De verraderlijke grillen van intellectuelen

Op de tweedaagse Europese Rondetafel Conferentie die vanmorgen in Rotterdam van start ging sprak de fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer, Frits Bolkestein over het onderwerp "Macht, media en (internationaal) gedrag' en gaf hij zijn opvattingen weer over het journalistieke metier.

Tijdens de burgeroorlog werd Beiroet “de wildste en meest onbeschaafde plek ter wereld”. Robert Pfeffer van het Duitse blad Der Stern werkte aan een boek over contacten tussen de PLO en de Baader Meinhofgroep. Op 24 mei 1979 werd hij in zijn auto doodgeschoten. Berndt Debusmann was chef-de-bureau van Reuters in Beiroet. In de lente van 1980 kwam hij op de hoogte van verzetsacties tegen Hafez al-Assad in de Syrische havenstad Latakia. Op 5 juni 1980 verlieten hij en zijn vrouw 's avonds laat het huis van een collega. Toen ze in hun auto stapten, werden ze in de rug geschoten.

De collega met wie Berndt Debusmann zijn laatste avond in Beiroet omging was Tom Llewelyn, BBC-correspondent in Libanon. Llewelyn bracht regelmatig verslag uit over de problemen van het Syrische bewind. In juli 1980 ontving hij niet mis te verstane informatie dat hij zou worden vermoord als hij langer in Beiroet zou blijven. Hij werd naar Oost-Afrika overgeplaatst.

Hoe hebben de persagentschappen gereageerd op de intimidatie van hun correspondenten? Nadat Debusmann was neergeschoten berichtte Reuters dat het motief van de schietpartij onbekend was. Het persbureau meldde niet dat hij was bedreigd. De moord op Robert Pfeffer werd nauwelijks vermeld. De BBC spendeerde nauwelijks tijd aan de dreigementen tegen Llewelyn. Zoals The Economist schreef: “Aldus hebben de Syriërs de vertegenwoordigers van de BBC en Reuters door terrorisme uit Libanon verdreven en slaagden ze daarin zonder zelfs maar te worden genoemd.” Dit zijn duidelijke gevallen van zelfcensuur, veroorzaakt door intimidatie. Hoewel er geen ideologisch filter bestond dat het nieuws moest passeren waren de consequenties dezelfde. Het duurde bijvoorbeeld drie weken voordat het eerste bloedbad in Hama, de tweede stad van Syrië, in april 1981 in de internationale pers werd gemeld en zelfs toen bleven de berichten beperkt.

Er is ook intimidatie op grote schaal: de oorlog in Afghanistan bijvoorbeeld. Radek Sikorski, wiens foto van een platgebombardeerd dorp in 1988 de World Press Photo won, zei over de journalistieke berichtgeving over de oorlog het volgende: “Het beroemdste televisiestation ter wereld heeft de laatste acht jaar nog één enkele correspondent gestuurd om verslag uit te brengen over het verzet in de oorlog in hun land” en voegde daaraan toe: “Niet één van de stafjournalisten van enig Brits persorgaan is met het verzet binnen Afghanistan opgetrokken. Voor een langdurige oorlog, waarbij een supermogendheid verantwoordelijk is voor de dood van meer dan een miljoen mensen, is dat een schande voor het beroep.”

Intimidatie, op kleine of op grote schaal, is één ding; het optreden van bureauredacteuren iets anders. In december 1989 brachten Westerse media het nieuws over een massagraf met meer dan vierduizend lichamen in Timisoara in Roemenië. De bron van dat nieuws was de Bulgaarse televisie. In werkelijkheid was er geen massagraf. De Roemeense revolutie eindigde volgens een nederlandse journalist in “een reeks journalistieke blunders”. Een conferentie over die zaak, met als thema de vraag “Wie loog er?”, kwam in april 1990 in Parijs tot de conclusie dat de drang tot het opkloppen van nieuws in de meeste gevallen de thuisredacteuren had overmeesterd.

Hoeveel mensen stierven op 4 juni 1989 op het Tien An Men plein? Nu wordt erkend dat de originele schatting van duizenden doden veel te hoog was. Geen enkele journalist gebruikt nog de term “bloedbad van Tien An Men”. Toen die term in de International Herald Tribune verscheen was die dan ook niet afkomstig van hun man in Peking maar van redacteuren aan het bureau. Waarom wijzigen bureauredacteuren correct doorgegeven nieuws? De correspondent van De Volkskrant in Peking denkt bij het zoeken naar een verklaring aan onwetendheid en de symbolische functie van het Tien An Men plein als oorzaken van dit fenomeen. Let even op die twee woorden: "onwetendheid' en "symbolen'.

In augustus 1989 waren de Britse troepen twintig jaar in Noord-Ierland gelegerd. Die verjaardag bracht een invasie op gang van fotografen en televisieploegen en dat leidde op haar beurt tot incidenten. Mensen gedragen zich anders als ze voor een camera staan. Foto's zijn niet altijd wat ze lijken. De media raken soms bedwelmd door de liefdesdrank van de confrontatie. Wie provoceert dan wie?

Laten we even bij foto's blijven. Op 2 augustus 1982, ten tijde van de Israelische invasie in Libanon, publiceerde UPI de foto van een baby, een meisje dat haar armen leek te hebben verloren. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, George Shultz merkte op: “Het symbool van deze oorlog is een baby waarvan de armen zijn afgeschoten.” Nog een symbool. De foto kwam zelfs terecht op het bureau van president Reagan die hem verontwaardigd liet zien aan de Israelische minister van buitenlandse zaken, Shamir. Volgens Time Magazine maakte de foto op president Reagan meer indruk dan vijftig briefings. Een paar dagen later moest UPI toegeven dat de baby (een jongen met de naam Eli Masco die zijn arm had gebroken) bij zijn moeder thuis woonde, het goed maakte en de beschikking had over beide armen.

Eddie Adams maakte op 1 februari 1968 een van de beroemdste foto's van de oorlog in Vietnam. Die toonde een politieman die een Vietcong door het hoofd schoot. Henri Beunders heeft geschreven over de achtergronden van die foto en over wat er terecht kwam van de fotograaf en van de politieman, Nguyen Ngoc Loan. De Vietcong had diverse politiefunctionarissen vermoord, onder wie Loans beste vriend en zijn hele gezin. De foto zond schokgolven rond de wereld. De Noordvietnamezen verspreidden hem in grote aantallen. Adams kreeg in 1969 de Pulitzerprijs. Hij zei later: “Die foto is volstrekt verkeerd geïnterpreteerd. Zonder een foto geloven mensen iets maar half. Met een foto geloven ze het voor duizend procent, ook al is de foto een complete leugen.”

Laat me ook Tet noemen en de manier waarover de Amerikaanse pers daarover heeft bericht. Het Tet-offensief had plaats in de eerste paar maanden van 1968. Ondanks enkele opzienbarende successen in het begin liep het uit op een ernstige nederlaag van de Vietcong. Maar de Amerikaanse media stelden Tet voor als een nederlaag van de Zuidvietnamezen en hun Amerikaanse bondgenoten. Het bevooroordeelde beeld dat de Amerikaanse media schetsten van Tet bleef niet zonder gevolgen. Tran Bach Dang was tijdens het offensief Vietcong-commandant in Saigon. Hij zei een paar jaar geleden: “Wat Tet betreft, laten we het zo stellen: de politieke resultaten waren groter dan we verwachtten.” Inderdaad. Op 31 maart 1968 kondigde president Johnson een gedeeltelijke pauze aan in de bombardementen, waarmee hij tegelijkertijd zijn bereidheid toonde met Hanoi te onderhandelen en zijn besluit kenbaar maakte geen kandidaat te zijn voor herverkiezing.

Het is onmogelijk te weten hoe de oorlog in Vietnam zou zijn afgelopoen als er anders over zou zijn geschreven. Dit is wat André Spoor erover zei toen hij afscheid nam als hoofdredacteur van NRC Handelsblad: “Zonder het te beseffen, zijn wij - de media - het slagveld geworden waarop de regering van Noord-Korea de oorlog uitvecht. En in veel gevallen vochten de journalisten zij aan zij met Hanoi.” Hier zijn we al voorbij de symboliek en op het gebied van het politieke vooroordeel.

Het Cambodjaanse bloedbad werd door de internationale media vrijwel genegeerd. De hele drieëneenhalf jaar van het regime van Pol Pot hebben de New York Times en de Wall Street Journal er elk maar negen hoofdartikelen aan besteed, de Washington Post maar vier. In 1976 verscheen er één artikel in Time. Newsweek noemde het onderwerp helemaal niet. Toen eind 1977 de vertegenwoordiger van Israel bij de VN “de holocaust in Cambodja” noemde werd hij geconfronteerd met een oorverdovende stilte. De media leken te lijden aan “de illusie van het redelijke alternatief”. Lon Nol was slecht geweest, daarom moest wat na hem kwam wel goed zijn.

Laat me mijn opmerkingen uitbreiden van de journalistiek naar de intelligentsia in het algemeen. De voorkeur van veel intellectuelen voor dictaturen is vaak beschreven maar nooit naar behoren verklaard. Sommige aspecten zijn echter duidelijk. Ten eerste: veel intellectuelen worden door actie en macht aangetrokken als bijen door honing. Dat is een oud thema dat al teruggaat tot Plato. Op een laag niveau manifesteert dit verlangen naar actie zich in een stengun-romantiek die zich richtte op de Cubaanse leiders en de Nicaraguaanse comandantes.

Op een hoger plan (dat is het tweede aspect) wordt het het verlangen naar de complete mens, de uomo universale, die 's morgens jaagt, 's middags een staking leidt en 's avonds een teach-in toespreekt. De Vietnamezen waren total people, zei Susan Sontag, niet gefragmenteerd zoals wij.

Ten derde: deze integratie werd geacht te contrasteren met de vervreemding van de Westerse welvaartstaat waar het bestaan wordt gereduceerd tot een bloedeloos consumentisme. Velen zochten compensatie voor hun comfortabele bestaan in de plaatsvervangende opwinding over een revolutie ver weg. Hun aarzelende zelfbeeld stak pijnlijk af bij die revolutionaire dynamiek.

Op de vierde plaats zijn intellectuelen dol op algemene denkbeelden en abstracte redeneringen. Alexis de Tocqueville merkte daarover in zijn boek L'ancien régime et la révolution in het hoofdstuk “Hoe in het midden van de achttiende eeuw intellectuelen (hommes de lettres) leidende politici werden in het land en welke consequenties dit had”, het volgende op: “Het beroep van deze schrijvers bracht hen ertoe algemene en abstracte theorieën de voorkeur te geven en die blind te vertrouwen.”

Op een lager niveau moet ik, ten vijfde, wijzen op de beroemde totalitaire gastvrijheid die elke bezoekende intellectueel het gevoel gaf belangrijk te zijn en te worden geëerd. Intellectuelen smachten naar erkenning. Ze kregen die daar, emmers vol. Tenslotte, en wellicht wel het belangrijkst: de teloorgang van de godsdienst heeft veel geestelijk daklozen ertoe gebracht uit te zien naar een nieuw ideologisch anker. Het hiernamaals werd verplaatst naar de Derde Wereld. Beide zijn ver weg. Over beide weten we niets.

Welke ook de verklaring is, als er ooit sprake is geweest van trahison des clercs, dan hier. Jaag ik op spoken nu het communisme alle geloofwaardigheid heeft verloren? Ik denk van niet. Het Israelische leger viel Libanon binnen op 6 juni 1982. De PLO-kampen Sabra en Chatila bij Beiroet werden op 18 september door Libanese christenen aangevallen. Ongeveer tweeduizend mensen werden vermoord. Dat bloedbad kreeg veel publiciteit. Ariel Sharon moest zijn baan als minister van defensie opgeven. In het Nederlandse parlement werd over de zaak gedebatteerd. Een paar maanden eerder, in februari 1982 vond het tweede bloedbad van Hama plaats. Achtduizend Syrische militairen belegerden dit centrum van de Moslim Broederschap. De strijd duurde negen dagen en twintigduizend mensen stierven - misschien wel tien keer meer dan in Sabra en Chatila. Er was weinig publiciteit en het Nederlandse parlement besteedde geen aandacht aan de zaak. Waarom?

Een tweede voorbeeld. Steve Biko werd op 13 september 1977 door de Zuidafrikaanse politie vermoord. Een golf van publiciteit en verontwaardiging spoelde over de wereld. Biko's dood leidde tot een wapenboycot tegen Zuid-Afrika. In de Centraal-Afrikaanse staat Burundi leven twee volkeren door elkaar heen. De lange Tutsi hebben de macht, al maken ze maar vijftien procent van de bevolking uit. De kleine Hutu zijn in de meerderheid, maar machteloos. In drie golven van geweld - in 1965, 1972 en 1988 - hebben die twee volken elkaar op grote schaal uitgemoord. Die gebeurtenissen bleven (buiten België) vrijwel onvermeld. Het politieke effect was nihil. Waarom?

Ik heb zojuist stilgestaan bij “de illusie van het redelijke alternatief” als een soort paradigma. Hier belanden we bij een tweede paradigma: “De splinter in ons eigen oog is groter dan de balk in dat van een ander.”

Adriaan van Dis heeft onthuld hoe dit werkt. In zijn recente boek over Mozambique beschrijft hij hoe hij over Afrika placht te schrijven: “Ik onderdrukte wat ik zag: de minachting voor mensenrechten, de corruptie, de feodale houding van de autoriteiten. Ik was bang het spelletje van de racisten thuis mee te spelen en besefte niet dat ik zelf een racist was door me zo voorzichtig op te stellen en alles te prijzen wat zwart was.”

De twee paradigma's die ik heb genoemd hebben een gezamenlijke noemer, te weten positieve discriminatie: positieve discriminatie van het andere, het buitenlandse, het nieuwe en zo negatieve discriminatie van het eigene, het bekende, het oude. Men kan die gezamenlijke noemer wellicht ook omschrijven als een cultureel masochisme, voortkomend uit een christelijk schuldgevoel.

Wat verklaart dit masochisme, die verlies aan vertrouwen dat de Westerse liberale intelligentsia deze eeuw is overkomen, dit falen van de wil? Waarom zeggen zoveel intellectuelen, om Yeats te citeren: “Kom werp op mij dat beschuldigende oog, ik smacht naar beschuldiging”? Waarom dat liberale doodsverlangen?

Gaat het echt om perverse christelijkheid? Zo ja, waarom waren de geboden "Heb uw vijand lief, keer hem de andere wang toe', pas nu kritiekloos in extremis uitgevoerd na al die eeuwen waarin de kerk de wereldse macht heeft ondersteund? Andere factoren moeten een rol spelen: de plotselinge toename van de welvaart, die veel mensen heeft afgeschermd van de armoe; de toename van onderwijs en ontwikkeling van de massa's waar te vaak een beetje kennis al gevaarlijk was en de allesdoordringende invloed van de televisie die zich vooral richtte op gevoelens, beelden en symbolen. Welke ook de verklaring is, het liberale doodsverlangen is een politiek fenomeen van het grootste belang geweest.

Tot besluit: journalisten hebben een moeilijk vak. Ze kunnen met de dood worden bedreigd. Ze kunnen door een bureauredacteur verkeerd worden begrepen. Ze kunnen door een foto op een dwaalweg worden gestuurd. Ze kunnen te weinig afweten van achtergronden. Maar het verraderlijkst van alles is de invloed van intellectuele grillen, van de ideologie, van de Zeitgeist. Zoals Goethe zei: “Der Wahn hat, so lange es dauert, eine unüberwindliche Wahrheit”.