Voor de Banja is bestand een schrale troost; "De enige manier om naar Petrinja te gaan is zwemmend'

BREST, 24 SEPT. De jonge gardist straalde volop zelfvertrouwen uit. “De Kroatische bevolking moet zo snel mogelijk terugkeren naar Petrinja”, zei hij op de Kroatische televisie. “Men hoeft zich geen zorgen te maken, onze troepen hebben de stad vast in handen.” Maar dat is niet waar, blijkt hier aan de brug over de Kupa die maandenlang een van de twee resterende verbindingen is geweest tussen het aan alle kanten door de Serviërs ingesloten Petrinja en de rest van Kroatië.

“De enige manier om naar Petrinja te gaan is zwemmend”, zegt een Kroatische gardist schertsend. Met wat collega's heeft hij zich verschanst in een hoeve bij de brug, en gluurt naar de overkant. Daar staan het Joegoslavische leger en de bewapende Serviërs. Na weken straatgevechten is Petrinja verloren, een nieuwe Servisch-Kroatische grens is getrokken.

Nu begrijp ik waarom geen van de plaatselijke journalisten een vraag stelde op de via de televisie uitgezonden persconferentie in Sisak, waar de jonge gardist zijn oproep deed aan de bevolking van Petrinja om terug te keren. De Kroatische collega's wisten dat het niet waar was, en de wens de vader van de gedachte. In een guerrilla-oorlog zoals hij hier, zestig kilometer ten zuiden van de Kroatische hoofdstad Zagreb gevoerd wordt, kunnen de Kroatische gardisten en politieagenten op den duur geen stand houden, wanneer de bevolking is gevlucht.

En die is gevlucht, druppelsgewijs, sinds op 2 september het garnizoen van Petrinja vanaf het kazerneterrein een artilleriebombardement op het stadje uitvoerde, volgens de commandant naar aanleiding van een Kroatische provocatie. Op 3 september, herinner ik me, keerden velen die in paniek waren gevlucht nog eenmaal terug. Gefilmd door alle belangrijke televisiemaatschappijen, stonden zij in de stralende zomerdag de scherven op te ruimen van hun ruiten, in de gedachte dat het misschien toch mogelijk zou zijn het bestaan in hun woonplaats voort te zetten.

Maar twee dagen later al gaf ik twee vrouwen een lift vanuit Petrinja naar Zagreb, die geruchten hadden gehoord over een nieuwe actie van het leger, en “niet weer zoiets wilden meemaken”. Ze gingen een nachtje bij familie in de hoofdstad slapen. Weken van overscherende vliegtuigen, mitrailleurs, explosies, straatgevechten en geruchten over wrede moordpartijen door de Serviërs hebben van veel van die nachtjes een permanente verblijf gemaakt.

De Kroatische gardisten hier aan de andere oever van de Kupa konden met een gerust hart de brug afsluiten met mijnen en tankversperringen, nadat zij de met veel doden en gewonden nog weken verdedigde stad zaterdag definitief moesten opgeven. De tienduizenden Kroatische bewoners van Petrinja waren allang vertrokken. En niemand meldt zich hier vanmiddag naar aanleiding van de televisieoproep.

Of de Servische bevolking, die al eerder in de andere richting was gevlucht, nu in Petrinja is teruggekeerd, weet de gardist die omringd door kippen en ganzen naar de andere kant van de brug tuurt niet. Wel heeft hij vanochtend een reeks explosies gehoord. Misschien hebben de Serviërs de laatste resten opgeruimd van de katholieke kerk in Petrinja, die trouwens op 2 september al ernstig beschadigd was, net als de rest van het centrum. De Serviërs zullen de huizen van de Kroaten nu wel aan het plunderen zijn, denkt hij.

Ook hier in Brest, een landelijke dorpje aan de rivier, is oorlogsschade zichtbaar. In het dak van het houten kerkje is door een granaatinslag een groot gat ontstaan, andere granaten verbrijzelden grafstenen op het kerkhof. Veel inwoners van Brest lijken voor alle zekerheid een veilig heenkomen te hebben gezocht, en komen eens per dag terug om hun beesten te verzorgen. De enige dorpswinkel is gesloten.

Langs de landweg naar het noorden hebben de Kroatische gardisten hun intrek genomen in een aantal grotere huizen, waar zij hun wonden likken. Bij Petrinja was er geen nieuw staakt-het-vuren nodig om een eind te maken aan de gevechten: de strijd om Petrinja was zaterdag uitgestreden. Langs de weg staan doelloos twee donkerbruin geverfde gevaarten. Het zijn met zware staalplaten tot "Kroatische tanks' omgebouwde vrachtwagens, waarmee de moedigste gardisten zich de afgelopen weken Petrinja lieten binnenrijden, om daar zogenoemde “schoonmaakoperaties” te houden.

In een korenveld staat een vrachtwagen met een bult en een zeil erover, kennelijk een van de stuks afweergeschut waarmee de Kroaten op deze plek tenminste één straaljager van het Joegoslavische leger en één helikopter hebben neergeschoten.

Aan de andere weg naar Petrinja die de Kroaten nog in handen hebben is geen brug die een duidelijke scheidslijn tussen Kroaten en Serviërs en leger zou kunnen aangeven. De laatste Kroatische verdediginglinie schuift hier voortdurend steeds verder terug, van dorp naar dorp, zeggen ooggetuigen. Schieten doet het leger niet meer, sinds zondag het nieuwe bestand inging. Maar Servische sluipschutters schieten de Kroaten in het niemandsland geleidelijk hun dorpen uit. In doodsnood hollen voortdurend mensen in de richting van de voorste Kroatische linie, om zich te scharen bij de naar schatting al 230.000 Kroaten, die vanwege de oorlogsomstandigheden hun woonplaats - naar het schijnt veelal permanent - hebben moeten verlaten. Schot voor schot als het ware, trekken de Kroatische gardisten zich terug in de richting van de districtshoofdstad Sisak.

In Sisak zelf heersen paniek en teleurstelling. Dit crisishoofdkwartier was een van de eerste pogingen de Kroatische defensie serieus te organiseren, nadat - eigenlijk tot ieders verrassing - de Serviërs in dit gebied, de Banja, in juli een offensief hadden ingezet. Nu heerst er diepe verslagenheid. Ten koste van veel slachtoffers wisten de Kroaten aanvankelijk een aantal plaatsjes, zoals Kostajnica, te heroveren. De offers bleken vergeefs: slechts aan de rand van de Banja, vlakbij de industriestad Sisak houden nog wat Kroatische gardisten stand. Die in het plaatsje Sunja worden nu al twee maanden lang dagelijks met mortiergranaten beschoten. Dankzij een goede bunker houden zij stand, maar van normaal menselijk leven is in Sunja allang geen sprake meer, en dat geldt eigenlijk ook voor de andere dorpen in het gebied.

Men zegt dat het jongste bestand in Kroatië een redelijk succes is. Weliswaar wordt in plaatsen als Vinkovci, Stara Gradiska en Sibenik flink gevochten en gebombardeerd, maar het niveau van geweld is toch duidelijk minder dan vorige week, toen heel Kroatië bijna ten onder dreigde te gaan door de agressieve strategie van de Kroaten tegen het Joegoslavische leger.

Voor de inwoners van Sisak is dat allemaal een schrale troost. In Sisak zijn velen op de vlucht geslagen, vanwege berichten, of misschien alleen maar geruchten, dat zich in de heuvelen van de Banja een omvangrijk leger van bewapende Serviërs aan het verzamelen is, en dat die zich voorbereiden op de inname van de stad. De Servische guerrilla is, zoals bekend, geen partij in het staakt-het-vuren.

De plaatselijke overheid probeert de paniek te bestrijden. De mannelijke vluchtelingen uit Petrinja worden, weer op de Kroatische televisie, gemaand zich vandaag te melden voor opname in de Nationale garde, een plaatselijke mobilisatie dus. En de burgemeester van Sisak probeert in een televisietoespraak de burgerij van zijn stad ervan te overtuigen, dat er geen enkele reden is om te vluchten: er is in Kroatië een staakt-het-vuren van kracht, betoogt hij, “en onze gardisten zijn gereed en in staat de stad te verdedigen”.

De lege straten in Sisak, de vele gesloten winkels, de vele auto's met huisraad die naar Zagreb rijden, tonen aan dat de argumenten van de burgemeester minder indruk maken dan de mortiergranaten, die de inwoners van Sisak ook vanochtend weer in hun stad hoorden neerdalen.

Foto: Drie soldaten van het federale leger bereiden hun maaltijd boven een vuurtje in de Maarschalk Tito-kazerne in Zagreb. Volgens het begelopen zondag moeten de Kroatische belegeraars van de kazerne de electriciteit weer aansluiten. (Foto EPA)