn”, stelt Ton Wiggers krachtig. “Het runnen van dit bedrijf vind ik belangrijker dan het choreograferen. Toch moet je constateren dat het Nederlands choreografisch talent waaruit wij kunnen putten, beperkt is. Dan moet je wel uitwijken naar het buitenland. Het liefst vragen wij choreografen die niet bij elke andere groep te zien zijn. Wij willen onze eigenheid handhaven.”

Het ontwikkelen van choreografisch talent valt ook onder educatie, propageren Wiggers en Focking. In 1981 begonnen zij met een workshop die Nils Christe begeleidt. De resultaten waren bemoedigend. Sommige deelnemers kwam je later tegen in het derde circuit: Tatiana de la Fuente, Jan Hein van Tol of Henriëtte van Reesema. Tot een doorbraak naar de grote balletgezelschappen leidde het echter niet. “Daar is geen ingang”, zegt Ton Wiggers. “Er vindt geen doorstroming plaats”.

In eigen gelederen vormt de kleine bezetting een barrière. Bij Introdans kan geen van de 23 dansers (inclusief de educatieve medewerkeres) worden gemist. Die moeten òf hun choreografische aspiraties opzouten tot na hun danscarrière of weggaan. Mirjam Diedrich, al tien jaar één van de gezichtsbepalende danseressen van de groep, heeft gewacht en presenteert haar eerste ballet met Kerstmis. Voor het volgende seizoen krijgt zij opnieuw een opdracht.

Een constante factor is het krappe budget. Binnenkort vindt er bij WVC een herverdeling plaats van de kunstsubsidies. Volgens Focking sluiten vriend en vijand niet uit dat het dansbestel zal veranderen. Hij hoopt dat het “herkenbare, gedegen en toch avontuurlijke beleid” van Introdans goed is voor een financiële uitbreiding. Dan zou met een paar extra dansers de groep minder blessuregevoelig zijn, terwijl bij de educatieve afdeling de achterstand ten opzichte van het jeugdtoneel kan worden ingehaald.

Introdans Educatief is goed voor meer dan tweehonderd schoolvoorstellingen per seizoen. Samen met Roel Voorintholt, het hoofd van die afdeling, streven Wiggers en Focking naar een nòg professionelere aanpak. Voor één produktie is er al een regisseur-dramaturg angetrokken. Aan de technische kwaliteit van de dansmedewerkers worden voortaan hogere eisen gesteld. Dat geeft de choreografen meer mogelijkheden. Maar de educatieve dienst is beslist geen springplank naar de grotere groep, verzekeren de heren. Het werken met en voor de jeugd vraagt om specialisten. Voor al die plannen geldt weer het devies: “Langzaam aan, dan breekt het lijntje niet.”