Kaarten op tafel

EEN HALF PONDJE democratische controle, een onsje veiligheid en een 25 gram supranationaliteit.

Dat biedt het Nederlandse ontwerpverdrag voor de Politieke Unie waarover de Europese Raad in december in Maastricht zal praten. Het ontwerp is een op schrift gestelde poging het iedereen zoveel mogelijk naar de zin te maken - in de wetenschap dat zoiets onmogelijk is. Dapper mag desondanks worden genoemd de Nederlandse bereidheid zich in de vuurlinie te wagen en op het oog echte bevoegdheden voor het Europese Parlement voor te stellen, zij het dat voorlopig onbesproken moet blijven waar het in een parlement wezenlijk om gaat: uitbreiding en versterking van het budgetrecht.

Dat de Europese procedures ook in een nieuw jasje gekunsteld blijven, blijkt uit de nieuwe Nederlandse gedachten omtrent het parlement. Eensdeels treden de Raden van Ministers op als regering (met de Commissie op de achtergrond), vervolgens ontpoppen de Raden zich in voorkomende gevallen als een Senaat die samen met het parlement de wetgeving voltooit. De ministers staan dus bij het parlement aan de voor- en aan de achterdeur. Zou dat een versteviging van de parlementaire controle kunnen verzekeren?

EEN MOEDIG PUNT in de Nederlandse plannen is het voorstel de veiligheids- en defensiepolitiek op termijn onder het verdrag en dus onder de Gemeenschappelijke organen te brengen. Niet alleen wijkt Nederland hier af van de eerdere, op Frankrijk georiënteerde, Luxemburgse blauwdruk, maar daarmee dus ook van dat wat Frankrijk (en Groot-Brittannië) acceptabel vindt. Den Haag heeft zich niet volledig door het Gemeenschappelijke voorzitterschap dat het bekleedt de handen willen laten binden. Iets van een eigen Nederlands geluid is hoorbaar gebleven en daarvoor moeten de eerstverantwoordelijke bewindslieden worden geprezen. Het kleinste gemene veelvoud had wellicht beleefd applaus uitgelokt, maar had niemand kunnen inspireren.

Minder eenvoudig te doorgronden is de betekenis van de verwijzing in het hoofdstuk over veiligheid en defensie naar de West-Europese Unie en de Noord-Atlantische Verdrags-Organisatie. Het beleid van de Europese Gemeenschap op dit terrein mag volgens het Nederlandse ontwerp slechts “aanvullend” zijn. Dat is een definitie die iedere helderheid bij voorbaat uit de weg gaat want wie zal in de praktijk uitmaken wat aanvullend is? In herinnering komt bijvoorbeeld het Frans-Duitse plan om de WEU een soort uitvoerend orgaan van de EG te doen zijn. Moeten we dat plan nu in omgekeerde richting lezen? En wanneer men aan de NAVO denkt, komt de gedachte al gauw op dat is bedoeld: de EG doet alles wat de NAVO niet doet. Maar die veronderstelling is, gezien de voorkeuren van de verantwoordelijke minister, wellicht iets te voortvarend.

Gevaarlijk vaag blijven de voorstellen op justitieel gebied. De ervaring met het Akkoord van Schengen, de vingeroefening op dit gebied van Benelux, Bondsrepubliek en Frankrijk, is de betrokken ambtenaren in Den Haag kennelijk goed bevallen. De daar overeengekomen procedures worden naar het Gemeenschappelijke niveau getild en wat ontstaat is een Europese "justitiële ruimte' waar het voor de betrokken nationale diensten goed toeven is en waar iedere Gemeenschappelijke, laat staan parlementaire, controle ontbreekt. In het "Europa-zonder-grenzen van de burgers' wordt een fenomeen opgeroepen dat kritische aandacht, wellicht zelfs verzet verdient.

HET NEDERLANDSE ontwerp plaatst het Europese beleid weliswaar onder een communautair gewelf, maar daaronder wordt het opgedeeld in verticale kolommen waarin de spelregels variëren van puur intergouvernementeel naar enigszins supranationaal. Op zichzelf is de rijke gevarieerdheid niet verrassend want de politiek-filosofische kloven die Europa verdelen lopen door tot in het landsbestuur en zelfs tot in het departement dat het ontstaan van dit document heeft gecoördineerd.

"Maastricht' zal waarschijnlijk niet veel meer opleveren dan een verdere aanzet tot een Politieke Unie, voldoende ingekleurd om de totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie niet te belemmeren, en met genoeg open plekken om de Europese kudde in betrekkelijke vrede verder te kunnen weiden. Maar het Nederlandse ontwerp heeft de verdienste dat het een aantal zwarigheden heeft meegenomen. Dat dwingt de partners, ook Nederland zelf, tot enige helderheid. Als daardoor het ontwerp op onderdelen wordt opgeblazen, zijn de grenzen van het mogelijke weer wat scherper getrokken. Den Haag heeft zijn kaarten op tafel gelegd. Nu de andere hoofdsteden nog.