Dictatuur van inkomensplaatje

Het deugt niet met onze belastingwetgeving. Vaak mankeert er inhoudelijk het een en ander aan, terwijl nieuwe wetten lang niet altijd hun doel bereiken. Dat ze er toch zijn gekomen, valt soms rechtstreeks terug te voeren op politiek opportunisme.

Deze harde stellingen komen uit wetenschappelijke hoek, namelijk van de Tilburgse hoogleraar Van der Geld. Tilburgse hoogleraren in het belastingrecht kenmerken zich zonder uitzondering door hun uiterst kritische benadering van het stempel dat "Den Haag' zet op het belastingrecht. Zo nemen zij aan de lopende band de Hoge Raad, de staatssecretaris van financiën, de leiding van de belastingdienst en de Tweede Kamer goed beargumenteerd onder vuur. Voor wat de fiscale wetgeving betreft, gaf Van der Geld afgelopen vrijdag tijdens zijn inaugurele rede een panoramisch overzicht. Dat besloot hij met een pleidooi voor de instelling van een Raad voor fiscaal theoretische vraagstukken.

In zekere zin loopt Van der Geld met zijn kritiek op de wetgeving in de achterhoede. Zowel de Tweede Kamer als de regering hebben eerder dit jaar hun prestaties als wetgever kritisch tegen het licht gehouden. De Kamer deed dat in het rapport van de Commissie Deetman; de regering in de nota "Zicht op Wetgeving' van minister Hirsch Ballin (Justitie).

Toch is het, op het belastingrecht toegespitste, betoog van de Tilburgse hoogleraar zinvol. Zowel de Kamer als de regering laten de bijzondere positie van het belastingrecht onbesproken. De wetgever staat tweeslachtig tegenover belastingwetten. Enerzijds heeft hij de verantwoordelijkheid voor een doorzichtige, rechtvaardige en uitvoerbare wetgeving. Anderzijds heeft de wetgever een duidelijk financieel eigen belang bij (nieuwe) fiscale maatregelen. Die moeten namelijk geld opleveren om een regeringscoalitie uit de financiële nood van het moment te redden.

Wat blijkt nu? Als de overheid geen eigen belang heeft bij nieuwe wetten, pleegt zij zorgvuldig te werk te gaan. Kijk maar eens naar de nauwgezette wijze waarop het Burgerlijk Wetboek wordt gemoderniseerd. De overheid krijgt evenwel een blikvernauwing als haar eigen belang meespeelt. Bij het in zwang komen van fraudebestrijding, legde de politie zich vooral toe op het aanpakken van belasting- en steunfraude (de zogenaamde ISMO-fraude). Werd een bedrijf het slachtoffer van fraudeurs, dan moest men daar die misstand zelf maar uitpluizen.

Nog duidelijker zien we dit mechanisme in de belastingwetgeving. Een technisch goed plan voor belastingvereenvoudiging dat de Commissie Oort had opgesteld, werd om louter politieke redenen voor een deel om zeep geholpen. Een ander voorbeeld: om geld bij elkaar te sprokkelen, schrapt staatssecretaris Van Amelsvoort (Financiën) de laatste jaren steeds meer tolerantietermijnen die de belastingdienst pleegt te hanteren. Allemaal ingrepen van de wetgever die niet in het belang zijn van de burger.

Van der Geld gaat uitvoerig in op zulk optreden. Hij constateert dat politici hun geloofwaardigheid verliezen door uit politiek eigenbelang "genoegen te nemen met soms zeer ineffectieve fiscale wetgeving'. Politiek Den Haag kijkt zijns inziens vooral met een "economenblik' naar de belastingregels. Niet zozeer het rechtskarakter van een nieuwe regeling heeft de aandacht van de politiek, alswel haar effect op het begrotingstekort en op de verdeling van de lastendruk. Dat is "de dictatuur van het inkomensplaatje', zo concludeert de nieuwe hoogleraar.

Dit is een bekend verwijt van fiscalisten die knarsetandend toezien hoe het rechtsgehalte van onze belastingheffing langzaam afglijdt. Toch is het de vraag of de Zwarte Piet helemaal bij de politici thuis hoort. De heilige positie van het koopkrachtplaatje is niet hun verzinsel, maar is een eis van de bevolking. Vooraf zichtbare veranderingen in de inkomensverhoudingen, brengen steevast kiezers op de barricaden. Die heftige reactie beperkt de politieke manoeuvreerruimte. De dictatuur van het inkomensplaatje is daarmee de dictatuur van de massa en dat heeft veel te maken met de democratie.

Terwille van de bestuurbaarheid binnen dat systeem sluiten de volksvertegenwoordigers aan de lopende band compromissen. Van der Geld heeft gelijk als hij signaleert dat juridische argumenten het daarbij te gemakkelijk afleggen tegen economische en politieke redeneringen. Dat zou kunnen komen door een geringe belangstelling van de bevolking voor het rechtsgehalte van de belastingwetten.

Die belangstelling is evenwel groot. De Tilburgse hoogleraar signaleert hoe de burgers steeds hogere eisen stellen aan de regels die hun dwingen geld af te staan aan de schatkist. Des te erger is zijn waarneming dat fiscale wetgeving "vaak inhoudelijk niet blijkt te kloppen'. De narigheid die daar uit voortvloeit, komt aan overheidszijde in eerste instantie terecht bij de belastingambtenaren. Die krijgen de strijdbare belastingbetalers tegenover zich. De politici hebben daar minder last van; zeker niet als - zoals Van der Geld stelt - onze hoogste belastingrechter, de Hoge Raad "regelmatig bereid blijkt de falende wetgever de hand boven het hoofd te houden'.

Het politieke handelen wordt mede bepaald door de maatschappelijke reacties tijdens de behandeling van wetsvoorstellen. Maar ondanks de grote betrokkenheid van de bevolking bij het rechtsgehalte van de belastingwetten, zijn die reacties op fiscaal terrein betrekkelijk lauw. Een publieke belangenbehartiger voor de belastingbetaler ontbreekt en zelf heeft hij maar weinig inzicht in de uitwerking die wetsvoorstellen en amendementen over enkele jaren op hem zullen hebben. Daarin ligt een belangrijke sleutel voor het probleem dat professor Van der Geld op tafel legt. De hooggeleerde zoekt de oplossing voor de magere kwaliteit van de fiscale wetgeving in het instellen van een nieuw adviesorgaan (de Raad voor fiscaaltheoretische vraagstukken).

Het is de vraag of dat enig gewicht in de schaal zal leggen. Nu al houdt de Raad van State elk wetsvoorstel kritisch tegen het licht. Als de wetgever uit politieke opportuniteit de kritiek van deze hoogste adviseur van de regering naast zich neerlegt, valt ook van een nieuwe adviesraad weinig heil te verwachten. Meer dan aan een extra adviescollege, is er behoefte aan een duidelijker inzicht in het rechtsgehalte van de talloze fiscale onderwerpen die in de Tweede Kamer de revue passeren.

Hier signaleert Van der Geld een tekortkoming van de fiscale wetenschap zelf. (Zij het in een noot bij een gedeelte van zijn rede dat hij niet heeft uitgesproken, maar dat wel zal worden gepubliceerd.) "Hier ligt ook een taak voor de fiscale wetenschap om zich in voorlichtende zin meer tot de burgers te wenden en niet slechts te publiceren voor vakgenoten. Een publikatie voor een dagblad of een opinie-weekblad telt wetenschappelijk hoegenaamd niet mee, maar is maatschappelijk dus zeer belangrijk', aldus Van der Geld.

Het schrijven van voor iedereen begrijpelijke fiscale artikelen is niet alleen verloren tijd voor de wetenschappelijke prijzenkast, het spekt ook de portemonnee niet. De meeste fiscale hoogleraren verrichten naast hun wetenschappelijke taak prima betaald werk in de belastingadvieswereld. Een prioriteitenstelling die bijna iedereen afhoudt van de veel minder gehonoreerde bijdragen aan de populaire media of ten dienste van de politiek. J.A.G. van der Geld, Zicht op fiscale wetgeving, Tilburg University Press, 12 gulden