"De joodse gemeenschap in Berlijn heeft nooit opgehouden te bestaan'

In de Oostberlijnse Oranienburgerstrasse ligt het Duitse verleden voor het oprapen. Aan de ene kant van de straat staat een rij volledig vervallen fabrieksgebouwen - inmiddels gekraakt - symbool voor de ineenstorting van het "reëel bestaande socialisme'. De overkant van de straat staat juist in het teken van de opbouw. Daar zijn bouwvakkers bezig met de zorgvuldige restauratie van wat met 3600 zitplaatsen ooit de grootste synagoge van Duitsland was. Vlak om de hoek bevindt zich een joods café. Temidden van straatprostituées, krakers en punkers lijkt zich hier, voor het eerst sinds de oorlog, weer een joodse wijk te ontwikkelen.

De hereniging van Oost- en West-Berlijn betekende ook de hereniging van de joodse gemeenten uit de beide stadsdelen. Die van West-Berlijn telde ongeveer achtduizend leden, in Oost-Berlijn waren het er welgeteld 213. De meeste van de vijfduizend joden die na de oorlog nog in Berlijn woonden, vluchtten immers in de jaren vijftig van Oost- naar West-Berlijn. De achterblijvers waren voor een deel communistische diehards die hun politieke idealen belangrijker vonden dan hun joods zijn. Anderen verzwegen angstvallig hun joodse identiteit. Hun kinderen wisten van niets. Nog altijd komt het voor dat iemand plotseling door toeval ontdekt joods te zijn.

In Oost-Berlijn bevinden zich enkele van de belangrijkste joodse objecten, stille restanten van wat voor de oorlog een gemeenschap van 172.000 mensen was. Een daarvan is het Weissensee-kerkhof, met 115.000 graven de grootste joodse begraafplaats van Europa. Ondanks het geringe aantal joodse Oostduitsers is deze begraafplaats ook na de oorlog permanent in gebruik geweest. “Of ze nu in Brazilië wonen of in Australië, veel Berlijnse joden hebben als laatste wens in hun geboortestad begraven te worden”, zegt een medewerkster van de begraafplaats. “Iedere week arriveert er wel een vliegtuig met een lijkkist.”

De synagoge aan de Oranienburgerstrasse werd tijdens de Kristallnacht geplunderd en ging daarbij gedeeltelijk in vlammen op. Na het bombardement van 1942 stond alleen de gevel nog overeind. In de toekomst zal het gebouw in gebruik worden genomen als Centrum Judaïcum. “Want het zal nog zeker honderd jaar duren voordat er weer zo veel joden in Berlijn wonen dat deze synagoge op elke sabbat vol zou zitten”, zegt coördinator Konstantin Münz.

De ouders van Münz ontvluchtten als communistische joden nazi-Duitsland en vestigden zich in Moskou. Uiteindelijk raakten ze daar in diskrediet en werden ze gedeporteerd naar een stalinistisch concentratiekamp, waar Konstantin werd geboren. Met een ongeknakt vertrouwen in het communisme emigreerden ze in 1956 naar Oost-Berlijn “om hun droom van de opbouw van een nieuw, antifascistisch Duitsland gestalte te geven”. Ondanks de antisemitische en antizionistische politiek van de Oosteuropese regeringen in de jaren vijftig verloochenden ze hun joodse identiteit niet.

In de jaren zeventig probeerden de Oostduitse autoriteiten uit politieke overwegingen de bevolking een gevoel van solidariteit met "de joodse medemens' op te leggen. “Vanaf 1978 waren joden mode in de DDR”, stelt Münz. Ondanks hun minuscule aantal - 600 in de gehele DDR - verschenen er alleen al in de periode 1983 tot 1989 "minstens 75' reportages in de Oostduitse media met als onderwerp "joden in de DDR'. “Jood te zijn in Oost-Berlijn en niet half-dood was zeer inspannend”, zegt Münz. Hij shockeerde een Amerikaanse journalist door op diens vraag naar de mate van antisemitisme in de DDR te antwoorden: “Als het er was, zou het me beter gaan.” Tijdens een ander interview droeg hij een button met de tekst "DDR-jood: verboden te voeren'.

Als schrijver, filmer en journalist berichtte Münz zelf ook over de positie van joden in de DDR. Tevens probeerde hij de anti-joodse stalinistische campagnes te reconstrueren. Daarmee raakte hij herhaaldelijk in de problemen. De constatering dat er na de oorlog in de beide Duitslanden “meer joodse begraafplaatsen zijn geschonden dan tijdens het hele duizendjarige Rijk” werd hem niet in dank afgenomen.

In 1978 werd hem zijn partijlidmaatschap ontnomen en kreeg hij als journalist een beroepsverbod. Toch ging hij door met zijn werk. Zo hield hij in 1980 een interview met een antisemiet “die mij uitvoerig uitlegde wat hij tegen joden had en hoe je ze kon herkennen”. De man wist niet dat Münz zelf joods is en ook niet dat deze het gesprek met een in zijn baard verborgen microfoon op band vastlegde. De man speelt volgens Münz nu een belangrijke rol in rechts-extremistisch Duitsland. Het curieuze is dat de vader van de man destijds majoor bij de Stasi was, met als speciale taak de opsporing van rechts-extremisten in de DDR.

In 1982 belandde Münz voor vier maanden in de gevangenis, “wegens een poging om niet-geheime informatie te verspreiden”. In 1984 verrichtte hij een onderzoek naar rechts-extremisme in de DDR. Op beschuldiging bezig te zijn met "een staatsgevaarlijke hetze' werd hij acht maanden lang opgesloten.

Hij heeft nooit overwogen te emigreren, al was het alleen al wegens een passage in het dagboek van Jozef Goebbels van 6 februari 1943 waarin deze aankondigt op 20 april 1943 Hitler voor diens verjaardag een judenrein Berlijn aan te bieden. Münz: “Die wens is niet vervuld, de joodse gemeenschap in Berlijn heeft nooit opgehouden te bestaan.”

Münz meent dat “Duitsers op een zieke, neurotische wijze met hun verleden omgaan, alsof die twaalf jaren van industriële moord op de joden iets totaal uitzonderlijks was en niets slechts een episode in eeuwenlange vervolgingen”. In de voormalige DDR was het thema jodenvervolgingen in feite taboe omdat de DDR immers was gesticht als een antifascistische staat.

Volgens Münz is het “de typische houding van de na-oorlogse generatie” om te trachten met het begrip "neo-nazisme' het antisemitisme uit de nazi-tijd te bagatelliseren. “Antisemitisme heeft niets met leeftijd te maken. U denkt wellicht dat Duitsers een volk zijn van dichters en denkers. Niets is minder waar.”

Toch haat hij zijn landgenoten niet. “Anders zou ik hier niet leven; ik ben tenslotte niet pervers masochistisch.”