Een en ander

De verhouding van de Portugees ten opzichte van zijn milieu moet diepgaand getekend zijn door het feit dat het in brand staat. Want het brandt altijd. Het brandt overal. Portugal is een land van vuurwerk en vreugdevuurtjes. Van stookvuren op straat en onophoudelijke bosbranden.

De bosbranden vormen het grootste spektakel.

Elk jaar beloven de politici er eindelijk iets aan te doen en elk jaar brandt het harder.

Ondanks de aanwezigheid van een directoraat voor bosbeheer heb ik nimmer enig bosbeheer waargenomen.

Wie er rekening mee houdt dat de Portugezen een volk zijn dat graag achteruit kijkt zal begrijpen dat het niet zo een twee drie het bestaan van preventieve maatregelen zal ontdekken.

Een volk dat achteruit kijkt weet ook niet beter of de spiering die binnen is bezit meer substantie dan de nog van droomstof gemaakte kabeljauw die er mee gevangen had kunnen worden.

Dus wordt er snelgroeiend hout aangeplant. De cellulose-fabrieken zijn machtig en hongerig.

Snel hout betekent snelle winst.

Voor dat nieuwe hout - een speciaal opgepept eucalyptusras - dient het trage en oude hout te wijken.

De brand erin.

Als iemand mij zou vertellen dat het directoraat voor bosbeheer een geheime onderafdeling is van de cellulose-industrie zou me dat niet in het minst verbazen.

Zoveel is echter zeker dat een van de directeuren van bosbeheer - of de minister van milieu hier, het maakt weinig uit - een neef van de nicht van de oom moet zijn die weer de broer van de zwager van de zuster is van het hoofd van de cellulose.

Kortom, buddies.

Anders weet ik het niet te verklaren waarom de politici op dit punt hun beloften - die ze, met het oog op de verkiezingen, ook wel eens moeten houden - zo snel en met zo'n hardnekkige regelmaat vergeten. Anders weet ik niet te verklaren waarom de branden onveranderlijk in het oude hout woeden en nooit eens een aanplantje van het nieuwe hout aantasten.

Het waaibomenhout.

Niet dat het oude hout zoveel beter is. Maar de grove den groeit minder snel dan de eucalyptus. Hij levert minder op. Het hout wordt ook steeds waardelozer door het ondeskundig en lukraak inkerven van het beroerd beloonde hars-aftappersgilde.

Het zadelt Portugal op met de slechtste kwaliteit lucifers van Europa.

Wie hier met een lucifer van nationale makelij zijn sigaret wil aansteken mag zich gelukkig prijzen wanneer hij niet, daaraan voorafgaand, zichzelf of zijn huis in brand heeft gestoken.

Het gedeelte met de zwavelkop blijkt altijd weer een andere richting uit te gaan dan het gedeelte dat men nog in handen houdt. Bij voorkeur stuift het de lucht in of regelrecht in borsthaar en decolleté.

Brandend, wel te verstaan.

In de bossen bevinden zich gemeenlijk veel wandelaars, zoals daar zijn de flierefluiters, boeren op weg naar hun landje, jagers op vogels en hars-aftappers. Menige wandelaar rookt. Zo zorgt de Portugese lucifer, het produkt van afgebrand hout, voor nieuwe branden. Voor nieuw afgebrand hout, geschikt - onder meer - voor lucifers.

Het verwoeste bos verwoest zich op eigen kracht verder.

Fantaseer ik?

Dan is het toch zeker geen gedurfder fantasie dan de fantasie die wil dat alle Portugezen pyromanen zijn. Ik doel op de mythe - in esoterische milieus hier in taboesfeer gefluisterd, of het een van de grondeloze, verticale mysteries van de Portugese ziel betreft - die een verband legt tussen Portugals hang naar vuur en zijn verlangen naar vernieuwing en verjonging.

Het aloude vuur dat loutert.

Verstarring lijkt me een waarschijnlijker resultaat. Rigor mortis.

Ooit zullen de branden in dit crescendo verbrandende land ophouden. Met elke kleine landeigenaar uit op zijn eigen spierinkje zal er op zeker moment niets meer aan te steken zijn. Dan is de cyclus rond.

Magazijnen vol gevaarlijke lucifers in een dorre woestenij die zich eenmaal de tuin van Europa noemde.