"Hobbyisten wegbereiders archeologen'

AMSTERDAM, 24 SEPT. Op een braakliggend terrein aan de Amstel naast het café Het Nieuwe Kalfje, op de plek waar de in 1966 afgebroken uitspanning Het Oude Kalfje stond, is een tiental mensen druk doende in recent gegraven kuilen die oude muren en vloeren hebben blootgelegd. Het is een zonnige zaterdagmorgen. De een schraapt met een troffel over de bodem, de ander veegt met stoffer en blik een houten vloertje schoon, weer een ander werpt grote scheppen natte klei omhoog uit een ruimte die eens de waterkelder moet zijn geweest. Iemand haalt een scherf uit de aarde: een stuk van een Delftsblauwe tegel met de afbeelding van een hoepelend kind.

Aan het werk zijn leden van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN), amateurs die archeologie als hobby hebben en zich in hun vrije tijd bezig houden met graven, onderzoeken en restaureren van opgegraven voorwerpen. De vereniging bestaat in oktober veertig jaar. Op de 26ste van die maand krijgt de AWN, op een feestelijke dag in kasteel Doorneburg bij Bemmel, de Prins Bernhardfonds Monumenten Prijs 1991 uitgereikt; de belangrijkste prijs op het terrein van de monumentenzorg in Nederland waaraan een bedrag van honderdduizend gulden is verbonden.

De AWN helpt bij het in kaart brengen van de bronnen van onze geschiedenis. Het bodemarchief wordt in deze tijd bedreigd door nieuwbouw en verzuring. Diepe funderingen verwoesten archeologische gegevens en door verzuring van de bodem lossen metalen voorwerpen, zoals munten, op. Ingrepen in het landschap doen oude cultuurresten als terpen, Romeinse wegen en middeleeuwse kasteelrunes verdwijnen. AWN-leden werken samen met professionele instanties om te bergen wat er te bergen valt.

Het doel van de opgraving van Het Kalfje is te kijken wat in de loop der jaren op die plek heeft gestaan. De kuilen laten nu alleen nog een deel van de meest recente fundamenten zien, maar de bedoeling is, dat men steeds dieper gaat.

De afdeling Amsterdam van de AWN is er, in samenwerking met de Historische Vereniging Amstelveen, nu vijf weken bezig, één dag per week. Er zijn bouwplannen voor die plek. Omdat omwonenden bezwaar hebben gemaakt, zal de bouw waarschijnlijk pas over een jaar of twee kunnen beginnen. In die tijd zullen de amateurarcheologen zoeken naar de oudste overgebleven fundamenten, vertelt veldcoördinator Paul Hoogers die de opgraving leidt.

De weg langs de Amstel is een oude doorgangsroute, waarvan al in geschriften uit de veertiende eeuw melding wordt gemaakt. “Voordat we beginnen doen we eerst een bronnenonderzoek. Zo weten we dat er omstreeks 1740 al een herberg heeft gelegen en er daarna veel verbouwingen en toevoegingen zijn geweest. Maar we willen ook kijken of er al vóór die tijd iets was. Het kan zijn dat er een boerderij lag, of iets anders. Er lagen vroeger langs de rivier veel buitenverblijven. Het verrassende van dit werk is, dat je als je begint, nooit weet wat er onder de grond zit. Het kan zelfs zijn dat je uiteindelijk op een middeleeuwse terp stuit”.

Een schop, een troffel, een meetlat, houweel, hoogtemeters, pompen en foto-apparatuur zijn de voornaamste attributen waarmee de amateurs werken. Het meeste werk gebeurt met de hand, machines worden sporadisch ingezet. “Ons probleem is”, zegt Hoogers, “dat wij niet genoeg geld hebben om apparaten te huren. Beroepsmensen werken met machines. Wij zijn veel tijd kwijt aan het graafwerk.”

Elke laag die bloot komt te liggen, wordt in kaart gebracht, gefotografeerd en beschreven. Dan wordt hij verwijderd en gaat men door naar de volgende laag. In de laatste fase komt er een graafmachine aan te pas om een diepe sleuf te trekken. Daardoor ontstaat een dwarsdoorsnede die een idee geeft over de opbouw van de verschillende lagen.

In een hoek van het terrein ligt een stapel plastic zakken, waarin de in de loop van de dag gevonden scherven en voorwerpen worden verzameld. Elke vondst krijgt een kaartje met een nummer en een beschrijving. Op een wekelijkse bijeenkomst, de "vondstverwerking', wordt alles schoongemaakt, gedateerd en soms ook gerestaureerd.

Niet iedereen mag zomaar in de grond wroeten. De Monumentenwet verbiedt een ieder het verrichten van “graafwerk” zonder toestemming van de bevoegde instanties. Dat geldt zelfs voor de eigen tuin. De AWN werkt daarom alleen met toestemming van de universitaire archeologische instituten of de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Soms gaat dat onder begeleiding van een beroepskracht, soms worden AWN'ers alleen op een project losgelaten, in de hoop dat er op den duur iets interessants uitkomt. “Wanneer wij dingen zouden vinden die voor de stad Amsterdam van belang zijn, dan neemt de gemeente het werk over. Maar dan moeten we wel eerst op de middeleeuwen zijn gestuit”, zegt Hoogers.

De opgraving van het Kalfje is maar één van de activiteiten van de AWN, die met 2600 leden de grootste vereniging van amateurarcheologen in ons land is. De vereniging bestaat uit regionale en lokale afdelingen. De oprichting, veertig jaar geleden, kwam in de tijd van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Steden breidden zich uit, nieuwe wegen werden aangelegd. Dat, zegt AWN-voorzitter S. Mooijman, is een gelukkige omstandigheid geweest. De beroepsarcheologen kwamen handen tekort om alle terreinen die onder wegen en andere bouwwerken dreigden te verdwijnen te onderzoeken en aanvaardden gretig de hulp van amateurs. Die samenwerking is altijd gebleven. De amateurs fungeren soms als wegbereiders voor de beroepsarcheologen. Prof. dr. L.P. Louwe Kooijmans van het Instituut voor Prehistorie van de Rijksuniversiteit Leiden (IPL) heeft de amateurs ooit ''de ogen en handen van de vakman'' genoemd.

“Alles wat wij doen geven wij door aan de beroepswereld”, zegt Mooijman, “of via ons landelijke blad Westerheem, of via de afdelingsbladen. Als wij ergens niet uitkomen, gaan wij te rade bij beroepsarcheologen. Overigens hebben wij ook leden die zelf archeologie zijn gaan studeren. De activiteiten van de afdelingen verschillen van streek tot streek. Bij ons in Noord-Holland zoeken we veel langs sloten. Op zaterdag gaan groepjes mensen de velden in, vooral in het najaar als de sloten worden schoongemaakt. Dan kun je hele concentraties scherven vinden. De vondsten noteren wij op een kaart. Als er op zo'n vindplaats gebouwd gaat worden, kan men besluiten daar te gaan graven. Wij vinden hier veel uit de ijzertijd, maar in het zand in Drenthe bijvoorbeeld vindt men weer veel uit de steentijd. In de buurt van Arnhem zoeken onze leden vooral op de hei naar grafheuvels. En bij Geleen hebben wij veel bandkeramiek gevonden van ongeveer vijfduizend jaar voor Christus. Op dit ogenblik is het stadskernonderzoek in opkomst. Daarbij wordt veel uit de vroege Middeleeuwen aangetroffen.”

De AWN doet ook aan scholing. Er zijn jaarlijkse veldwerkcursussen bij bestaande opgravingen en kadercursussen. “Amateurarcheologen beschikken over het algemeen over veel praktische vaardigheden”, zegt Mooijman, “maar zij missen de achtergrondkennis van bepaalde culturen, van archeologie in het buitenland, of van wat er in de archeologische wereld omgaat.”

Door de oplettendheid van de amateurs zijn al belangwekkende ontdekkingen gedaan. In 1958 bijvoorbeeld bleek uit een vondst van AWN'ers bij Vlaardingen dat in het veengebied daar al in de steentijd mensen hadden gewoond. Daarvoor ging men ervan uit dat daar in die tijd geen menselijk leven was. Een ander voorbeeld is de ontdekking van een Romeins vlootstation bij Velsen.

De belangrijkste vondsten verdwijnen naar musea, of in het provinciaal depot. Sommige afdelingen hebben een eigen expositieruimte. Maar het is niet de oude pot of munt die telt, vinden de AWN'ers. Het gaat hen in de eerste plaats om de reconstructie van de geschiedenis. Mooijman: “Ons belangrijkste doel is de grondlaag te dateren. De scherven, pijpekoppen en andere voorwerpen die we tegenkomen tellen minder. Het gaat ons puur om de archeologie. ”