Hongarije: na fluwelen revolutie kwam desillusie

Hongarije bevrijdde zichzelf als eerste van het communistische juk. Het land dreigt echter zijn voorsprong op andere Oosteuropese landen te verliezen. Béla Kádár blijft optimistisch.

“Een historisch ongelukje, dat spoedig wordt rechtgezet”, zegt Béla Kádár achteraf over de mislukking, eerder deze maand, van de jongste gespreksronde tussen de EG en de drie Oosteuropese landen die associatie nastreven, Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije.

Het was de ronde die tamelijk jammerlijk mislukte toen Frankrijk nee zei tegen het vooruitzicht de EG open te moeten stellen voor welgeteld elfduizend ton Oosteuropees rundvlees extra. Tot ongenoegen van zowel de Oosteuropese partners als de Westeuropeanen verslikte Parijs zich in die luttele hoeveelheid, hetgeen en passant leidde tot een vertraging van het hele associatieproces. Het leverde de Fransen bittere commentaren op, en zeker niet alleen van de Oosteuropeanen. “Op welke planeet leven jullie eigenlijk”, zo voegde de Deense minister van buitenlandse zaken zijn Franse collega toe.

Een historisch ongelukje, zegt dr Béla Kádár. Hij is minister van internationale economische betrekkingen van Hongarije en als zodanig de sleutelfiguur in het moeizame proces van de economische heroriëntatie van de Hongaarse economie. Voor de revolutie van 1989 was hij directeur van het staatsplanbureau, in de 23 jaar dáárvoor was hij directeur van het prestigieuze Instituut voor Wereldeconomie van de Hongaarse Academie van Wetenschappen: 's lands eerste econoom, de enige topfunctionaris uit het oude systeem die een topfunctie heeft gekregen in het nieuwe.

Kádár tilt niet zwaar aan de mislukking. Natuurlijk - tant de bruit over elfduizend ton vlees, maar, zegt hij, er is ook een troost: “De Fransen zouden geen moeilijkheden hebben gemaakt als we geen goede produkten aan te bieden zouden hebben.” Maar zeker, zegt Kádár, Hongarije is gevoelig voor dit soort boodschappen van de kant van de EG. “Voor ons is de landbouw een belangrijk gebied. Als wij ons exportvolume vijf jaar lang met tien procent per jaar kunnen uitbreiden, is dat voor ons een vitaal gegeven. Twintig procent van de Hongaren werkt in de landbouw. We hebben de afgelopen anderhalf jaar onze Oosteuropese markt verloren, de Sovjet-Unie, de DDR. We moeten overschakelen, en dat maakt de kwestie zo belangrijk.”

Het proces van de integratie van de Hongaarse in de Europese economie is er een van hoop en teleurstelling. Aanvankelijk, na de fluwelen revolutie van 1989, ging men er in Hongarije van uit dat de EG en het Westen in het algemeen Hongarije zouden helpen bij die integratie, door schulden te schrappen die de communisten waren aangegaan, door markten te openen, door kapitaal in te brengen, technologie te leveren, hulpprogramma's op te stellen en Hongaarse produkten af te nemen. Die illusie is in rook opgegaan: de Hongaren zullen het, zo weten ze na twee jaar, zelf moeten doen.

Pag 20:

Hongarije heeft voorsprong niet verzilverd

Nog een illusie is verdwenen: dat van de opening van de EG-markt voor Hongaarse produkten alleen maar heil is te verwachten. Als wederzijds tariefmuren worden geslecht, levert dat Hongarije voordelen op, omdat het zijn produkten beter kwijt kan op de Westerse markt. Maar het levert ook nadelen op: de Hongaarse markt komt open te liggen voor Westerse industrieprodukten, en dat is een regelrechte bedreiging van de Hongaarse industrie.

Kádár erkent die bedreiging: “De opening van de Hongaarse economie heeft de EG meer voordelen gebracht dan Hongarije”, zegt hij. “Onze import uit het Westen is de afgelopen acht maanden veel sneller gestegen dan onze export naar het Westen.”

Het zijn grote verschillen - zie Nederland, zegt hij: “Jullie voeren 53 procent meer naar Hongarije uit dan vorig jaar, onze export naar Nederland is maar met zestien procent gestegen.” Het is, zegt hij, de prijs die we betalen voor de herintegratie in Europa. En het kan een gevaar worden, zegt Kádár, als er geen alternatieven zijn, als Hongarije geen mogelijkheden heeft zijn export op te voeren. “Maar die zijn er wel, of ze komen er: sinds twee weken is er een exportgaranderingsinstituut, de Eximbank. Er zijn plannen voor een bank voor de wederopbouw, die het heroriënteringsproces - de omschakeling van handel in Comecon-verband naar de handel met het veeleisende Westen - moet versnellen. En er is de privatisering, die haar bijdrage zal moeten leveren aan die omschakeling.

Kádár geeft hoog op van de resultaten van de privatisering in de afgelopen twee jaar, en van de buitenlandse investeringen, de joint ventures. Dertien procent van de industriële capaciteit is in privéhanden, zegt hij, tegen nul procent een jaar geleden. Twee miljard dollar is er aan buitenlands kapitaal in de negenduizend nu bestaande joint ventures gestoken - waarvan alleen al het laatste anderhalf jaar 1,6 miljard, en dit jaar komt daar nog een miljard bij, en volgend jaar nog een miljard.

“Belangrijk is dat zestig procent van de nieuwe investeringen worden gedaan in de industrie en dat niet alleen de carpetbeggars naar Hongarije komen, maar grote internationale bedrijven.” Dertig miljard dollar is de Hongaarse staatsindustrie waard, zegt Kádár, en daarvan is nu al zes tot zeven procent in handen van buitenlandse privébedrijven. Elk miljard, zegt hij, is weer drie procent.

Het is een mooie voorstelling van zaken. Maar schort er niet iets aan, zoals er ook iets schort aan het tempo van de privatisering? Hongarije telt 2180 staatsbedrijven. Daarvan zijn er 360 gedeeltelijk en slechts twee geheel geprivatiseerd. Als Hongarije dit tempo blijft aanhouden, is het nog een jaar of dertig bezig met de ontmanteling van de staatssector - en het doel is niettemin over drie jaar de helft van die sector te hebben geprivatiseerd.

Men kan zelfs volhouden dat Hongarije, dat al aan het eind van de jaren zestig begon te experimenteren met economische hervormingen, de afgelopen twee jaar een kostbare voorsprong van twintig jaar op landen als Tsjechoslowakije, de DDR, Roemenië en Bulgarije heeft weggegeven: die landen hebben het hervormingsproces vanaf 1989 daadkrachtiger aangepakt dan de Hongaren. Er zijn er in Hongarije die dat ronduit bestempelen als de historische zonde van het nieuwe bewind.

Kádár ontkent stellig dat het privatiseringsprogramma te langzaam verloopt of vertraging heeft opgelopen. “Privatiseren neemt tijd in beslag. Pas in januari werden de buitenlandse investeringen volledig geliberaliseerd, onze Treuhand bestaat pas een paar maanden. Zes, zeven maanden zijn te kort voor grote transacties.”

Er is geen voorsprong weggegeven. “Waarmee vergelijk je dan? Alleen dagdromers hebben verwacht dat je een staatssector in één nacht ontmantelt. Je kunt het institutionele kader scheppen. Je kunt wetten maken, een beurs oprichten, de juiste afdelingen in de juiste ministeries in het leven roepen.” Maar, zo verdedigt Kádár zich, het gaat uiteindelijk om de vraag of mensen bereid zijn zelf aan de slag te gaan. En daar schort het aan: “We maken een recessie door. Vorig jaar daalde het BNP met vijf, dit jaar daalt het met zes tot zeven procent. De binnenlandse markt krimpt in. De Oosteuropese markt is ingestort. Particulier ondernemen is nu niet aantrekkelijk.”

En natuurlijk, Hongarije had een voorsprong, de Hongaren hebben eerder dan de andere Oosteuropeanen vrij mogen reizen en mogen rondkijken in Europa en kregen al tien jaar geleden de mogelijkheid iets voor zichzelf te beginnen. Maar dat die voorsprong verloren is gegaan, nee: “Het beeld is ook niet zo ondubbelzinning als het lijkt. Hongarije is een land van dynamiek èn crisis: crisis in de staatssector, dynamiek in de privé-sector, crisis in de handel met het Oosten, dynamiek in de handel met het Westen. Het beeld is gecompliceerd.”

Wellicht zou het privatiseringsproces sneller verlopen als Hongarije, net als alle andere landen in het Oosten, een deel van zijn staatsindustrie gewoon had weggegeven aan de eigen bevolking, in de vorm van vouchers waarmee aandelen kunnen worden gekocht. Het is sowieso bij voorbaat duidelijk dat die dertig miljard dollar, de prijs van de Hongaarse staatsindustrie, niet kàn worden neergeteld door een al tien jaar verpauperende bevolking en niet zàl worden neergeteld door het buitenland.

Kádár: “Weggeven zou het tempo opvoeren, ja. Maar alleen statistisch. En wat is de relevantie van weggegeven bezit? Als econoom heb ik niets te maken met bezit als Wertbegriff. Ik kijk alleen naar de doelmatigheid, die is beslissend, dáár ligt de waarde van bezit. En die doelmatigheid bestaat alleen bij privébezit waarvoor is betaald, gespaard en geknokt. Alleen die bezitsvorm biedt de garantie dat er efficiënt werk wordt geleverd. Als we bezittingen weggeven, maken we dezelfde fout als de marxisten vroeger, met hun geloof in het collectieve. Weggeven is ontwaarden. Risico en verantwoordelijkheid - het zijn de enige garanties die bestaan.”

Bovendien, zegt Kádár, “we kunnen ons niet veroorloven fabrieken weg te geven. Hongarije zit diep in de schuld. En zelfs al zouden we het weggeven - de meeste Hongaren zijn niet geïnteresseerd in het eigenaartje-spelen. Ze zijn geïnteresseerd in een inkomen, en ze zullen die vouchers en die aandelen dus willen verkopen. En wie hebben als enigen het geld om ze te kopen? Leden van de oude communistische nomenklatoera. En dat leidt tot conflicten in de samenleving, tot een destabilisering. En onrust kunnen we niet gebruiken, daar krijgt het Westen maar hoofdpijn van. Ik ben niet voor een vervolging van de oude nomenklatoera, maar je hoeft ze ook de krenten niet uit de pap te laten pikken.”

Het zijn aardige redeneringen, maar kloppen ze ook? Die oude nomenklatoera kan immers die krenten ook rustig uit de pap zoeken nu Boedapest de staatsbedrijven niet weggeeft maar verkoopt. En wie niets weggeeft, vertraagt het hervormingsproces en geeft zijn voorsprong weg. Dat blijkt ook wel uit het feit, dat de regering aan de verkoop van staatsbezit tot dusverre slechts 65 miljoen dollar heeft verdiend - een schamele tien procent van wat het er tot nu toe aan dacht te zullen verdienen.

Kádár: “Okee. Een jaar geleden dachten we dat het sneller zou gaan. Een jaar geleden dacht ik dat we nu op twintig procent zouden zitten. We zitten op dertien procent. Maar het tempo is niet relevant. Relevant is dat elk miljard dollar dat Hongarije binnenkomt drie procent van het totaal aan produktie-eigendom betekent. Relevant is dat dat proces doorgaat en dat in 1994 de spaartegoeden groter zullen zijn.”

Kádár is een optimist. Hij was het als directeur van het Instituut voor Wereldeconomie, hij was het ook als chef van het staatsplanbureau en hij is het nog. “Het ergste hebben we gehad”, zegt hij. “Het ergste, dat was de instorting van de Oosteuropese markt. De handel met het Oosten is met 57 procent afgenomen. Dat heeft ons twee miljard dollar gekost. Dat is een tragedie - voor bedrijven, voor regio's, voor mensen. Maar we zijn die ramp te boven gekomen. Er was geen insolvency. Er was geen chaos. De inflatie is onder controle. De produktiedaling is pijnlijk, maar blijft beperkt door de snelle toename van de export naar het Westen. Met andere worden: we hebben de meest bittere pillen geslikt. Erger kan het niet worden.”

Het belangrijkste, zegt Kádár, is dat er eindelijk eens een success story komt waar de Hongaren zich door kunnen laten stimuleren. “In Hongarije zijn we heel goed in staat de waarde van zo'n demonstratief voorbeeld te beoordelen. We hebben zelf met de hervormingen in de jaren tachtig het voorbeeld gegeven. We hebben het stalinistische model ondermijnd, in Hongarije en in heel Oost-Europa. Het Westen kan een nieuwe domino scheppen, voor het effect. Hongarije is er rijp voor. Voor ons is de brug niet zo ver. We zijn al voor tachtig procent een marktkeconomie”, zegt Béla Kádár. En hij zegt: “Let op: eind volgend jaar komen de eerste tekenen van herstel. We kunnen gewoon geen fouten meer maken die dat scenario verstoren.” “Ik kan me drie maanden vergissen”, zegt Béla Kádár. “Maar ik kan me niet meer dan drie maanden vergissen. De toekomst wordt minder pijnlijk dan het verleden.”